Conclusie
[…] /Mammoet-arrest [1] ) tot eenzelfde uitkomst. Volgens het hof is de inkomensachteruitgang van de werknemers door de premiebetalingsverplichting zodanig dat hun weigering om de eenzijdige wijziging van de afspraak van een premievrij pensioen niet te respecteren, niet onaanvaardbaar is.
[…] /Mammoetof deze te strikt toegepast. Deze klachten lijken mij doel te treffen. Daarnaast bevat het middel een klacht dat het hof geen aandacht heeft besteed aan het beroep van IFF op de norm van gelijke behandeling/het verbod van ongelijke behandeling naar leeftijd (onderdeel 3) en dat het feit dat de vakbonden hebben ingestemd met de wijziging van de pensioenpremie een aanwijzing kan zijn dat het voorstel van de werkgever een redelijk voorstel is (onderdeel 5). Die klachten zie ik niet opgaan. De klacht van onderdeel 4 over het hofoordeel van de financierbaarheid van het stelsel bij uitblijven van een premiebijdrage voor [eisers] acht ik wel gegrond.
[…] /Mammoet-norm als grondslag voor deze zaak (onderdeel 1). Daarnaast wordt betoogd dat art. 7:611 BW Pro alleen toepasselijk is bij een individuele wijziging van arbeidsvoorwaarden (onderdeel 2). Ik zie deze klachten geen doel treffen.
Artikel 4.3
Primair: te verklaren voor recht dat de eenzijdige invoering van het werknemersdeel in de pensioenpremie per 1 juli 2015 door IFF voor eisers onrechtmatig is;
Subsidiair: te verklaren voor recht dat de vordering van eisers tot nakoming van de afspraak dat deelname aan de bij IFF geldende pensioenregeling premievrij is, niet in strijd is met artikel 6:248 lid 2 BW Pro;
Meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de eenzijdige invoering van het werknemersdeel in de pensioenpremie per 1 juli 2015 door IFF voor eisers in strijd is met artikel 19 Pensioenwet Pro en/of artikel 7:613 BW Pro;
Primair, subsidiair en meer subsidiair:IFF te veroordelen tot terugbetaling aan eisers van het vanaf 1 juli 2015 op het salaris ingehouden werknemersaandeel in de pensioenpremie, onder gelijktijdige overlegging van deugdelijke specificatie; IFF te veroordelen tot afdracht van het werknemersdeel in de pensioenpremie van eisers aan het pensioenfonds vanaf 1 juli 2015 tot de arbeidsovereenkomst voortduurt onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor het geval IFF daarmee in gebreke blijft, kosten rechtens.
[…] /Mammoet-arrest [5] de door IFF opgeworpen omstandigheden niet een aanpassing van de individuele arbeidsvoorwaarde van een premievrij pensioen van eisers rechtvaardigen. IFF wordt door de kantonrechter veroordeeld tot terugbetaling aan [eisers] van het vanaf 1 juli 2015 op het salaris ingehouden werknemersdeel in de pensioenpremie, onder gelijktijdige overlegging van een deugdelijke specificatie en tot afdracht van het werknemersdeel in de pensioenpremie van [eisers] aan het pensioenfonds vanaf 1 juli 2015 tot de arbeidsovereenkomst voortduurt.
onaanvaardbaaris. Bij de vraag tot welke gevolgen een wijziging van de omstandigheden voor een individuele arbeidsrelatie kan leiden, zet het hof de vereisten uit het
[…] /Mammoet-arrest voorop. Er dient onderzocht te worden of de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is. In dat kader moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede - naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming - de positie van de betrokken werknemers aan wie het voorstel wordt gedaan en hun belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden (rov. 5.23). Van gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven tot wijziging van de pensioenovereenkomst was volgens het hof zeker sprake (rov. 5.27). Naar het oordeel van het hof is de inkomensachteruitgang voor [eisers] echter zodanig dat hun weigering de Pensioenregeling 2015 op het punt van het voortaan premie moeten betalen te aanvaarden, niet onaanvaardbaar is(rov. 5.35).
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
[…] /Mammoetstaande principaal cassatieberoep, omdat het voorwaardelijke incidenteel cassatieberoep bepleit dat het hof aan de
[…] /Mammoet-toets niet had mogen toekomen (in gelijke zin s.t. [eisers] 2.2 en 3.1). Als dat zou slagen, kan immers in het midden blijven wat er verder zij van ’s-hofs
[…] /Mammoet-toets waar het principaal beroep over gaat. Het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel bevat drie onderdelen.
Onderdeel 1klaagt dat het hof heeft miskend dat in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan op de op art. 7:611 BW Pro gebaseerde
[…] /Mammoet-norm.
Onderdeel 2klaagt dat is miskend dat art. 7:611 BW Pro niet van toepassing is bij collectieve wijziging van arbeidsvoorwaarden.
Onderdeel 3bevat geen zelfstandige klachten, maar bouwt voort op de voorafgaande onderdelen.
primairaan dat voor zover [eisers] hun vordering op art. 6:162 BW Pro hebben gebaseerd, dit onvoldoende is onderbouwd [7] .
Subsidiairstelt IFF dat zij - anders dan bij inleidende dagvaarding onder 35 gesteld - wel voldoende belang heeft bij wijziging van de pensioenregeling. Omdat [eisers] stellen dat er geen eenzijdig wijzigingsbeding van toepassing is, hebben zij volgens IFF niet art. 7:613 BW Pro als grondslag in het vizier (cva 40). Voor het geval als grondslag art. 7:611 BW Pro (goed werknemerschap) of art. 6:248 lid 2 BW Pro is bedoeld, stelt IFF bij cva 41 dat wel degelijk sprake is van voldoende belang bij IFF tot wijziging van de pensioenregeling met inbegrip van invoering van een premiebijdrage voor [eisers] , onder referte aan de
[…] /Mammoet-maatstaf. IFF bestrijdt bij wijze van
subsidiairverweer (cva 42) dat aan deze maatstaf is voldaan en van [eisers] mag worden verwacht dat zij in het kader van die toets positief reageren op de nieuwe pensioenregeling, inclusief invoering van een geleidelijke werknemerspremie oplopend van 0,5% naar 3,5%. Zij onderbouwt bij cva 41-76 dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die reden zijn om een wijziging in de pensioenregeling voor te stellen, waarom dat voorstel redelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval en aanvaarding daarom in redelijkheid van [eisers] mag worden verwacht. Dat wordt vervolgens bij cva 77-81 nog in concluderende vorm nader uiteengezet.
[…] /Mammoetna en concluderen bij cvr 52-53 dat die hier niet nopen tot het accepteren van de invoering van een premiebijdrage door hen.
[…] /Mammoet-norm en betoogt dat dat een andere toets behelst dan die volgens art. 7:613 BW Pro.
welsprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van art. 19 Pw Pro en toetst aan de norm daaruit en de (daarmee overeenstemmende) norm uit art. 7:613 BW Pro (zwaarwegend belang) in rov. 4.3 e.v.
[…] /Mammoet-norm moet worden getoetst, IFF over de toets struikelt, omdat de aangevoerde omstandigheden geen wijziging op het punt van het premievrije stelsel naar een stelsel van premiebijdragen voor werknemers rechtvaardigt ten aanzien van [eisers] Daarin wordt aldus het
subsidiairgevoerde verweer van [eisers] gevolgd.
ontbreekt, niettemin gehouden zijn de Pensioenregeling 2015, inclusief de daarbij voor [eisers] ingevoerde eigen bijdrage, te aanvaarden. Het hof heeft grief III beoordeeld aan de hand van art. 7:611 BW Pro. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de gedingstukken uit de eerste aanleg
geen beroep op art. 7:611 BW Pro bevattenvan de zijde van zowel [eisers] als IFF. Daarnaast miskent het hof volgens het onderdeel dat grief III in hoger beroep van de zijde van IFF niet de klacht bevat dat de kantonrechter ten onrechte een beroep op art. 7:611 BW Pro heeft gehonoreerd, of dat de kantonrechter een dergelijk beroep ten onrechte niet zou hebben toegepast. Door het ontwaren van enig vermeend beroep op art. 7:611 BW Pro heeft het hof het grievenstelsel in hoger beroep miskend en de omvang van de rechtsstrijd tussen partijen, hetgeen volgens het onderdeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en een onbegrijpelijk oordeel oplevert.
subsidiairpartijdebat plaatsgehad over art. 7:611 BW Pro en de
[…] /Mammoet-norm. Zoals we hebben gezien, heeft IFF bij antwoord in prima uitgebreid stilgestaan bij de vereisten uit het
[…] /Mammoet-arrest. [10] [eisers] hebben daar bij repliek op gerespondeerd. [11] De kantonrechter heeft getoetst aan art. 7:613 BW Pro, maar daarnaast ook (in die zin ten overvloede) geoordeeld als aan art. 7:611 BW Pro wordt getoetst, het voorstel van IFF niet redelijk is en aanvaarding daarvan niet van [eisers] kan worden verlangd. In grief III komt IFF tegen dat laatste op. IFF stelt bij grieven onder 100 dat de kantonrechter “ten onrechte overweegt dat de wijziging van de oude pensioenregeling in het licht van alle omstandigheden van het geval niet redelijk is en acceptatie dus ook niet van [eisers] kan worden aanvaard”. Uit de mva in het principaal appel blijkt dat [eisers] grief III ook in deze zin hebben begrepen en dat is gelet op het partijdebat in eerste aanleg ook alleszins goed te volgen. De uitleg die het hof aan deze grief heeft gegeven, lijkt mij dan ook bepaald niet onbegrijpelijk. Daar strandt dit onderdeel op.
