De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens bijstandsfraude door het opgeven van een onjuist verblijfsadres tussen 2008 en 2014. De zaak bevatte een bestuursrechtelijke schikking waarbij het terugvorderingsbedrag werd verlaagd van €61.000 naar €21.000. De verdediging voerde aan dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het benadelingsbedrag onder de €50.000 was gekomen, waardoor strafrechtelijke vervolging niet passend zou zijn.
Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het oorspronkelijke benadelingsbedrag van €61.000 bepalend is voor de strafrechtelijke vervolging, ongeacht de latere schikking. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en stelt dat het nadeel in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude het brutobedrag betreft dat ten onrechte is uitgekeerd, niet het bedrag dat uiteindelijk wordt teruggevorderd.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de inzendtermijn voor het cassatieberoep van acht maanden is overschreden, waardoor strafvermindering passend is. De conclusie van de AG strekt tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafduur, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het beroep voor het overige.