Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
ze het gek vond dat die man niet weg rende. Het gerechtshof leidt uit voornoemde omstandigheden af dat verdachte zich, gelet op de omgeving waarin hij zich bevond, kon onttrekken aan de situatie. Rest de vraag of dit van verdachte in de gegeven omstandigheden kon worden gevergd. Het gerechtshof beantwoordt die vraag positief. De situatie was voor verdachte weliswaar bedreigend, maar gelet op de ruime omgeving waarin een en ander plaatsvond, is het gerechtshof van oordeel dat van verdachte mocht worden gevergd dat hij zich aan de situatie zou onttrekken.
noodzakelijkeverdediging. Ik meen dan ook dat de overwegingen van het hof in onderlinge samenhang bezien voldoende duidelijk zijn en dat de eerste overweging wat ongelukkig is geformuleerd. Daarom is deze klacht vergeefs voorgesteld.
kononttrekken aan de bedreigende situatie, ten aanzien van de vraag of hij dit ook
moest, feitelijk dezelfde toets aanlegt door daarin weer alleen te kijken naar de open ruimte waarin hij zich bevond. Volgens de steller van het middel miskent het hof hetgeen de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest in rechtsoverweging 3.5.2. heeft overwogen, te weten dat de mogelijkheid bestaat dat een situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Het hof heeft volgens haar ten onrechte in het midden gelaten of die bedreigende situatie al dan niet aan het zich kunnen onttrekken in de weg stond.