4.1.6.Trainingskampen
Jabhat al-Nusra beschikt volgens een analyse van
The Long War Journalover zeven trainingskampen in Syrië. Op het Twitteraccount van Jabhat al-Nusra in Hama worden op 7 december 2014 foto's geplaatst van een trainingskamp. Volgens een lid van JaN's
shari'araad krijgt iedere nieuwe rekruut een 10-daags religieus trainingsprogramma om zijn religieus inzicht, zeden en reputatie vast te stellen. Bij het succesvol doorstaan van dit programma volgt een 15 tot 20-daagse militaire training om hem klaar te stomen voor het front.
Op 30 mei 2013 is door de VN Veiligheidsraad een wijziging doorgevoerd op de VN Sanctielijst ten aanzien van Al-Qa'ida in Irak. Jabhat al-Nusra is als één van de aliassen van "Al-Qa'ida in Iraq" op de lijst geplaatst.’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende nadere bewijsoverwegingen aan het tenlastegelegde gewijd:
‘Deelname aan terroristische criminele organisatie
Van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van art. 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Enige vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde misdrijven is niet vereist.
De raadsvrouw betoogt dat de mediaberichten in het dossier niet zijn aan te merken als bewijsmiddel. Voor zover het gaat om geschreven berichten in kranten of tijdschriften zal het hof de tekstuele inhoud daarvan niet gebruiken als bewijsmiddel, omdat onvoldoende controle op de juistheid van de weergave van die berichten mogelijk is. Anders ligt het met het optreden van de verdachte in het televisieprogramma 'De Vijfde Dag' en de op 13 juli 2017 door RTV Oost gepubliceerde videoboodschap van de verdachte. De verdachte spreekt zich hier rechtstreeks uit zonder tussenkomst van derden. De in het dossier voorhanden weergave van dit optreden en deze boodschap zijn niet betwist.
Op 27 maart 2013 is het een aantal weken eerder opgenomen programma 'De Vijfde Dag' door de EO uitgezonden. De verdachte is dan al uit Nederland vertrokken. De verdachte zegt in het programma dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij de Jabhat al-Nusra. Hij zegt te weten dat hij daar kan sneuvelen en dat hij aangehouden kan worden als zijn plannen vooraf bekend zouden worden. Hij zegt dat hij in Syrië een training gaat krijgen voordat hij de strijd aangaat.
Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich er op dat moment al van bewust is dat zijn voornemen om uit te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra strafbaar is, omdat hij aangeeft dat hij kan worden aangehouden en het programma bewust pas na zijn vertrek wordt uitgezonden.
In de 'afscheidsdvd' voor zijn familie, die door hen op 23 maart 2013 ontvangen is, zegt de verdachte onder meer:
"Dat heeft God ons in de Koran opgeroepen om de onderdrukten te helpen. Om te strijden op zijn weg. Dit hoort erbij. Dit hoort erbij". De afscheidsdvd en het EO-programma zijn omstreeks dezelfde tijd, kort voor het vertrek van de verdachte, opgenomen. Het hof beziet de tekst van de afscheidsdvd om die reden in onderling verband en samenhang met hetgeen de verdachte verklaart in het EO-programma. Het hof begrijpt dat de verdachte in de uitspraken op de dvd doelt op de fysieke strijd in Syrië, omdat de verdachte blijkens het EO-programma de consequentie dat hij in Syrië sneuvelt, aanvaardt.
Op 31 mei 2013 is Jabhat al-Nusra op de VN-sanctielijst geplaatst.
Op 25 januari 2014 wordt in het weekblad Elsevier een foto van de verdachte geplaatst, zittend op een stoel. In zijn hand houdt hij een voorwerp vast waarvan het uiterlijk overeenkomt met een kalasjnikov. Niet betwist is dat deze foto de verdachte betreft en dat het uiterlijk van dat voorwerp lijkt op een kalasjnikov.