Subonderdeel 2.iklaagt dat het hof heeft miskend dat art. 7:611 BW Pro niet kan worden toegepast in geval van een collectieve wijziging van de arbeidsovereenkomst, waarvan volgens het onderdeel hier sprake is. Het hof heeft art. 7:611 BW Pro ten onrechte toegepast op de door het hof vastgestelde feiten en ten onrechte zijn oordeel op de in het arrest genoemde jurisprudentie gebaseerd.
Van der Lely/Taxi Hofman [13] is uitgemaakt dat van de werknemer onder omstandigheden de bereidheid kan worden verlangd mee te werken aan aanpassing van zijn arbeidsovereenkomst. In die zaak was de werknemer, die eerst werkzaamheden als taxichauffeur/centralist had verricht, na een periode van arbeidsongeschiktheid als administratief medewerker en centralist werkzaam geweest. Kort voordat de werknemer weer in staat werd geacht zijn werk als taxichauffeur te hervatten, liet de werkgever aan hem weten dat hij niet kon terugkeren op de administratie en werd hem aangeboden dat hij op de taxi zou gaan rijden en daarnaast werkzaamheden als centralist zou blijven verrichten. Dat wees de werknemer van de hand. Zowel de kantonrechter als de rechtbank hebben de loonvordering van de werknemer vervolgens afgewezen. De Hoge Raad overwoog hierover:
alleen mag afwijzen wanneer aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Zulks wordt niet anders indien het zou gaan om gewijzigde omstandigheden die in de risicosfeer van de werkgever liggen. De hier bedoelde verplichting staat ook niet op gespannen voet met het dwingendrechtelijke stelsel van ontslagbescherming en is evenmin in strijd met de bescherming van de (arbeidsongeschikte) werknemer zoals die in wet en rechtspraak gestalte heeft gekregen. Zij betekent niet meer dan dat,
behalve de werkgever, ook de werknemer zich in zijn contractuele verhouding tot de wederpartij redelijk behoort op te stellen. De bescherming van (arbeidsongeschikte) werknemers in het arbeidsrecht kan op zichzelf dan ook niet rechtvaardigen dat een werknemer een redelijk voorstel van zijn werkgever van de hand wijst.” [Cursiveringen A-G]
[…] /Mammoet-arrest. Daarin is immers uitgemaakt dat bij het ontbreken van een wijzigingsbeding de werknemer
in beginsel niet is gehouden voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Heerma van Voss gaat in zijn NJ- noot onder
[…] /Mammoet [14] in op het verschil tussen ‘ingaan op’ voorstellen en het ‘aanvaarden’ daarvan:
[…] /Mammoetduidelijkheid verschaft over de vraag of de norm van art. 7:611 BW Pro dezelfde is als de onaanvaardbaarheidsnorm van art. 6:248 lid 2 BW Pro. In rov. 3.3.1 wordt de betreffende klacht uit die zaak uiteengezet als inhoudend dat het bij de beoordeling of een werknemer gehouden is een redelijk aanbod tot wijziging van zijn arbeidsovereenkomst te aanvaarden, erop aankomt vast te stellen of afwijzing van dat voorstel door de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die toets is volgens de klacht een strengere norm dan de toets of de werknemer redelijk handelt door een hem aangeboden functiewijziging niet te aanvaarden. De onaanvaardbaarheidstoets impliceert volgens de klacht een terughoudende beoordeling van de (on)redelijkheid van de weigering van de werknemer, terwijl de tweede toets een volle(re) beoordeling van de redelijkheid van de opstelling van de werknemer met zich brengt. De Hoge Raad verwerpt deze voorgestelde strengere norm van onaanvaarbaarheid vervolgens uitdrukkelijk in rov. 3.3.2:
Taxi Hofman,A-G] aanvaarde, aan art. 7:611 ontleende Pro maatstaf aan te nemen dat de werknemer slechts dan in strijd handelt met de verplichting zich in de arbeidsverhouding als goed werknemer redelijk op te stellen tegenover een, met gewijzigde omstandigheden op het werk verband houdend redelijk voorstel van de werkgever, indien afwijzing van het — redelijke — voorstel van de werkgever door de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.” [15]
[…] /Mammoet [16] schrijft A-G. Keus hier dit over [17] :
[…] /Mammoetrov. 3.3.3 dat moet worden aangenomen dat art. 7:613 BW Pro ‘veeleer ziet op gevallen waarin de werkgever zich de bevoegdheid heeft voorbehouden, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding geven, eenzijdig een wijziging in de arbeidsvoorwaarden aan te brengen niet slechts ten opzichte van een individuele werknemer maar ten opzichte van verscheidene werknemers, in welk geval ter bescherming van de werknemer(s) beperkingen worden gesteld aan de bevoegdheid het beding toe te passen’. Hoe moet dit ‘veeleer’ worden begrepen?
[…] /Mammoetgebruikte ‘veeleer’ af dat art. 7:613 BW Pro niet uitsluitend van toepassing is op collectieve wijzigingen. Het onderscheid tussen toepasselijkheid in collectieve en in individuele zaken lijkt hem niet houdbaar, omdat niet valt in te zien waarom bij collectieve wijzigingen een zwaardere toets zou moeten gelden dan bij individuele wijzigingen. Ook praktisch is het onderscheid naar zijn mening niet goed hanteerbaar.
Evenmin is juist de constatering van Schop dat bij een individuele wijziging aan de norm van art. 6:248 BW Pro moet worden getoetst. Die laatste strenge toets probeerde het cassatiemiddel in het […] /Mammoet-geding ingang te doen vinden, maar dat noemt de Hoge Raad uitdrukkelijk niet de juiste maatstaf. Het onderscheid tussen een individuele en collectieve wijziging haalt de Hoge Raad wel aan in het […] /Mammoet-arrest met de overweging dat het wijzigingsbeding van art. 7:613 BW Pro ‘veeleer ziet op gevallen waarin de werkgever zich de bevoegdheid heeft voorbehouden, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding geven, eenzijdig een wijziging in de arbeidsvoorwaarden aan te brengen niet slechts ten opzichte van een individuele werknemer maar ten opzichte van verscheidene werknemers […]’. Hiermee beschrijft de Hoge Raad niet meer dan de feitelijkheid dat een wijzigingsbeding veelal voor collectieve wijzigingen is overeengekomen, maar hieruit volgt niet dat een collectieve wijziging – ingeval geen wijzigingsbeding geldt – niet met toepassing van art. 7:611 BW Pro mogelijk is.” [Cursivering A-G]
[…] /Mammoetniet volgt dat art. 7:613 BW Pro exclusief voor collectieve wijzigingen is bedoeld, zodat het mogelijk is ook bij collectieve wijzigingen te toetsen aan de norm van art. 7:611 BW Pro bij gebreken van een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van art. 7:613 BW Pro, zoals in onze zaak in cassatie uitgangspunt is. Ook ik zie niet in waarom het vruchtbaar zou zijn om hier een strikt onderscheid te hanteren waarbij art. 7:613 BW Pro alleen voor collectieve wijzigingen zou gelden en art. 7:611 BW Pro en de
[…] /Mammoet-norm alleen voor individuele gevallen, zoals het voorwaardelijk incidenteel onderdeel 2.i bepleit. De ratio voor een dergelijk onderscheid met een in zwaarte verschillend uitvallende toets ontbreekt (zie het betoog van Heerma van Voss en Bouwens, Bij de Vaate en Duk hiervoor) en leidt tot ongelijke behandeling van gelijkwaardige gevallen ten detrimente van sommige werknemers en dat lijkt niet iets dat het recht zou moeten nastreven in ons arbeidsrechtelijke stelsel. De klacht faalt in mijn ogen dan ook [23] .
(…)
hebben zich vervolgens tegen de eenzijdige wijzigingen in hun arbeidsovereenkomst waar het de afspraak voor premievrij pensioen betrof, verzet. Het door IFF beoogde addendum hebben zij niet geaccepteerd zodat de daarin opgenomen machtiging en het eenzijdig wijzigingsbeding geen deel zijn gaan uitmaken van hun arbeidsovereenkomsten.”
subonderdeel 2.ivnog dat het hof heeft miskend dat de stelplicht van een beroep op de aanwezigheid van de
[…] /Mammoet-criteria volledig op de werkgever rust, aangezien de werkgever zich beroept op het rechtsgevolg van een volgens de werkgever aan [eisers] gedaan voorstel ten aanzien van de Pensioenregeling 2015 en/of de verplichting tot het betalen van een premie door [eisers] in dat kader, dat door [eisers] is afgewezen.
[…] /Mammoet-criteria. Bij antwoord in prima is IFF daar uitgebreid op ingegaan. Ook in hoger beroep stelt IFF bij grieven dat de wijziging van de oude pensioenregeling in de Pensioenregeling 2015 inclusief invoering van een premiebijdrage voor alle werknemers meer dan redelijk is en acceptatie kan en mag worden gevergd van [eisers] Daar loopt deze klacht al op stuk.
onderdeel 3is alleen maar voortbouwend en deelt het lot van de voorgaande klachten.
5.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
[…] /Mammoet-norm heeft miskend, althans onjuist heeft toegepast, bij zijn beoordeling of [eisers] op grond van art. 7:611 BW Pro gehouden waren om akkoord te gaan met de wijziging van de pensioenregeling. Volgens het onderdeel is het hof er klaarblijkelijk, maar ten onrechte, vanuit gegaan dat een werknemer op grond van de op art. 7:611 BW Pro gebaseerde jurisprudentiële norm pas dan gehouden is om positief in te gaan op een redelijk voorstel van de werkgever tot afwijzing van een arbeidsvoorwaarde, wanneer geoordeeld kan worden dat verwerping/afwijzing van dat voorstel door de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris. Dat het hof van die maatstaf is uitgegaan blijkt uit rov. 5.23, 5.24, 5.26, 5.29, 5.34 en 5.35. Dat is een onjuiste, want ten detrimente van IFF te strenge maatstaf, nu in rov. 3.3.2, tweede volzin van het
[…] /Mammoet-arrest nu juist expliciet is uitgemaakt dat de hoge lat van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onjuist moet worden verworpen.
Onderdeel 2klaagt dat het hof de ‘drieledige toetsing’ uit
[…] /Mammoetheeft miskend. Betoogd wordt dat het hof na (i) in rov. 5.27 te hebben vastgesteld dat zich gewijzigde omstandigheden voordeden die aanleiding vormden tot het doen van een wijzigingsvoorstel van de pensioenovereenkomst, niet heeft onderzocht (ii) of het door de werkgever gedane voorstel, gelet op alle omstandigheden, redelijk is en, bij bevestigende beantwoording daarvan (iii) of aanvaarding van het redelijke voorstel in het licht van de omstandigheden van het geval, in redelijkheid van [eisers] kan worden gevergd. Het hof heeft in afwijking van dit toetsingskader uit
[…] /Mammoetzich na bevestigende beantwoording van (i) alleen nog afgevraagd of de bijdrage van [eisers] dermate noodzakelijk is om de nieuwe pensioenregeling financierbaar te kamen, dat weigering om daarmee in te stemmen desondanks onaanvaardbaar is. Dat is volgens de klacht een enkelvoudige en daarmee andere toets dan de twee hiervoor bedoelde separate toetsen (ii) en (iii) volgens
[…] /Mammoet, zodat dit oordeel rechtens onjuist is. Mocht de hoftoets niet onjuist zijn in vorenbedoelde zin, dan is hier sprake van een motiveringsgebrek, alleen al omdat het hof in rov. 5.30-5.35 geen begin van inzicht biedt of het hof nu heeft gemeend dat het wijzigingsvoorstel van IFF niet redelijk was in de zin van stap (ii), maar dat van [eisers] niet gevergd kan worden dat redelijke voorstel te aanvaarden, zodat het met (iii) aangeduide deelvereiste niet vervuld is.
[…] /Mammoetuitdrukkelijk verworpen dat het bij de beoordeling of de werknemer is gehouden een redelijk aanbod tot wijziging van zijn arbeidsovereenkomst te aanvaarden, erop aankomt of afwijzing van dat voorstel door de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van art. 6:248 lid 2 BW Pro. We hebben gezien dat daarbij de kanttekening is gemaakt dat bij de te hanteren maatstaf het accent niet eenzijdig moet worden gelegd op hetgeen van de werknemer in een dergelijke situatie mag worden verwacht. Voordat beoordeeld wordt of van de werknemer gevergd kan worden dat hij instemt met een voorstel van de werkgever, moet immers eerst onderzocht worden of het voorstel van de werkgever wel redelijk is. De geformuleerde toets is deze:
[…] /Mammoetis uitgemaakt dat beoordeeld moet worden of aanvaarding van het redelijke voorstel van de werkgever door de werknemer gevergd kan worden. De vraag is of “in redelijkheid vergen” uit
[…] /Mammoetspoort met “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn”. Dat denk ik niet, de hoftoets legt de lat hier gelet op
[…] /Mammoetinderdaad te hoog voor de werkgever. Dat krijgt extra reliëf doordat in
[…] /Mammoetprecies die onaanvaardbaarheidslat expliciet is verworpen. De onderdelen 1 en 2 treffen doel.
[…] /Mammoet.Het hof noemt in dezelfde rechtsoverweging 5.23 immers direct volgend op de ‘onaanvaardbaarheidsdrempel’ de besproken drieledige toets en ook in rov. 5.24 stelt het hof de juiste drieledige toets voorop – met als laatste stap of de aanvaarding van het redelijke voorstel van de werkgever in het licht van de omstandigheden “in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd” - dus hier geen ‘onaanvaardbaarheid’, maar de juiste, lagere toets van ‘in redelijkheid vergen’. Heeft het hof hier in rov 5.25-5.34 vervolgens dan ook echt conform die lagere drempel getoetst? Dat is misschien nog enigszins vol te houden als men beziet dat het hof in rov. 5.25 de omstandigheden noemt die volgens IFF redenen waren om de Pensioenregeling 2015 in te voeren, in rov. 5.26 gevolgd door de kanttekening dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met de invoering van de nieuwe pensioenregeling. Het hof overweegt dat deze omstandigheid zal worden meegewogen, maar dat voorop staat dat instemming van [eisers] met de wijziging van de arbeidsvoorwaarde vereist was. In rov. 5.27 en 5.28 gaat het hof vervolgens in op de door IFF aangevoerde redenen om te concluderen dat er zeker sprake was van gewijzigde omstandigheden die aanleiding gaven tot wijziging van de pensioenovereenkomst. Dat lijkt een correcte toets aan deelvereiste (i). Nadat in rov. 5.28 wordt aangestipt welke gevolgen de invoering van de premieplicht voor [eisers] hebben, stelt het hof zich in rov. 5.29 echter de vraag of de premiebijdrage van [eisers] zo noodzakelijk is om de nieuwe pensioenregeling aanvaardbaar te maken, dat hun weigering daarmee in te stemmen
onaanvaardbaaris.
nietde aan te leggen maatstaf, zoals eerder uiteengezet, maar mogelijk wijst analyse uit dat de vervolgens daadwerkelijk uitgevoerde toets in rov. 5.30-5.34 toch
erop neerkomtdat is getoetst of invoering van een premieplicht voor [eisers]
redelijkis. In rov. 5.30 wordt namelijk beoordeeld welke gevolgen het heeft als [eisers] geen premie zouden betalen. Het hof komt tot het oordeel dat niet gesteld is dat de totale premielast niet meer op te brengen zou zijn, als [eisers] hun premievrijstelling behouden. Hieruit volgt volgens het hof dat er in zoverre geen noodzaak was om een premieplicht voor [eisers] in te voeren [24] . Vervolgens gaat het hof in rov. 5.31 in op het solidariteitsargument van IFF, maar acht dat van beperkte waarde en ook daaruit volgt dat er volgens het hof geen noodzaak is tot invoering van een premiebijdrage voor [eisers] In de rov. 5.32-5.33 is meegewogen in hoeverre [eisers] een compensatie is geboden voor het inkomensverlies dat optreedt door de premieheffing. Het feit dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met de nieuwe regeling, doet er volgens het hof niets aan af dat slechts tot wijziging van de arbeidsvoorwaarde kan worden gekomen met instemming van [eisers] Uit de bewoordingen van rov. 5.35 kan ik alleen maar afleiden dat het hof uit dit alles vervolgens concludeert “dat de inkomensachteruitgang voor [eisers] zodanig is, dat hun weigering de Pensioenregeling 2015 op dat onderdeel te aanvaarden
niet onaanvaardbaaris” [cursivering A-G] en dat is op het eerste gezicht toch echt de te hoge lat. Is dit niettemin - ondanks de gebruikte terminologie - slechts als het kennelijke oordeel van het hof op te vatten dat er gezien de inkomensachteruitgang voor [eisers] bij invoering voor een premiebijdrage voor hen, waarvoor in de ogen van het hof geen noodzaak bestaat, in combinatie met het gegeven dat daar geen adequate compensatie voor wordt geboden, materieel op te vatten als een oordeel dat geen sprake is van een redelijk voorstel van de werkgever? Dat lijkt mij een veel te welwillende uitleg [25] gelet op het bij herhaling hanteren van het begrip “onaanvaardbaar”, zodat ik het er voor houd dat het hof hetzij een te strenge toets heeft toegepast (zodat de rechtsklacht slaagt), of dat hier niet toereikend is gemotiveerd (in welk geval de motiveringsklacht doel treft). Het betoog bij s.t. [eisers] 2.3 dat alleen ‘kennelijk geheel abusievelijk’ de
in […]/
Mammoetonjuist bevonden maatstaf voorop zou zijn gesteld, maar door het hof wel de juiste maatstaf is gehanteerd vervolgens, wordt in het vorenstaande gelogenstraft. De onderdelen 1 en 2 zijn terecht voorgesteld.
[…] /Mammoet, er sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een werkgever moet handelen binnen de grenzen van zowel de gelijke behandelingswetgeving (waaronder de WGBL), als de algemene norm van ‘gelijke arbeid, gelijk loon’. Dit speelt volgens de klacht niet alleen bij de beoordeling of zich gewijzigde omstandigheden voordoen die de werkgever aanleiding kunnen geven tot het doen van een wijzigingsvoorstel, maar ook bij de vervolgvraag of sprake is van een redelijk wijzigingsvoorstel van de werkgever. Een wijzigingsvoorstel dat wordt ingegeven door de wens om te voldoen aan de verplichting tot gelijke behandeling van werknemers, geeft invulling aan de aard van het belang van de werkgever bij de wijziging en die aard van het betrokken werkgeversbelang is één van de omstandigheden die meewegen bij de redelijkheidsbeoordeling van het voorstel van de werkgever in de zin van
[…] /Mammoet.Mocht dit niet zijn miskend door het hof, dan is althans sprake van ontoereikende motivering, omdat de betreffende stellingen niet kenbaar in de afweging zijn betrokken. Verder klaagt het onderdeel nog dat bij pleidooi in appel [eisers] hebben betoogd dat het beroep op ongelijke behandeling als een tardieve nieuwe grief buiten beschouwing moet blijven, waartegen IFF ten pleidooie verweer heeft gevoerd (zittingsp-v p. 7, 7e en 8e alinea). Als het hof bedoelde gelijke behandelingsargumentatie inderdaad als nieuwe grief heeft aangemerkt en daarom niet heeft besproken, is dat volgens onderdeel 3 ontoereikend gemotiveerd.
[…] /Mammoet-norm, voor het geval daaraan zou worden toegekomen (onder verwijzing naar mvg 101, p-v pleidooi in appel, p. 8, 2e citaat mr. Vermeeren-Keijzers). Eén van die argumenten betreft het voorkomen van ongelijke behandeling van gelijke gevallen (mvg 3.2.1, en verder mvg 72, waar in mvg 81 e.v. aan is toegevoegd dat vooral oudere werknemers profiteren van de premievrije pensioenopbouw. Bij mva hebben [eisers] in 117 aangegeven dat met de eenzijdige wijziging het principe gelijke arbeid, gelijk loon zou worden nagestreefd, door IFF niet deugdelijk is uitgewerkt. Bij pleidooi in appel (plta HB 30-34) is het beroep op het verbod van ongelijke behandeling naar leeftijd nader uitgewerkt, onder verwijzing naar het wettelijke verbod op ongelijke behandeling naar leeftijd uit de WGBL). Bij pleidooi hebben [eisers] bezwaar gemaakt tegen het beroep van IFF op het gelijkheidsbeginsel, omdat dat beroep niet eerder zou zijn gedaan en tegen dat bezwaar heeft IFF vervolgens weer verweer gevoerd, zo volgt uit het zittingsp-v van het pleidooi in hoger beroep (vp. hiervoor in 4.8). Het onderdeel voert terecht aan dat voor de vraag of de werkgever als goed wekgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden en of het door hem gedane voorstel redelijk is, alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Tot de in
[…] /Mammoetin aanmerking te nemen punten behoren de aard van de gewijzigde omstandigheden die tot het voorstel aanleiding hebben gegeven en de aard en ingrijpendheid van het gedane voorstel, alsmede – naast het belang van de werkgever en de door hem gedreven onderneming – de positie van de betrokken werknemer aan wie het voorstel wordt gedaan en diens belang bij het ongewijzigd blijven van de arbeidsvoorwaarden. In rov. 5.31 adieert het hof de hier bedoelde argumentatie onder de samenvattende noemer ‘solidariteitsargument’. Het hof acht dit argument niet van groot gewicht, omdat met (groepen van) werknemers wel vaker arbeidsvoorwaarden worden overeengekomen die voor de ene groep gunstiger zijn dan voor andere. Naar het oordeel van het hof geldt dat hier te meer, nu IFF er kennelijk in 2003 voor heeft gekozen de solidariteitsgedachte geleidelijk in de pensioenregeling te laten uitkristalliseren door ermee te beginnen dat in ieder geval voor nieuwe werknemers een pensioenpremiebijdrage werd ingevoerd, een groeiende groep dus tegenover een steeds kleiner wordende premievrije groep werknemers, die geleidelijk zou verdwijnen, waardoor het solidariteitsbeginsel geleidelijk krachtiger zou worden in de pensioenregeling. “In dit licht bezien komt aan het beroep van IFF op het solidariteitsbeginsel slechts beperkte waarde toe”, zo besluit rov. 5.31.
meergelijke behandeling; vast staat immers dat door invoering van het nieuwe stelsel de ongelijkheid tussen werknemers van IFF uiteindelijk
nietwordt opgeheven. De werknemers die na 2003 in dienst zijn getreden betalen immers nog steeds meer premie (7%) dan de werknemers die voor 2003 in dienst zijn getreden onder de nieuwe regeling (oplopend tot uiteindelijk de helft, een premiebijdrage van 3,5%). In het licht daarvan is het ook niet onbegrijpelijk dat het hof het argument van IFF over gelijke beloning in het kader van het solidariteitsargument heeft beoordeeld (en niet te zwaar heeft laten meewegen). Daar ketsen de eerste klachten uit onderdeel 3 wat mij betreft op af. De laatste klacht lijkt mij feitelijke grondslag te missen: uit niets blijkt dat het hof het beroep op het gelijkheidsbeginsel als tardieve grief heeft aangemerkt conform het verweer van [eisers] bij pleidooi en daarom buiten beschouwing heeft gelaten, zoals de klacht aanvoert. Het onderdeel faalt zodoende integraal.
onverplicht extra stortingen van bijna € 3 miljoen heeft gedaan in het Pensioenfonds IFF, maar dat niet zal blijven doen. Zonder invoering van de werknemersbijdrage neemt het risico op verlaging van toekomstige pensioenopbouw voor alle werknemers toe en IFF zal niet onverplicht blijven bijstorten gelet op het karakter van de Pensioenregeling 2015 die [eisers] voor het overige niet verwerpen en dat is volgens IFF hetgeen [eisers] kennelijk voor lief nemen. Daarmee heeft IFF volgens de klacht wel degelijk gesteld dat zij niet onverplicht aanvullend zal blijven bijdragen en dat zij het dus wel zal moeten laten aankomen op een verlaging van de pensioenaanspraken. Dat is nog eens bevestigd bij pleidooi in appel, waarin is gezegd zijdens IFF dat alleen is besloten om gedurende de procedure extra te betalen om de tekorten aan te vullen, zodat op dit moment nog geen korting hoeft plaats te vinden, maar het gaat daarbij wel om onverplichte betalingen, aldus IFF (onder verwijzing naar het zittings-p.v. p. 8). Ik geef de passages waar het hier om gaat voor de volledigheid integraal weer:
[…] /Mammoet-toets heeft betrokken het aspect dat de OR heeft ingestemd, maar niet dat de gefaseerde invoering van een premiebijdrage door [eisers] is overeengekomen met de representatieve vakorganisaties FNV en CNV. Dat is noch gebeurd in rov. 5.34, waarin het hof aan het feit dat de OR heeft ingestemd in deze zaak niet al te veel waarde toekent, omdat de OR beoordeelt voor het collectief en het in deze zaak gaat om het individuele belang van [eisers] , waarbij bovendien uitgangspunt is dat alleen kan worden gewijzigd met instemming van [eisers] , welk laatste punt de OR ook nog heeft benadrukt, aldus het hof, noch elders in rov. 5.25-5.35. Onderdeel 5 voert aan dat het hof in het kader van het beroep van IFF op de
[…] /Mammoet-norm bij de toetsing van alle omstandigheden ook met deze overeenstemming met de vakbonden rekening had moeten houden. Het hof heeft volgens de klacht de omstandigheid dat deze vakorganisaties akkoord waren met het wijzigingsvoorstel dat IFF aan [eisers] heeft voorgelegd, niet meegenomen in zijn beoordeling of [eisers] gehouden waren om met dit voorstel in te stemmen. Dat is onjuist, wanneer de beslissing van het hof zo moet worden begrepen dat het hof die omstandigheid niet heeft meegewogen vanuit de opvatting dat daaraan in die afweging geen gewicht toekwam. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is niet toereikend gemotiveerd, omdat het hof die omstandigheid niet kenbaar in zijn afweging heeft betrokken.
[…] /Mammoet-toets expliciet meeweegt dat over de regeling ook met de bonden overeenstemming is bereikt, lijkt mij te ver gaan. Het oordeel is om die reden in mijn ogen niet onjuist of onbegrijpelijk, zodat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden.