Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure waar het in deze zaak om gaat
3.De beschikking van de penitentiaire kamer
Standpunt van verdachte
4.Het middel
eerste klachtis dat het hof door de regeling in haar algemeenheid te toetsen op de proportionaliteit, buiten de kaders van de beoordeling van de proportionaliteit in het onderhavige geval is gegaan. Betoogd wordt dat het hof daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en in strijd met art. 11 Wet Pro algemene bepalingen de innerlijke waarde of billijkheid van de wet heeft beoordeeld.
tweede klachtis dat het oordeel van het hof dat in dit geval niet een zodanige noodzaak tot het onderzoeken van het bestaan van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of anderszins een dwingende eis in het algemeen belang bestaat, dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en de met de doorbreking van het medisch beroepsgeheim gepaarde gaande schade aan het vertrouwen in de medische stand gerechtvaardigd is, niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de omstandigheden die het hof daarbij heeft betrokken.
de matewaarin in het individuele geval de bescherming van anderen en voorkoming van recidive speelt, onderdeel kan zijn van de beantwoording van de vraag of er een dwingende eis in het algemeen belang bestaat het medisch beroepsgeheim te doorbreken. In zoverre berust de klacht op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
Ambtshalve opmerking over de publicatie van deze conclusie en de beschikking van de Hoge Raad