ECLI:NL:PHR:2022:603

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
21/00607
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140a SrArt. 157 SrArt. 176a SrArt. 288a SrArt. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak deelneming aan terroristische organisatie Jabhat al-Nusra

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het hof is veroordeeld wegens deelname aan de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra in Syrië tussen maart 2013 en februari 2017. De verdachte werd onder meer verweten deel te hebben genomen aan (gevechts)trainingen en gewapende strijd, en het bezit van wapens met terroristisch oogmerk.

Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen waaronder verklaringen van de vader van de verdachte, videoboodschappen, een interview in het EO-programma 'De Vijfde Dag', WhatsApp- en Facebook-berichten, een foto met een Kalasjnikov en een rapport over trainingskampen van Jabhat al-Nusra. De verdachte erkende in het programma zijn voornemen om zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra en het volgen van een training.

De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was en dat de training niet aantoonbaar terroristisch van aard was. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewijsvoering begrijpelijk en overtuigend heeft gemotiveerd en dat de verdachte voldoende is bewezen dat hij deelnam aan de organisatie en de trainingskampen. Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis blijft in stand.

De uitspraak bevestigt dat deelname aan een terroristische organisatie ook kan bestaan uit het volgen van trainingen en het ondersteunen van de organisatie, zonder dat elk concreet misdrijf bewezen hoeft te worden. De verdachte was zich bewust van de strafbaarheid van zijn handelen en heeft met zijn gedragingen het oogmerk van Jabhat al-Nusra ondersteund.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens deelname aan Jabhat al-Nusra blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00607
Zitting10 mei 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 4 februari 2021 door het Gerechtshof Den Haag wegens ‘de eendaadse samenloop van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en zich opzettelijk kennis en/of vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf’, veroordeeld tot 6 jaren gevangenisstraf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Beide middelen betreffen de bewijsvoering. Voordat ik deze middelen bespreek geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 02 maart 2013 tot en met 20 februari 2017 te Syrië, heeft deelgenomen aan een organisatie, namelijk Jabhat al-Nusra, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo Pro. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en Pro/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)
en
hij in de periode van 02 maart 2013 tot en met 20 februari 2017 te Syrië, opzettelijk
- kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf
immers heeft verdachte deelgenomen aan (gevechts)trainingen.’
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
‘1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 maart 2013 van de regiopolitie IJsselland, Team Salland (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 27 maart 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik doe hierbij aangifte van vermissing van onze meerderjarige zoon [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987. Zijn roepnaam is [verdachte].
Wij hebben aanwijzingen dat hij is geworven om als Nederlandse moslimjongere te gaan strijden in Syrië.
[verdachte] heeft in december 2012 onze woning verlaten. [verdachte] is op 2 maart 2013 voor het laatst door ons gezien bij ons thuis in [plaats].
Twee jaar geleden kwam hij met de mededeling dat hij de gelofte voor Moslims had gedaan en verder als Moslim ging leven. Hij gebruikt de moslimnaam: [verdachte].
Op 23 maart 2013 stond [betrokkene 2] voor de deur. Hij gaf een DVD. Hij verklaarde dat er een boodschap van [verdachte] opstond. Mijn vrouw en ik hebben de DVD afgeluisterd. Wij herkennen de stem van onze zoon [verdachte]. [verdachte] geeft aan dat hij op het moment dat wij deze opname horen niet meer in Nederland is. Hij noemt Syrië. Ik heb u deze DVD zojuist overhandigd voor uw onderzoek. Verder kan ik u zeggen dat er afgelopen maandag twee medewerkers van de EO (Evangelische Omroep) bij onze woning verschenen. Zij deelden ons mede dat de EO op 27 maart 2013 in het programma DE VIJFDE DAG een uitzending had waarin [verdachte] aan het woord kwam. In deze uitzending zou onze [verdachte] onder de naam' '[alias]' onherkenbaar in beeld komen. Wij hebben een promo van deze uitzending gezien. Aan de handen, het silhouet en zijn kaak-/gezichtslijn die in beeld kwamen hebben wij de overtuiging dat deze '[alias]' onze zoon [verdachte] is. Daar is geen twijfel over.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 april 2013 van de regiopolitie IJsselland, Team Salland (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Naar aanleiding van de aangifte d.d. 27 maart 2013 inzake vermissing meerderjarige/werven ten behoeve van gewapende strijd heb ik de geluidsopname zoveel mogelijk woordelijk uitgewerkt.
"Dag pap, dag mam. Met dit bericht wil ik jullie persoonlijk aanspreken. Dit bericht krijgen jullie vast misschien mogelijk een maand, misschien zelfs twee maand later te zien dan wanneer het opgenomen is. Dit bericht betekent dat ik niet meer in Nederland ben. En dat ik de roep die Allah, die God heeft geopenbaard in de Koran, dat ik er gehoor aan heb gegeven. God zegt in de Koran dat er mensen onderdrukt zijn en dat wij hen moeten helpen. Zo mogelijk met wapens op te pakken. Het is een weloverwogen besluit. Het is een besluit waar ik volledig achter sta. Jullie wisten dat ik de verschillende fronten van de Jihad volgde. Maar wanneer een Nederlandse jongen mensen in Syrië wil verdedigen, in Afghanistan, in Irak, Somalië dan is hij een terrorist. Want om dan toch de theologische kant aan te pakken. Dan heeft God ons in de Koran opgeroepen om de onderdrukten te helpen. Om te strijden op zijn weg. Dit hoort erbij. Dat hoort erbij.
3. Een proces-verbaal van relaas d.d. 17 februari 2016 van de Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Bevindingen m.b.t. [verdachte]

In maart 2013 werd [verdachte] geïnterviewd in het EO actualiteitenprogramma De Vijfde Dag. In de aangifte van zijn vader wordt hij als zodanig geïdentificeerd. [verdachte] zegt in het programma dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij Jabhat.al-Nusra. Hij zegt te weten dat hij daar kan sneuvelen en dat hij aangehouden kan worden als zijn plannen vooraf bekend zou worden. Hij zegt dat hij in Syrië een training gaat krijgen voordat hij de strijd aangaat.
Op het youtube kanaal van [betrokkene 2] zijn tussen 27 maart en 2 april 2013 een viertal video's geplaatst waarop [verdachte] is te zien. In twee video's geeft hij (het hof begrijpt: [verdachte]) uitleg over de verplichtingen van een moslim en in twee andere video's wordt hij geïnterviewd door [betrokkene 2] en geeft hij inzicht in zijn bekeringsverhaal en zijn keuze om voor de jihad naar Syrië te gaan. [betrokkene 2] introduceert [verdachte] daarbij als een broeder die Nederland gaat verlaten om in Syrië te gaan strijden tegen het onrecht.

Email-verkeer tussen [verdachte] en zijn zus [betrokkene 3]

Op 11 mei 2013 werd vanuit het e-mailadres van [verdachte] een mail gestuurd naar het e-mailadres van zijn zus [betrokkene 3], de inhoud van. het e-mailbericht luidde:
"Dag zusje, een berichtje uit Syrië..."
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 februari 2016 van Team Generieke Opsporing 11 (DLR), (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 3 februari 2016 verhoorden wij de getuige [betrokkene 1]. De getuige [betrokkene 1] betreft de vader van de in maart 2013 uitgereisde verdachte:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1987
Nationaliteit: Nederlandse
Verblijfplaats: uitgereisd naar Syrië.
Schuilnaam: [alias]

Getuige

Gedurende het verhoor verklaarde de getuige [betrokkene 1] dat:
• Zijn zoon [verdachte] nu 3 jaar in Syrië is
• Zijn zoon tot ongeveer 3 maanden geleden in Aleppo zat en nu in Idlib verblijft.
• Hij heeft gezien dat zijn zoon [verdachte] met een kalasjnikov in zijn handen op een foto staat.
• Hij in het beginstadium dat [verdachte] daar in Syrië verbleef hem heeft verteld dat hij iets van een training had gehad.
• Hij gedurende het verblijf van [verdachte] dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode van geen contact met [verdachte] had.
• Hij op 17 januari 2016 voor het laatst een Whatsapp-bericht van [verdachte] heeft ontvangen.
Opmerking verbalisanten:
Wij verbalisanten vroegen aan de getuige [betrokkene 1] of het Whatsapp-verkeer tussen hem en zijn zoon [verdachte] mochten lezen en doormailen naar het politie mailadres.
Hierop verklaarde de getuige daar geen probleem mee te hebben en overhandigde zijn mobiele telefoon.
Bijlage
Als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd:
- Afschriften van whatsapp-communicatie tussen getuige en zijn zoon [verdachte]
- Afschrift van uitgewerkte, ingesproken teksten door [verdachte]
4a. Een geschrift, zijnde WhatsApp Chat berichten tussen [betrokkene 1] en de verdachte, als bijlage gevoegd bij het hierboven in bewijsmiddel 4 aangehaalde proces-verbaal. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
27-10-2015 21:39:00: [betrokkene 1]: He [verdachte], hoe gaat het met jou? Kun je merken dat de Russen actief zijn of is dat niet direct in de buurt?
27-10-15 21:40:15: [betrokkene 1]: Ik hoor dat je op huizenjacht bent in Idlib?
28-10-15 03:26:44: [verdachte]: Hier in de buurt valt het mee omdat we een tijdelijk verdrag met hen hebben. Zij bombarderen niet en wij bestoken twee dorpen niet die wij omsingeld hebben. Het zoeken van huizen betekent vaak kijken wie er voor de Syrische regering werkte en is vertrokken (we hebben tijdens de verovering van Idlib hele boeken met hun namen gevonden) en die huizen bezichtig je.
04-11-15 06:29:49: [betrokkene 1]: Goedemorgen [verdachte], hoe is het, nog ziek of al weer hersteld? Hoe gaat het met de huizenjacht, al iets gevonden?
04-11-15 06:39:40: [verdachte]: Huizenjacht gaat redelijk. Niet. alle huizen zijn in even goede staat natuurlijk ivm de bombardementen.
04-11-15 06:40:59: [betrokkene 1]: Dat is denk ik een understatement. Ben je niet bang dat je er na verloop van tijd weer uit moet?
04-11-15 06:42:08: [verdachte]: Nee, de huizen van de shi’ieten zijn sowieso voor ons en van degenen die nog steeds met de regering leven.
5. Een proces-verbaal van bevindingen, (…), d.d. 17 februari 2016 van Team Generieke opsporing 11 (DLR). Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (….):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, kreeg het artikel uit het tijdschrift ELSEVIER onder ogen. Dit artikel was geplaatst in het exemplaar van 25 januari 2014. In het artikel wordt geschreven over:
Betrokkene:
Naam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1987
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Op de vijfde pagina van het artikel staat een foto van [verdachte] zittend op een stoel. Op de foto houdt [verdachte] een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. Dit voorwerp heeft sterke overeenkomsten met een Kalashnikov.
[foto]
6. Een proces-verbaal van relaas d.d. 22 februari 2017 van Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Recherche. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (…):
Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
2. FACEBOOK PROFIEL [verdachte]
Op 16 februari 2017 is er een onderzoek naar de vermoedelijk Facebook account van [verdachte] uitgevoerd, te weten het account ‘[verdachte]’. Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat:
De gebruiker van dit Facebook account de volgende gegevens over zichzelf openbaar maakt:
• Huidige woonplaats : Idleb, Idlib, Syrië
• Geboortedatum : [geboortedatum] 1987
• Geboorteplaats : [geboorteplaats], Netherlands
De gebruiker van het Facebookaccount [verdachte] plaatst onder meer de volgende berichten waarbij hij de Syrische plaats Idlib noemt:
22 juli 2016:
• "14 raketten in Idlib gisternacht daar dit is natuurlijk belangrijker..."
24 juni 2016:
• "vliegtuigen boven de provincie Idlib, vergeet niet hun piloten te vervloeken in jullie soeroej.”
13 juni 2016:
• "70 doden (20 meer dan in de VS) gister in Idlib en Maara't Nu'maan, onder de doden veel kinderen . Waar is jullie veroordeling nu ya moslim omwille van de kuffar"
‘[verdachte]
28 juli 2016
Toch prettig, internet shop in om 1Gig aan net te kopen, ik wil afrekenen, jongen zegt: Van mijn werkgever mag ik geen geld vragen aan Muhajireen ’
Opmerking verbalisant: de term ‘Muhajireen’ wordt momenteel ook gebruikt in Syrië om buitenlandse strijders aan te duiden.
7. Een proces-verbaal van bevindingen, (…) d.d. 5 juni 2018 van Team Generieke Opsporing 11 (DLR). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (…):
Als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Ik, verbalisant, deed onderzoek in open bronnen op het internet.
Een videoboodschap gepubliceerd op 13 juli 2017 viel mij op. Deze videoboodschap werd op 13 juli 2017 door RTV Oost gepubliceerd. [verdachte] zegt: “
Ik ben hier gekomen om mensen te helpen, te bevrijden. En dat ten koste van mijn eigen zelf.”

Ik vind dat de aanklacht tegen mij is onrechtvaardig, Het lidmaatschap van een terroristische organisatie, het in handen hebben van een wapen. Of het toereiken, dicht in de buurt komen van een wapen. Ja, je bent in oorlogsgebied. Ik vind het heel erg. Het is bijna, hoe zeg je dat. De aanklacht is bijna wereldvreemd. Je bent in oorlogsgebied. Hoe kan je nou niet in aanraking komen met een vuurwapen.
Vraag het een Nederlandse soldaat, die het je wel kunnen uitleggen. Het is de wacht houden op een front met het regeringsleger van Bashar Assad.”
8. Een geschrift, zijnde een kennisdocument: “Van opstand naar Jihad.
(Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak” d.d. 2 september 2016 opgemaakt door dr. J. Jolen. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
4.1
Jabhat al-Nusra li-AhI al-Sham (Hulpfront voor het Syrische Volk)(per 28.07.2016)
Jabhat Fatah Al-Sham (Front voor de bevrijding van de Levant)
4.1.6.
Trainingskampen
Jabhat al-Nusra beschikt volgens een analyse van
The Long War Journalover zeven trainingskampen in Syrië. Op het Twitteraccount van Jabhat al-Nusra in Hama worden op 7 december 2014 foto's geplaatst van een trainingskamp. Volgens een lid van JaN's
shari'araad krijgt iedere nieuwe rekruut een 10-daags religieus trainingsprogramma om zijn religieus inzicht, zeden en reputatie vast te stellen. Bij het succesvol doorstaan van dit programma volgt een 15 tot 20-daagse militaire training om hem klaar te stomen voor het front.
Op 30 mei 2013 is door de VN Veiligheidsraad een wijziging doorgevoerd op de VN Sanctielijst ten aanzien van Al-Qa'ida in Irak. Jabhat al-Nusra is als één van de aliassen van "Al-Qa'ida in Iraq" op de lijst geplaatst.’
6. Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende nadere bewijsoverwegingen aan het tenlastegelegde gewijd:
‘Deelname aan terroristische criminele organisatie
Juridisch kader
Van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van art. 140a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Enige vorm van opzet op de door de organisatie concreet beoogde misdrijven is niet vereist.
Beoordeling door het hof
De raadsvrouw betoogt dat de mediaberichten in het dossier niet zijn aan te merken als bewijsmiddel. Voor zover het gaat om geschreven berichten in kranten of tijdschriften zal het hof de tekstuele inhoud daarvan niet gebruiken als bewijsmiddel, omdat onvoldoende controle op de juistheid van de weergave van die berichten mogelijk is. Anders ligt het met het optreden van de verdachte in het televisieprogramma 'De Vijfde Dag' en de op 13 juli 2017 door RTV Oost gepubliceerde videoboodschap van de verdachte. De verdachte spreekt zich hier rechtstreeks uit zonder tussenkomst van derden. De in het dossier voorhanden weergave van dit optreden en deze boodschap zijn niet betwist.
Op 27 maart 2013 is het een aantal weken eerder opgenomen programma 'De Vijfde Dag' door de EO uitgezonden. De verdachte is dan al uit Nederland vertrokken. De verdachte zegt in het programma dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij de Jabhat al-Nusra. Hij zegt te weten dat hij daar kan sneuvelen en dat hij aangehouden kan worden als zijn plannen vooraf bekend zouden worden. Hij zegt dat hij in Syrië een training gaat krijgen voordat hij de strijd aangaat.
Het hof leidt hieruit af dat de verdachte zich er op dat moment al van bewust is dat zijn voornemen om uit te reizen naar Syrië en zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra strafbaar is, omdat hij aangeeft dat hij kan worden aangehouden en het programma bewust pas na zijn vertrek wordt uitgezonden.
In de 'afscheidsdvd' voor zijn familie, die door hen op 23 maart 2013 ontvangen is, zegt de verdachte onder meer:
"Dat heeft God ons in de Koran opgeroepen om de onderdrukten te helpen. Om te strijden op zijn weg. Dit hoort erbij. Dit hoort erbij". De afscheidsdvd en het EO-programma zijn omstreeks dezelfde tijd, kort voor het vertrek van de verdachte, opgenomen. Het hof beziet de tekst van de afscheidsdvd om die reden in onderling verband en samenhang met hetgeen de verdachte verklaart in het EO-programma. Het hof begrijpt dat de verdachte in de uitspraken op de dvd doelt op de fysieke strijd in Syrië, omdat de verdachte blijkens het EO-programma de consequentie dat hij in Syrië sneuvelt, aanvaardt.
Op 31 mei 2013 is Jabhat al-Nusra op de VN-sanctielijst geplaatst.
Op 25 januari 2014 wordt in het weekblad Elsevier een foto van de verdachte geplaatst, zittend op een stoel. In zijn hand houdt hij een voorwerp vast waarvan het uiterlijk overeenkomt met een kalasjnikov. Niet betwist is dat deze foto de verdachte betreft en dat het uiterlijk van dat voorwerp lijkt op een kalasjnikov.
Op 3 februari 2016 verklaart de vader van de verdachte dat de verdachte hem in het beginstadium dat hij (verdachte) in Syrië verbleef, heeft verteld dat hij iets van een training heeft gehad, zijn zoon tot ongeveer drie maanden geleden in Aleppo zat en nu in Idlib verblijft. Verder verklaart de vader dat hij gedurende het verblijf van de verdachte in Syrië dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode geen contact met hem had.
Het hof stelt vast dat de verdachte in het EO-programma van 27 maart 2013 zelf noemt dat hij een training gaat volgen en dat zijn vader op 3 februari 2016 aangeeft dat de verdachte naar eigen zeggen in het begin een training heeft gehad. Dit is in lijn met hetgeen blijkt uit blz. 98 van het rapport Van Opstand tot Jihad van dr. J. Jolen. Jabhat al-Nusra zou in deze periode over 7 trainingskampen in Syrië beschikken. Ieder nieuwe rekruut krijgt een 10-daags religieus trainingsprogramma, gevolgd door een 15 tot 20-daagse militaire training om hem klaar te stomen voor het front.
De raadsvrouw betwist de juistheid van de inhoud van dit rapport op de grond dat de bronnen hiervoor niet bekend zijn en niet te verifiëren zijn. Dit verweer wordt verworpen. Op genoemde bladzijde van het rapport worden de bronnen genoemd (een analyse van The Long War Journal, foto’s geplaatst op het twitteraccount van Jabhat al-Nusra in Hama d.d. 7 december 2014 en het gestelde in de voetnoten 697 en 698). Daarnaast heeft de verdediging op geen enkel moment verzocht dr. Jolen als deskundige te doen horen teneinde onduidelijkheden op te helderen. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof bewezen dat de verdachte een religieus en militair trainingskamp heeft gevolgd en dat deze trainingen ten dienste stonden van het door Jabhat al-Nusra nagestreefde doel.
Uit diverse op Facebook geplaatste berichten blijkt dat de verdachte in 2016 en 2017 in de provincie Idlib verblijft.
Naar aanleiding van een opmerking/vraag van zijn vader over de activiteiten van de Russen en het vinden van een huis in Idlib, bericht de verdachte zijn vader via whatsapp op 28 oktober 2015: "Hier in de buurt valt het mee omdat we een tijdelijk verdrag met hen hebben. Zij bombarderen niet en wij bestoken twee dorpen niet die wij omsingeld hebben. Het zoeken van huizen betekent vaak kijken wie er voor de Syrische regering werkte en is vertrokken (we hebben tijdens de verovering van Idlib hele Boeken met hun namen gevonden) en die huizen bezichtig je." Op 4 november 2015 bericht de verdachte zijn vader: "Nee, de huizen van de shi'ieten zijn sowieso voor ons en van degenen die nog steeds met de regering leven."
Op 28 juli 2016 plaatst de verdachte het volgende bericht op zijn Facebookpagina:
“Toch prettig, internet shop in om 1Gig aan net te kopen, ik wil afrekenen, jongen zegt: Van mijn werkgever mag ik geen geld vragen aan Muhajireen ”.
Het hof leidt hieruit af dat de verdachte door 'de jongen' in de internet shop wordt gezien als buitenlandse strijder en dat de verdachte het als juist en positief ervaart dat hij zo wordt gezien.
Op 13 juli 2017 is een videoboodschap van de verdachte op RTV Oost gepubliceerd. De verdachte zegt daarin onder meer: "Je bent in oorlogsgebied. Hoe kan je nou niet in aanraking komen met een vuurwapen. (...) Vraag het een Nederlandse soldaat, die kan het je wel uitleggen. Het is de wacht houden op een front met het regeringsleger van Bashar Assad."
Het hof beziet deze berichten in onderling verband en samenhang met de op 25 januari 2014 gepubliceerde foto en de verklaring van de vader van de verdachte van 3 februari 2016 dat hij gedurende het verblijf van de verdachte in Syrië dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode geen contact met hem had. Deze verklaring van de vader wijst erop dat de verdachte periodiek onbereikbaar was wegens strijd aan het front dan wel grensbewaking en nadien periodes wel bereikbaar was. De verdachte wordt bovendien door een winkelbediende gezien als een buitenlandse strijder (Facebookbericht op 28 juli 2016).
Uit het whatsappbericht van 28 oktober 2015 leidt het hof af dat de verdachte onderdeel uitmaakt van een groep die Idlib veroverd heeft en twee dorpen omsingeld heeft, maar die niet bestookt in verband met afspraken over bombardementen. Het hof kan deze berichten niet anders lezen dan duidend op gewapende strijd door de groep waar de verdachte deel van uitmaakt vanwege het gebruik van de woorden 'verovering' , 'omsingelen' en .'bestoken'. Ook de videoboodschap van 13 juli 2017, waarin sprake is van "de wacht houden op een front met het regeringsleger van Bashar Assad" wijst hierop. Grensbewaking in een oorlogsgebied gaat immers gepaard met schermutselingen en (scherp) schieten op bewegende mensen.
Uit de opmerking van de verdachte dat hij de huizen van sjiieten en van "degenen die nog steeds met de regering leven" ziet als rechtmatig eigendom van de groep waartoe hij behoort, leidt het hof af dat voor deze groep personen geen plaats is in het door Jabhat al-Nusra beheerste gebied en dat door hen achtergelaten eigendommen worden ingenomen door Jabhat al-Nusra.
Dit alles leidt het hof tot de gevolgtrekking dat de verdachte in de periode van 2 maart 2013 tot en met 20 februari 2017 heeft deelgenomen aan Jabhat al-Nusra. Hij heeft een aandeel gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Ook heeft hij kennis en vaardigheden verworven door met het oog hierop deel te nemen aan een religieus en militair trainingskamp. Uit zijn eigen woorden blijkt dat hij sjiieten en "degenen die nog steeds met de regering leven" minst genomen ernstige vrees heeft aangejaagd in de zin van art. 83a Sr.
Het hof is gelet op het bovenstaande derhalve van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het aan hem cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven is bewezenverklaard.
7. Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde deelnemen aan de terroristische organisatie Jabhat al-Nusra niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. In de toelichting wordt aangevoerd dat het hof de deelneming door de verdachte aan Jabhat al-Nusra onder meer heeft gemotiveerd door te wijzen op een uitspraak van de verdachte dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra. In de bewijsvoering van het hof zou echter bevestiging ontbreken dat de verdachte zich daadwerkelijk zou hebben aangesloten bij Jabhat al-Nusra. Die bevestiging zou volgens de steller van het middel niet kunnen worden gevonden in de omstandigheid dat de verdachte met een vuurwapen zou zijn gefotografeerd, en evenmin in de omstandigheid dat de verdachte uitlatingen zou hebben gedaan in chats en op Facebook waaruit zou kunnen volgen dat hij zou deelnemen aan een gewapende strijd. In gebieden die door Jabhat al-Nusra worden gecontroleerd zouden meer groepen actief zijn, en daarmee zou niet gezegd zijn deze groeperingen kunnen worden aangemerkt als een terroristische organisatie.
8. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de uitzending van het programma ‘De Vijfde Dag’ van 27 maart 2013 (onder meer) zegt dat hij naar Syrië wil gaan om zich daar aan te sluiten bij de Jabhat al-Nusra (bewijsmiddelen 1 en 3). De verdachte heeft in de ‘afscheidsdvd’ voor zijn familie onder meer gezegd: ‘Dan heeft God ons in de Koran opgeroepen om de onderdrukten te helpen. Om te strijden op zijn weg. Dit hoort erbij. Dat hoort erbij’ (bewijsmiddel 2). De vader van de verdachte heeft op 3 februari 2016 als getuige onder meer verklaard dat de verdachte nu 3 jaar in Syrië is; dat de verdachte tot ongeveer 3 maanden geleden in Aleppo zat en nu in Idlib verblijft; dat hij gedurende het verblijf van de verdachte dan weer een periode meemaakte dat hij wel contact met hem had en dan weer een periode waarin hij geen contact met de verdachte had (bewijsmiddel 4). Daarnaast volgt uit de bewijsmiddelen dat in het tijdschrift de Elsevier van 25 januari 2014 een artikel stond over de verdachte en dat daarbij een foto van de verdachte is geplaatst waarbij hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast heeft. En dat dit voorwerp sterke overeenkomsten heeft met een Kalasjnikov (bewijsmiddel 5).
9. Uit een geschrift, inhoudend de weergave van whatsappcommunicatie tussen de verdachte en zijn vader blijkt dat de verdachte op 28 oktober 2015 het volgende bericht aan zijn vader stuurde: ‘Hier in de buurt valt het mee omdat we een tijdelijk verdrag met hen hebben. Zij bombarderen niet en wij bestoken twee dorpen niet die wij omsingeld hebben. Het zoeken van huizen betekent vaak kijken wie er voor de Syrische regering werkte en is vertrokken (we hebben tijdens de verovering van Idlib hele boeken met hun namen gevonden) en die huizen bezichtig je.’ En dat de verdachte op 4 november 2015 aan zijn vader het bericht stuurde: ‘Nee, de huizen van de shi’ieten zijn sowieso voor ons en van degenen die nog steeds met de regering leven.’ (bewijsmiddel 4a). Uit een proces-verbaal van relaas inhoudende een onderzoek naar het vermoedelijke Facebookaccount van de verdachte blijkt dat de verdachte op 28 juli 2016 het volgende bericht op zijn Facebookpagina heeft geplaatst: ‘Toch prettig, internet shop in om 1Gig aan net te kopen, ik wil afrekenen, jongen zegt: Van mijn werkgever mag ik geen geld vragen aan Muhajireen .’ Uit dit proces-verbaal blijkt tevens dat de term ‘Muhajireen’ in Syrië ook wordt gebruikt om buitenlandse strijders aan te duiden (bewijsmiddel 6).
10. Het hof heeft ook een kennisdocument “Van opstand naar Jihad. (Jihadi-)Salafistische groepen en de strijd in Syrië en Irak’ tot het bewijs gebezigd. Hieruit volgt onder meer dat Jabhat al-Nusra volgens een analyse van
The Long War Journalover zeven trainingskampen in Syrië beschikte en dat op 30 mei 2013 door de VN Veiligheidsraad een wijziging is doorgevoerd op de VN Sanctielijst ten aanzien van Al-Qa’ida in Irak. En dat Jabhat al-Nusra als één van de aliassen van ‘Al-Qa ‘ida in Iraq’ op de lijst is geplaatst (bewijsmiddel 8).
11. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de artikelen 140 en 140a Sr kan slechts sprake zijn indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk. [1] Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode tot de organisatie Jabhat als-Nusra heeft behoord. De verdachte heeft zelf aangegeven dat hij naar Syrië wilde gaan om zich aan te sluiten bij Jabhat al-Nusra. De feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid over zijn verblijf in Syrië duiden erop, zo heeft het hof toegelicht, dat de verdachte dit voornemen heeft gerealiseerd. Ik wijs op ’s hofs overwegingen inzake (onder meer) de kalasjnikov, het trainingskamp en het verblijf in Idlib. En op de bewijsoverweging waarin het hof uit de opmerking van de verdachte dat hij de huizen van de sjiieten en van ‘degenen die nog steeds met de regering leven’ ziet als rechtmatig eigendom van de groep waartoe hij behoort, afleidt dat voor deze groep personen geen plaats is in het door Jabhat al-Nusra beheerste gebied. In deze overweging van het hof ligt het oordeel besloten dat de verdachte in een gebied verbleef waar Jabhat al-Nusra de dienst uit maakte. Door of namens de verdachte is in hoger beroep niet aangevoerd dat hij zich bij een andere – nader omschreven – groepering die in het betreffende gebied actief was heeft aangesloten. En door of namens de verdachte is ook niet gewezen op berichten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij zijn plannen op dit punt heeft bijgesteld.
12. Het eerste middel faalt.
13. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan (gevechts)trainingen voor terrorisme, althans dat het hof de bewezenverklaring niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. De steller van het middel meent dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de training die de verdachte zou hebben gevolgd dezelfde training is als waarover dr. Jolen het in het rapport ‘Van Opstand tot Jihad’ heeft, dat oordeel niet begrijpelijk is. Hij wijst erop dat de vader van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte in het beginstadium van de periode waarin hij in Syrië was aan hem heeft verteld dat hij ‘iets van een training’ heeft gehad. De bewoordingen ‘iets van een training’ zouden er niet op wijzen dat het ging om een training van de aard en de duur waarover in het rapport van dr. Jolen wordt gesproken. Uit de opmerking van de vader van de verdachte zou ook niet kunnen worden afgeleid dat het ging om een training voor terrorisme. De steller van het middel wijst er voorts op dat het rapport van dr. Jolen gedateerd is op 2 september 2016 en dat uit de weergave van het rapport in de bewijsmiddelen niet zou kunnen blijken dat de trainingskampen reeds aanwezig waren in de beginperiode dat de verdachte in Syrië was.
14. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in het programma De Vijfde Dag heeft gezegd dat hij ‘in Syrië een training gaat krijgen voordat hij de strijd aangaat’ (bewijsmiddel 3). Daarbij sluit aan dat de vader van de verdachte op 3 februari 2016 aangeeft dat de verdachte naar eigen zeggen in het beginstadium van zijn verblijf in Syrië ‘iets van een training heeft gehad’ (bewijsmiddel 4). Het hof heeft vervolgens overwogen dat dit in lijn is ‘met hetgeen blijkt uit (…) het rapport Van Opstand tot Jihad van dr. J. Jolen. Jabhat al-Nusra zou in deze periode over 7 trainingskampen in Syrië beschikken. Iedere nieuwe rekruut krijgt een 10-daags religieus trainingsprogramma krijgt, gevolgd door een 15 tot 20-daagse militaire training om hem klaar te stomen voor het front’. Ook dat rapport is onder de bewijsmiddelen opgenomen; daarin is voorts aangegeven dat op 7 december 2014 op het Twitteraccount van Jabhat al-Nusra foto’s worden geplaatst van een trainingskamp en dat Jabhat al-Nusra op 30 mei 2013 op de VN Sanctielijst is gezet (bewijsmiddel 8). En het hof wijst erop dat de verdediging op geen enkel moment heeft verzocht om dr. Jolen te horen teneinde onduidelijkheden op te helderen.
15. Het hof heeft naar het mij voorkomt uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte heeft deelgenomen aan (door Jabhat al-Nusra georganiseerde) (gevechts)trainingen. Daaraan doet niet af dat het rapport van dr. Jolen is gedateerd van 2 september 2016. Daaraan doet evenmin af dat uit de opmerking van de vader van de verdachte niet kan worden afgeleid dat het ging om een training voor terrorisme. Het hof heeft de bewezenverklaarde deelneming aan (gevechts)trainingen immers niet alleen gebaseerd op de verklaring van de vader van de verdachte. Het hof heeft bij dat oordeel ook betrokken dat de verdachte zelf in het EO-programma heeft genoemd dat hij een training ging volgen voordat hij de strijd aan zou gaan, en dat dit in lijn is met hetgeen blijkt uit het rapport Van Opstand tot Jihad van dr. J. Jolen. Ik wijs er daarbij op dat Jabhat al-Nusra blijkens dat rapport op 30 mei 2013 op de VN Sanctielijst is gezet, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat de ouders van de verdachte hem op 2 maart 2013 voor het laatst in Heeten hebben gezien (bewijsmiddel 1). En dat in hoger beroep door of namens de verdachte niet concreet is aangevoerd dat de training waar de verdachte tegen zijn vader over heeft gesproken een ander karakter had. Een alternatief scenario is niet gepresenteerd; daar wordt in cassatie ook geen beroep op gedaan.
16. Het tweede middel faalt.
17. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178,