ECLI:NL:PHR:2022:571

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
21/00943
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 SrArt. 81 ROArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafoplegging ondanks schending redelijke termijn in cassatiefase

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot zes dagen jeugddetentie en een taakstraf van tachtig uren wegens meerdere diefstallen en opzetheling. Het hof nam bij strafoplegging de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg mee en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden en ontkennende houding van de verdachte.

In cassatie stelde de verdachte dat het hof onvoldoende had gemotiveerd in welke mate de straf was verminderd vanwege de schending van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet ontvankelijk was omdat het in hoger beroep niet concreet was aangevoerd. Daarnaast werd vastgesteld dat in de cassatiefase de stukken te laat aan de Hoge Raad waren toegezonden, wat een schending van het recht op berechting binnen redelijke termijn opleverde.

De Hoge Raad achtte deze termijnoverschrijding echter niet van dien aard dat het tot cassatie zou moeten leiden, mede gelet op de beperkte duur van de opgelegde jeugddetentie en taakstraf. De conclusie van de procureur-generaal was dan ook dat het cassatieberoep verworpen moest worden.

De uitspraak bevestigt dat de Hoge Raad terughoudend is bij toetsing van de mate van strafvermindering wegens termijnoverschrijding en dat een schending in de cassatiefase niet automatisch leidt tot vernietiging, zeker niet bij relatief lichte straffen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde jeugddetentie en taakstraf blijven gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00943
Zitting21 juni 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 25 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens de bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” en de bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking/inklimming”, de onder 2 bewezenverklaarde “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, de telkens onder 3 en 4 bewezenverklaarde “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/inklimming” en de onder 5 subsidiair bewezenverklaarde “opzetheling” veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, en tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen jeugddetentie. Verder heeft het hof beslissingen genomen over de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II. Het eerste middel en de bespreking daarvan
3. Het middel klaagt dat het hof “niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de mate of vorm van strafkorting [heeft] aangeduid […] zodat in cassatie niet of niet voldoende is te toetsen of het hof in voldoende mate rekening heeft gehouden met onder meer de schending van de redelijke termijn zodat verdachte door het verzuim in zijn belangen is geschaad”.
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte door de raadsman, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd:
“Ik vraag u mijn cliënt vrij te spreken van de bij dagvaarding I onder 2 primair tenlastegelegde inbraak. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Mijn cliënt wist bovendien niet op het moment dat hij de camera voorhanden had dat het een van diefstal afkomstig goed was.
Ik verzoek u tevens mijn cliënt vrij te spreken van de aan hem bij dagvaarding I en II tenlastegelegde feiten, met referte aan uw oordeel voor de heling van het tasje met gestolen goederen.
Indien u toch tot een veroordeling komt, verzoek ik u te volstaan met een voorwaardelijke straf. Ik verzoek u daarbij rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt. Tot slot verzoek ik u de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.”
5. Het hof heeft met betrekking tot de strafoplegging het volgende overwogen:
“Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de wijze zoals in de bewezenverklaring nader omschreven al dan niet samen met anderen schuldig gemaakt aan een reeks bedrijfsinbraken en diefstallen. De verdachte heeft daarmee blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke, eigendommen van anderen en hun persoonlijke levenssfeer. Daarnaast heeft hij voor de betrokkenen veel overlast en financiële schade veroorzaakt.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan heling, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 januari 2021, waaruit blijkt dat jegens de verdachte eerder een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Het hof heeft voorts geconstateerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de verdachte niet binnen de redelijke termijn van zestien maanden na het eerste politieverhoor is berecht in eerste aanleg. Het hof zal met deze schending van de redelijke termijn rekening houden bij het bepalen van de straf.
Het hof heeft tot slot bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat, in het bijzonder gelet op het grote aantal bewezenverklaarde feiten, de ontkennende houding van de jonge verdachte ter terechtzitting en de overschrijding van de redelijke termijn, een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van navermelde duur, alsmede een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf van navermelde duur, een passende en geboden reactie vormen.”
6. Vooropgesteld moet worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Indien wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij in bepaalde gevallen – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. [1]
7. Met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle behoort de rechter in geval van vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in zijn uitspraak aan te geven in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Dit betekent dat in de uitspraak ook vermeld dient te worden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. [2]
8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de zaak is behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman. De in voormeld proces-verbaal opgetekende opmerking van de raadsman van de verdachte, die inhoudt dat hij het hof verzoekt een voorwaardelijke straf op te leggen en “daarbij rekening te houden met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt” valt naar mijn inzicht niet aan te merken als een verweer met de strekking dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn (als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM) is geschonden. Ook overigens houdt dit proces-verbaal niets in waaruit kan worden afgeleid dat aldaar door of namens de verdachte een verweer met een dergelijke strekking is gevoerd. Dat brengt mee dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd dat het hof in de bestreden uitspraak niet heeft aangegeven in welke vorm of mate de straf is verlaagd vanwege de schending van de redelijke termijn in hoger beroep. [3]
9. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.
III. Het tweede middel en de bespreking daarvan
10. Het middel klaagt dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu in de cassatiefase de redelijke (inzend)termijn is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.
11. Namens de verdachte is op 5 maart 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 12 november 2021 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van zes maanden overschreden met ruim twee maanden. Het middel klaagt daarover terecht. In het licht van de opgelegde jeugddetentie voor de duur van zes dagen en de taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen jeugddetentie
enerzijds, en gelet op de termijnoverschrijding
anderzijds, kan de Hoge Raad naar mijn inzicht volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is geschonden en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [4]
12. Het middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
III. Slotsom
13. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld, maar geeft mijns inziens geen aanleiding tot cassatie.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. [5]
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
2.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
3.Vgl. HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2058 (HR: 81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn hand (ECLI:NL:PHR:2020:999). Vgl. verder HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, waarin de Hoge Raad het beroep in cassatie met een uitgeschreven motivering op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaarde. Dat een verweer met de strekking dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden niet veel behoeft in te houden om tot cassatie aanleiding te geven in geval het hof niet voldoende heeft aangegeven in welke mate de straf is verlaagd wegens de overschrijding van de redelijke termijn blijkt volgens mij wel uit HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:442. In die zaak kwam de Hoge Raad tot vernietiging van de bestreden uitspraak vanwege het niet-voldoen aan de in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad mogelijk geen arrest wijst binnen zestien maanden nadat het cassatieberoep is ingesteld (5 maart 2021). Gelet op de duur van de opgelegde jeugddetentie en de taakstraf en in aanmerking genomen de waarschijnlijk als beperkt aan te merken duur van de mogelijke termijnschending, kan ook wat betreft deze voorstelbare schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn door de Hoge Raad worden volstaan met de constatering dat dit recht is geschonden.