Op 3 februari 2016 verklaart de vader van de verdachte dat de verdachte hem in het beginstadium dat hij (verdachte) in Syrië verbleef, heeft verteld dat hij iets van een training heeft gehad, zijn zoon tot ongeveer drie maanden geleden in Aleppo zat en nu in Idlib verblijft. Verder verklaart de vader dat hij gedurende het verblijf van de verdachte in Syrië dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode geen contact met hem had.
Het hof stelt vast dat de verdachte in het EO-programma van 27 maart 2013 zelf noemt dat hij een training gaat volgen en dat zijn vader op 3 februari 2016 aangeeft dat de verdachte naar eigen zeggen in het begin een training heeft gehad. Dit is in lijn met hetgeen blijkt uit blz. 98 van het rapport Van Opstand tot Jihad van dr. J. Jolen. Jabhat al-Nusra zou in deze periode over 7 trainingskampen in Syrië beschikken. Ieder nieuwe rekruut krijgt een 10-daags religieus trainingsprogramma, gevolgd door een 15 tot 20-daagse militaire training om hem klaar te stomen voor het front.
De raadsvrouw betwist de juistheid van de inhoud van dit rapport op de grond dat de bronnen hiervoor niet bekend zijn en niet te verifiëren zijn. Dit verweer wordt verworpen. Op genoemde bladzijde van het rapport worden de bronnen genoemd (een analyse van The Long War Journal, foto’s geplaatst op het twitteraccount van Jabhat al-Nusra in Hama d.d. 7 december 2014 en het gestelde in de voetnoten 697 en 698). Daarnaast heeft de verdediging op geen enkel moment verzocht dr. Jolen als deskundige te doen horen teneinde onduidelijkheden op te helderen. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat de verdachte een religieus en militair trainingskamp heeft gevolgd en dat deze trainingen ten dienste stonden van het door Jabhat al-Nusra nagestreefde doel.
Uit diverse op Facebook geplaatste berichten blijkt dat de verdachte in 2016 en 2017 in de provincie Idlib verblijft.
Naar aanleiding van een opmerking/vraag van zijn vader over de activiteiten van de Russen en het vinden van een huis in Idlib, bericht de verdachte zijn vader via whatsapp op 28 oktober 2015: "Hier in de buurt valt het mee omdat we een tijdelijk verdrag met hen hebben. Zij bombarderen niet en wij bestoken twee dorpen niet die wij omsingeld hebben. Het zoeken van huizen betekent vaak kijken wie er voor de Syrische regering werkte en is vertrokken (we hebben tijdens de verovering van Idlib hele Boeken met hun namen gevonden) en die huizen bezichtig je." Op 4 november 2015 bericht de verdachte zijn vader: "Nee, de huizen van de shi'ieten zijn sowieso voor ons en van degenen die nog steeds met de regering leven."
Op 28 juli 2016 plaatst de verdachte het volgende bericht op zijn Facebookpagina:
“Toch prettig, internet shop in om 1Gig aan net te kopen, ik wil afrekenen, jongen zegt: Van mijn werkgever mag ik geen geld vragen aan Muhajireen ”.
Het hof leidt hieruit af dat de verdachte door 'de jongen' in de internet shop wordt gezien als buitenlandse strijder en dat de verdachte het als juist en positief ervaart dat hij zo wordt gezien.
Op 13 juli 2017 is een videoboodschap van de verdachte op RTV Oost gepubliceerd. De verdachte zegt daarin onder meer: "Je bent in oorlogsgebied. Hoe kan je nou niet in aanraking komen met een vuurwapen. (...) Vraag het een Nederlandse soldaat, die kan het je wel uitleggen. Het is de wacht houden op een front met het regeringsleger van Bashar Assad."
