II. Het eerste middel en de bespreking daarvan
3. Het middel klaagt dat het hof “niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de mate of vorm van strafkorting [heeft] aangeduid […] zodat in cassatie niet of niet voldoende is te toetsen of het hof in voldoende mate rekening heeft gehouden met onder meer de schending van de redelijke termijn zodat verdachte door het verzuim in zijn belangen is geschaad”.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte door de raadsman, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:
“Ik vraag u mijn cliënt vrij te spreken van de bij dagvaarding I onder 2 primair tenlastegelegde inbraak. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Mijn cliënt wist bovendien niet op het moment dat hij de camera voorhanden had dat het een van diefstal afkomstig goed was.
Ik verzoek u tevens mijn cliënt vrij te spreken van de aan hem bij dagvaarding I en II tenlastegelegde feiten, met referte aan uw oordeel voor de heling van het tasje met gestolen goederen.
Indien u toch tot een veroordeling komt, verzoek ik u te volstaan met een voorwaardelijke straf. Ik verzoek u daarbij rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt. Tot slot verzoek ik u de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.”
5. Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven al dan niet samen met anderen schuldig gemaakt aan een reeks bedrijfsinbraken en diefstallen. De verdachte heeft daarmee blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke, eigendommen van anderen en hun persoonlijke levenssfeer. Daarnaast heeft hij voor de betrokkenen veel overlast en financiële schade veroorzaakt.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan heling, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2021, waaruit blijkt dat jegens de verdachte eerder een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Het hof heeft voorts geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de verdachte niet binnen de redelijke termijn van zestien maanden na het eerste politieverhoor is berecht in eerste aanleg. Het hof zal met deze schending van de redelijke termijn rekening houden bij het bepalen van de straf.
Het hof heeft tot slot bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat, in het bijzonder gelet op het grote aantal bewezenverklaarde feiten, de ontkennende houding van de jonge verdachte ter terechtzitting en de overschrijding van de redelijke termijn, een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur, alsmede een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf van navermelde duur, een passende en geboden reactie vormen.”
6. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Indien wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij in bepaalde gevallen – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.
7. Met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle behoort de rechter in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in zijn uitspraak aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.
8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de zaak is behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. De in voormeld proces-verbaal opgetekende opmerking van de raadsman van de verdachte, die inhoudt dat hij het hof verzoekt een voorwaardelijke straf op te leggen en “daarbij rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt” valt naar mijn inzicht niet aan te merken als een verweer met de strekking dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn (als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM) is geschonden. Ook overigens houdt dit proces-verbaal niets in waaruit kan worden afgeleid dat aldaar door of namens de verdachte een verweer met een dergelijke strekking is gevoerd. Dat brengt mee dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd dat het hof in de bestreden uitspraak niet heeft aangegeven in welke vorm of mate de straf is verlaagd vanwege de schending van de redelijke termijn in hoger beroep.
9. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.