2.3.Het hof heeft het beroep op noodweer(exces) als volgt samengevat en verworpen:
“Strafbaarheid van het feit cq de verdachte
Overweging met betrekking tot het beroep op noodweer, subsidiair noodweerexces
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij [slachtoffer] op 2 januari 2015 in Zwolle met een vleesmes een diepe snijverwonding in het gezicht heeft toegebracht. Hij heeft aangevoerd dat hij dit heeft gedaan, omdat [slachtoffer] hem heeft aangevallen en vervolgens heeft achtervolgd en heeft geslagen, waardoor hij, verdachte, in paniek is geraakt en uit vrees voor [slachtoffer] en uit zelfverdediging met het mes heeft gesneden in het gezicht van [slachtoffer]. Gelet hierop is door de verdediging een beroep gedaan op noodweer, subsidiair noodweerexces.
Het gerechtshof overweegt hierover het volgende.
Het gerechtshof gaat bij de beoordeling van het verweer uit van de volgende feiten. Het gerechtshof baseert zich bij die vaststelling van de feiten onder meer op de stills van camerabeelden zoals die zich met onderschrift in het proces-verbaal bevinden. Uit het strafdossier blijkt dat er tussen de verdachte en [slachtoffer] kennelijk al enige tijd een conflict is over geld. In het kader van dat conflict is [slachtoffer] naar de flat gegaan waarin de verdachte woont en heeft hij beneden bij de flat aangebeld bij de verdachte. [slachtoffer] heeft langere tijd op verdachte gewacht. [slachtoffer] loopt dan van de flat af, richting de parkeerplaats. Wanneer [slachtoffer] weer in de buurt van de ingang staat, heeft hij een spanband met een zware gesp bij zich.
De verdachte heeft aanvankelijk niet gereageerd op het aanbellen van [slachtoffer] en evenmin op het zoeken van telefonisch contact door [slachtoffer] met hem. Na enige tijd is de verdachte naar beneden gegaan, heeft daarbij een stok meegenomen en een vleesmes van 30 centimeter bij zich gestoken. Verdachte heeft aldus het portiek van zijn flat verlaten om naar buiten te gaan, alwaar [slachtoffer] stond.
Op grond van de beschrijving van de stills van de beelden van de bewakingscamera’s bij de ingang van het flatgebouw alwaar de verdachte woont, stelt het gerechtshof de volgende gang van zaken vanaf dat moment vast.
Verdachte en [slachtoffer] lopen op elkaar af en spreken elkaar aan. [slachtoffer] heeft de gesp in zijn hand en de verdachte heeft zijn stok in zijn hand; beiden niet opgeheven, maar naast hen.
Wanneer [slachtoffer] een keer naar de verdachte wijst, heft de verdachte zijn stok op en begint dan met de stok wat te wijzen en te bewegen in de richting van [slachtoffer], maar hij maakt nog geen aanstalten om echt te slaan. [slachtoffer] lijkt de verdachte uit te dagen, maar houdt afstand tot de verdachte. Zo staan beiden een poosje tegenover elkaar te praten [slachtoffer] legt vervolgens zijn gesp weg. Hij is dan onbewapend. Hij lijkt de verdachte uit te dagen om ook zijn stok weg te doen, maar de verdachte blijft dreigen met de stok. De verdachte blijft de stok in de hand houden. [slachtoffer] beweegt zich af en toe in de richting van de verdachte, waarop de verdachte afstand tot [slachtoffer] houdt door dan wat achteruit te gaan. [slachtoffer] doet zijn handen op zijn rug. Zo staan ze een hele tijd om elkaar heen te draaien en lijken ze met elkaar in discussie te zijn. De verdachte houdt [slachtoffer] op afstand door te blijven dreigen met de stok. [slachtoffer] pakt zijn telefoon en gaat bellen (het gerechtshof begrijpt: naar de politie). De verdachte lijkt daar wat boos om te worden en komt wat dichter bij [slachtoffer].
Op dat moment komt er een gesprek binnen bij 112 waarbij is te horen: “Politie bellen!” en “Hij heeft een mes!”. Dat wordt later nog een keer geroepen en “De politie MOET komen!”, “Politie moet komen, alsjeblieft”!
[slachtoffer] grijpt de verdachte nadat een man met zijn hond is gepasseerd vast. Er ontstaat een worsteling tussen beiden, waarbij ze samen op de grond vallen. In de worsteling ziet [slachtoffer] kans om de stok van de verdachte af te pakken. Beiden staan op, waarna [slachtoffer] met de stok begint te slaan richting de verdachte. Hierop pakt de verdachte een mes bij zijn rechter heup vandaan en houdt dit mes dreigend in zijn rechter hand, in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] gaat door met het slaan met de stok in de richting van de verdachte, die die slagen afweert met zijn linker arm. De verdachte wordt daarbij enkele keren geraakt.
Zo gaat het een tijdje door en verplaatsen ze zich heen en weer. [slachtoffer] pakt zijn gesp weer op van de straat en maakt daar wild zwaaiende bewegingen mee naar de verdachte. [slachtoffer] heeft de gesp in zijn ene hand en de stok in de andere hand. Zo blijven ze elkaar bedreigen en gaat het heen en weer: [slachtoffer] zwaait/slaat met stok en gesp naar de verdachte en de verdachte dreigt en zwaait met het mes naar [slachtoffer]. Af en toe verdwijnen ze even uit beeld van de camera. Het lijkt erop dat deze situatie enkele minuten voortduurt. Door met hun wapens te dreigen houden ze elkaar op afstand, waarbij [slachtoffer] soms flink zwaait met zijn stok en gesp naar de verdachte. [slachtoffer] loopt op een gegeven moment naar de plek van de worsteling waar zijn telefoon is gevallen en pakt die op. Hetzelfde dreigen over en weer gaat weer door. Door met hun wapens te dreigen houden ze elkaar op afstand en [slachtoffer] slaat soms met zijn stok of gesp. Ze verplaatsen zich naar rechts, verder van de camera en de ingang van het portiek richting de garageboxen onder de flat.
Buiten het bereik van de bewakingscamera’s speelt zich vervolgens het steekincident af, bij de garageboxen.
Op grond van het bovenstaande is het gerechtshof van oordeel dat sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen tegen de aanvallen van [slachtoffer] op hem. [slachtoffer] heeft immers verdachte vastgegrepen en daarmee de aanval op de verdachte feitelijk ingezet. Uit de hierboven beschreven beelden blijkt naar het oordeel van het gerechtshof dat [slachtoffer] de aanvankelijke agressor was in het treffen voorafgaand aan het steekincident. Waar het tijdens dit gebeuren vervolgens lange tijd over en weer gaat, is het moment van de aanval die direct aan het steken vooraf gaat het moment dat [slachtoffer] verdachte slaat. In deze situatie heeft verdachte met het mes uitgehaald naar [slachtoffer] en hem in het gezicht gestoken en daarover een diepe snijverwonding toegebracht. Verdachte heeft [slachtoffer] daarmee ernstig verwond. De centrale vraag is of de verdachte in die situatie ook genoodzaakt was [slachtoffer] te steken met het door verdachte bij zich gestoken vleesmes, waarmee hij [slachtoffer] dreigend op afstand hield. Had de verdachte - in plaats daarvan – toen hij werd geslagen kunnen en moeten weggaan? Het gerechtshof beantwoordt deze laatste vraag bevestigend. De verdachte had, anders dan hij heeft verklaard, ter plaatse de gelegenheid en de mogelijkheid zich te onttrekken aan de dreiging en het slaan van [slachtoffer]. Uit het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de beschrijving van de camerabeelden, volgt immers dat het conflict plaatsvond op straat en dat zowel verdachte als [slachtoffer] zich voortdurend verplaatsten. Het gerechtshof leidt daaruit af dat het terrein waarop verdachte en [slachtoffer] zich heen en weer bewogen, een open ruimte betrof met vluchtmogelijkheden. Illustratief daarvoor acht het gerechtshof de verklaring van de getuige [betrokkene 1], die ter plaatse loopt en het treffen tussen beiden waarneemt, over de verdachte zegt dat
ze het gek vond dat die man niet weg rende. Het gerechtshof leidt uit voornoemde omstandigheden af dat verdachte zich, gelet op de omgeving waarin hij zich bevond, kon onttrekken aan de situatie. Rest de vraag of dit van verdachte in de gegeven omstandigheden kon worden gevergd. Het gerechtshof beantwoordt die vraag positief. De situatie was voor verdachte weliswaar bedreigend, maar gelet op de ruime omgeving waarin een en ander plaatsvond, is het gerechtshof van oordeel dat van verdachte mocht worden gevergd dat hij zich aan de situatie zou onttrekken.
Anders dan de verdediging, acht het gerechtshof niet aannemelijk geworden dat dit geen reëel alternatief is geweest.
Nu het gerechtshof tot het oordeel komt dat niet voldaan is aan het vereiste van subsidiariteit, omdat verdachte zich niet aan de situatie heeft onttrokken, terwijl dat wel van hem kon en mocht worden gevergd, stuit het beroep op noodweerexces reeds daarop af.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof het beroep van de verdediging op noodweer(exces).
De verdachte is derhalve strafbaar aangezien nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.”