Het hof beziet deze berichten in onderling verband en samenhang met de op 25 januari 2014 gepubliceerde foto en de verklaring van de vader van de verdachte van 3 februari 2016 dat hij gedurende het verblijf van de verdachte in Syrië dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode geen contact met hem had. Deze verklaring van de vader wijst erop dat de verdachte periodiek onbereikbaar was wegens strijd aan het front dan wel grensbewaking en nadien periodes wel bereikbaar was. De verdachte wordt bovendien door een winkelbediende gezien als een buitenlandse strijder (Facebookbericht op 28 juli 2016).
Uit het whatsappbericht van 28 oktober 2015 leidt het hof af dat de verdachte onderdeel uitmaakt van een groep die Idlib veroverd heeft en twee dorpen omsingeld heeft, maar die niet bestookt in verband met afspraken over bombardementen. Het hof kan deze berichten niet anders lezen dan duidend op gewapende strijd door de groep waar de verdachte deel van uitmaakt vanwege het gebruik van de woorden 'verovering' , 'omsingelen' en .'bestoken'. Ook de videoboodschap van 13 juli 2017, waarin sprake is van "de wacht houden op een front met het regeringsleger van Bashar Assad" wijst hierop. Grensbewaking in een oorlogsgebied gaat immers gepaard met schermutselingen en (scherp) schieten op bewegende mensen.
Uit de opmerking van de verdachte dat hij de huizen van sjiieten en van "degenen die nog steeds met de regering leven" ziet als rechtmatig eigendom van de groep waartoe hij behoort, leidt het hof af dat voor deze groep personen geen plaats is in het door Jabhat al-Nusra beheerste gebied en dat door hen achtergelaten eigendommen worden ingenomen door Jabhat al-Nusra.
Dit alles leidt het hof tot de gevolgtrekking dat de verdachte in de periode van 2 maart 2013 tot en met 20 februari 2017 heeft deelgenomen aan Jabhat al-Nusra. Hij heeft een aandeel gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Ook heeft hij kennis en vaardigheden verworven door met het oog hierop deel te nemen aan een religieus en militair trainingskamp. Uit zijn eigen woorden blijkt dat hij sjiieten en "degenen die nog steeds met de regering leven" minst genomen ernstige vrees heeft aangejaagd in de zin van art. 83a Sr.
Het hof is gelet op het bovenstaande derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het aan hem cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven is bewezenverklaard.
7. Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde deelnemen aan de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. In de toelichting wordt aangevoerd dat het hof de deelneming door de verdachte aan Jabhat al-Nusra onder meer heeft gemotiveerd door te wijzen op een uitspraak van de verdachte dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra. In de bewijsvoering van het hof zou echter bevestiging ontbreken dat de verdachte zich daadwerkelijk zou hebben aangesloten bij Jabhat al-Nusra. Die bevestiging zou volgens de steller van het middel niet kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat de verdachte met een vuurwapen zou zijn gefotografeerd, en evenmin in de omstandigheid dat de verdachte uitlatingen zou hebben gedaan in chats en op Facebook waaruit zou kunnen volgen dat hij zou deelnemen aan een gewapende strijd. In gebieden die door Jabhat al-Nusra worden gecontroleerd zouden meer groepen actief zijn, en daarmee zou niet gezegd zijn deze groeperingen kunnen worden aangemerkt als een terroristische organisatie.
8. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de uitzending van het programma ‘De Vijfde Dag’ van 27 maart 2013 (onder meer) zegt dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij de Jabhat al-Nusra (bewijsmiddelen 1 en 3). De verdachte heeft in de ‘afscheidsdvd’ voor zijn familie onder meer gezegd: ‘Dan heeft God ons in de Koran opgeroepen om de onderdrukten te helpen. Om te strijden op zijn weg. Dit hoort erbij. Dat hoort erbij’ (bewijsmiddel 2). De vader van de verdachte heeft op 3 februari 2016 als getuige onder meer verklaard dat de verdachte nu 3 jaar in Syrië is; dat de verdachte tot ongeveer 3 maanden geleden in Aleppo zat en nu in Idlib verblijft; dat hij gedurende het verblijf van de verdachte dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode waarin hij geen contact met de verdachte had (bewijsmiddel 4). Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat in het tijdschrift de Elsevier van 25 januari 2014 een artikel stond over de verdachte en dat daarbij een foto van de verdachte is geplaatst waarbij hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast heeft. En dat dit voorwerp sterke overeenkomsten heeft met een Kalasjnikov (bewijsmiddel 5).
