Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
ratione temporisjuist. Dat betekent dat de in het middel geformuleerde klacht, dat het hof niet art. 3.24 van de Natuurbeschermingswet heeft betrokken in zijn oordeel niet kan slagen. Voor zover het hof toch op de vrijstellingsregeling in hetgeen bij of en krachtens de Wet Natuurbescherming is gesteld is ingegaan betreft het kennelijk een overweging ten overvloede, die naar mijn mening niet onbegrijpelijk is. Art. 3.24, eerste lid, van de Wet Natuurbescherming houdt in dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt. Het doden van een dier met als doel het dier uit zijn lijden te verlossen levert echter niet een vrijstelling op voor het verbod van art. 3.25 van het Besluit Natuurbescherming, dat ziet op het onder zich hebben van uit het wild afkomstige diersoorten, waaronder een ree (Capreolus Capreolus). Daar komt bij dat het hof de vraag of in het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste van art. 3.22, derde lid onder b, van de Regeling, dat wil zeggen of het een dood dier betreft dat aantoonbaar in het wild is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich het dier heeft toegeëigend, ontkennend heeft beantwoord. In dat verband heeft het hof meegewogen dat de verdachte nimmer zijn dochter naar voren heeft gebracht als getuige om de gestelde lezing te bevestigen, dit terwijl zij volgens zijn verklaring ten tijde van het aantreffen van de ree kennelijk aanwezig was. Ook heeft het hof daarbij in aanmerking genomen dat [betrokkene 3] de verklaring van de verdachte onvoldoende heeft kunnen bevestigen. Beide componenten van het gevoerde verweer zijn zodoende door het hof in de beoordeling betrokken.