9. Uit een geschrift, inhoudend de weergave van whatsappcommunicatie tussen de verdachte en zijn vader blijkt dat de verdachte op 28 oktober 2015 het volgende bericht aan zijn vader stuurde: ‘Hier in de buurt valt het mee omdat we een tijdelijk verdrag met hen hebben. Zij bombarderen niet en wij bestoken twee dorpen niet die wij omsingeld hebben. Het zoeken van huizen betekent vaak kijken wie er voor de Syrische regering werkte en is vertrokken (we hebben tijdens de verovering van Idlib hele boeken met hun namen gevonden) en die huizen bezichtig je.’ En dat de verdachte op 4 november 2015 aan zijn vader het bericht stuurde: ‘Nee, de huizen van de shi’ieten zijn sowieso voor ons en van degenen die nog steeds met de regering leven.’ (bewijsmiddel 4a). Uit een proces-verbaal van relaas inhoudende een onderzoek naar het vermoedelijke Facebookaccount van de verdachte blijkt dat de verdachte op 28 juli 2016 het volgende bericht op zijn Facebookpagina heeft geplaatst: ‘Toch prettig, internet shop in om 1Gig aan net te kopen, ik wil afrekenen, jongen zegt: Van mijn werkgever mag ik geen geld vragen aan Muhajireen .’ Uit dit proces-verbaal blijkt tevens dat de term ‘Muhajireen’ in Syrië ook wordt gebruikt om buitenlandse strijders aan te duiden (bewijsmiddel 6).
10. Het hof heeft ook een kennisdocument “Van opstand naar Jihad. (Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak’ tot het bewijs gebezigd. Hieruit volgt onder meer dat Jabhat al-Nusra volgens een analyse van
The Long War Journalover zeven trainingskampen in Syrië beschikte en dat op 30 mei 2013 door de VN Veiligheidsraad een wijziging is doorgevoerd op de VN Sanctielijst ten aanzien van Al-Qa’ida in Irak. En dat Jabhat al-Nusra als één van de aliassen van ‘Al-Qa ‘ida in Iraq’ op de lijst is geplaatst (bewijsmiddel 8).
11. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr kan slechts sprake zijn indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode tot de organisatie Jabhat als-Nusra heeft behoord. De verdachte heeft zelf aangegeven dat hij naar Syrië wilde gaan om zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra. De feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid over zijn verblijf in Syrië duiden erop, zo heeft het hof toegelicht, dat de verdachte dit voornemen heeft gerealiseerd. Ik wijs op ’s hofs overwegingen inzake (onder meer) de kalasjnikov, het trainingskamp en het verblijf in Idlib. En op de bewijsoverweging waarin het hof uit de opmerking van de verdachte dat hij de huizen van de sjiieten en van ‘degenen die nog steeds met de regering leven’ ziet als rechtmatig eigendom van de groep waartoe hij behoort, afleidt dat voor deze groep personen geen plaats is in het door Jabhat al-Nusra beheerste gebied. In deze overweging van het hof ligt het oordeel besloten dat de verdachte in een gebied verbleef waar Jabhat al-Nusra de dienst uit maakte. Door of namens de verdachte is in hoger beroep niet aangevoerd dat hij zich bij een andere – nader omschreven – groepering die in het betreffende gebied actief was heeft aangesloten. En door of namens de verdachte is ook niet gewezen op berichten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij zijn plannen op dit punt heeft bijgesteld.
12. Het eerste middel faalt.
13. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan (gevechts)trainingen voor terrorisme, althans dat het hof de bewezenverklaring niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. De steller van het middel meent dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de training die de verdachte zou hebben gevolgd dezelfde training is als waarover dr. Jolen het in het rapport ‘Van Opstand tot Jihad’ heeft, dat oordeel niet begrijpelijk is. Hij wijst erop dat de vader van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte in het beginstadium van de periode waarin hij in Syrië was aan hem heeft verteld dat hij ‘iets van een training’ heeft gehad. De bewoordingen ‘iets van een training’ zouden er niet op wijzen dat het ging om een training van de aard en de duur waarover in het rapport van dr. Jolen wordt gesproken. Uit de opmerking van de vader van de verdachte zou ook niet kunnen worden afgeleid dat het ging om een training voor terrorisme. De steller van het middel wijst er voorts op dat het rapport van dr. Jolen gedateerd is op 2 september 2016 en dat uit de weergave van het rapport in de bewijsmiddelen niet zou kunnen blijken dat de trainingskampen reeds aanwezig waren in de beginperiode dat de verdachte in Syrië was.
14. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in het programma De Vijfde Dag heeft gezegd dat hij ‘in Syrië een training gaat krijgen voordat hij de strijd aangaat’ (bewijsmiddel 3). Daarbij sluit aan dat de vader van de verdachte op 3 februari 2016 aangeeft dat de verdachte naar eigen zeggen in het beginstadium van zijn verblijf in Syrië ‘iets van een training heeft gehad’ (bewijsmiddel 4). Het hof heeft vervolgens overwogen dat dit in lijn is ‘met hetgeen blijkt uit (…) het rapport Van Opstand tot Jihad van dr. J. Jolen. Jabhat al-Nusra zou in deze periode over 7 trainingskampen in Syrië beschikken. Iedere nieuwe rekruut krijgt een 10-daags religieus trainingsprogramma krijgt, gevolgd door een 15 tot 20-daagse militaire training om hem klaar te stomen voor het front’. Ook dat rapport is onder de bewijsmiddelen opgenomen; daarin is voorts aangegeven dat op 7 december 2014 op het Twitteraccount van Jabhat al-Nusra foto’s worden geplaatst van een trainingskamp en dat Jabhat al-Nusra op 30 mei 2013 op de VN Sanctielijst is gezet (bewijsmiddel 8). En het hof wijst erop dat de verdediging op geen enkel moment heeft verzocht om dr. Jolen te horen teneinde onduidelijkheden op te helderen.
15. Het hof heeft naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte heeft deelgenomen aan (door Jabhat al-Nusra georganiseerde) (gevechts)trainingen. Daaraan doet niet af dat het rapport van dr. Jolen is gedateerd van 2 september 2016. Daaraan doet evenmin af dat uit de opmerking van de vader van de verdachte niet kan worden afgeleid dat het ging om een training voor terrorisme. Het hof heeft de bewezenverklaarde deelneming aan (gevechts)trainingen immers niet alleen gebaseerd op de verklaring van de vader van de verdachte. Het hof heeft bij dat oordeel ook betrokken dat de verdachte zelf in het EO-programma heeft genoemd dat hij een training ging volgen voordat hij de strijd aan zou gaan, en dat dit in lijn is met hetgeen blijkt uit het rapport Van Opstand tot Jihad van dr. J. Jolen. Ik wijs er daarbij op dat Jabhat al-Nusra blijkens dat rapport op 30 mei 2013 op de VN Sanctielijst is gezet, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat de ouders van de verdachte hem op 2 maart 2013 voor het laatst in Heeten hebben gezien (bewijsmiddel 1). En dat in hoger beroep door of namens de verdachte niet concreet is aangevoerd dat de training waar de verdachte tegen zijn vader over heeft gesproken een ander karakter had. Een alternatief scenario is niet gepresenteerd; daar wordt in cassatie ook geen beroep op gedaan.
16. Het tweede middel faalt.
17. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden