Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
De betaaldvoetbalorganisatie kent aan de contractspelers een aanspraak toe op één of meer overbruggingsuitkeringen als bedoeld in de Statuten en het Overbruggingsreglement van de Stichting [X] en onder de voorwaarden als vermeld in laatstgenoemd reglement.
BNB2017/179 [11] volgt dat de toekenning van een recht op periodieke uitkeringen door een werkgever aan een werknemer nooit kan kwalificeren als lijfrente. Deze algemene betekenis kan niet uit dit arrest worden afgeleid, aldus de Rechtbank.
BNB2017/179 leidt het Hof af dat geen sprake is van een ‘voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde’ zoals bedoeld in artikel 18, lid 2, Verdrag, indien een werkgever aan een werknemer een recht op periodieke uitkeringen toekent waarvan de kosten volledig voor rekening van de werkgever komen. In andere gevallen kan naar het oordeel van het Hof wel sprake zijn van een lijfrente in bedoelde zin. De enkele omstandigheid dat een recht op uitkeringen opkomt in het kader van een dienstbetrekking staat hieraan niet in de weg, aldus het Hof.
3.Het geding in cassatie
4.Gevolgen HR BNB2017/179 voor de kwalificatie van de Overbruggingsuitkering
Achtergrond van de overbrugginsregeling
anders dan bewezen diensten.Echter, vooruitlopend op hetgeen besproken zal worden aangaande de overweging van de Hoge Raad in
BNB2017/179 (zie onderdeel 4.16 e.v.), kan wellicht worden aangenomen dat ook in de lijfrentedefinities waarin de gearceerde passage ontbreekt, de hierin bevatte voorwaarde toch geldt.
FED2017/114 een onderscheid tussen de ontslagvergoeding, het recht op periodieke uitkeringen en de uitkeringen. Het oordeel van de Hoge Raad dat het recht op periodieke uitkeringen (het stamrecht) niet kan worden gerekend tot lijfrente acht hij juist. De term lijfrente heeft naar zijn mening betrekking op de uitkeringen die worden ontvangen op grond van het stamrecht, niet op het stamrecht zelf. De uitkeringen zijn evenmin te beschouwen als lijfrente, omdat zij niet voortvloeien uit een recht op periodieke uitkeringen dat tegenover een tegenprestatie in geld staat. Het recht op de periodieke uitkeringen is immers verkregen in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking van de belanghebbende.
NLF2021/1803 zijn twijfels bij deze overweging van het Hof:
BNB2017/179 volgt dat een recht op een uitkering die louter wordt verkregen in het kader van de beëindiging van een dienstbetrekking, niet tot een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde kan worden gerekend. Dit komt mij niet vanzelfsprekend voor. Echter, nu de lijfrentedefinitie in veel voorkomende verdragen de zinssnede ‘geldswaarde, anders dan bewezen diensten’ bevat (zie onderdeel 4.6), acht ik deze overweging in het kader van de rechtsgelijkheid wel begrijpelijk. Daar het geschil zich beperkt tot de interpretatie van deze overweging en door geen van beide partijen de invulling van het begrip geldswaarde wordt betwist, sluit ik mij aan bij de overweging van de Hoge Raad dat arbeid onder de lijfrentedefinitie van de belastingverdragen kennelijk niet een geldswaarde heeft als in het verdrag bedoeld.
BNB2017/179, eraan in de weg staat de uitkeringen aan te merken als lijfrente in de zin van artikel 18, lid 2, Verdrag. De Hoge Raad acht voor de vraag of sprake is van een ‘voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde’ volgens de Staatssecretaris alleen van belang dat het recht op de uitkeringen door de werknemer van de werkgever is verkregen in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking. In dat geval vloeien de uitkeringen niet voort uit een recht op periodieke uitkeringen dat tegenover een tegenprestatie in geld staat; het recht op periodieke uitkeringen staat dan tegenover de door de werknemer verrichte arbeid.
BNB2017/179 wordt een deel van het brutoloon niet uitbetaald, maar fiscaal onbelast opzij gezet en omgezet in een recht op latere periodieke uitkeringen (zie onderdeel 4.12). Gelet op deze overeenkomsten, meent de Staatssecretaris dat de rechtsregel van HR
BNB2017/179 naar analogie dient te worden toegepast op de Overbruggingsuitkering en deze zodoende niet is aan te merken als een lijfrente als bedoeld in artikel 18, lid 2, Verdrag.
BNB2017/179 zo uit, dat geen sprake is van een ‘voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde’ indien de kosten volledig voor rekening van de werkgever komen. Voor onderhavige zaak betekent dit dat het Hof de primaire klacht verwerpt, nu het van oordeel is dat de enkele omstandigheid dat een recht op uitkeringen opkomt in het kader van een dienstbetrekking er niet aan in de weg staat het aan te merken als lijfrente als bedoeld in artikel 18, lid 2, Verdrag.
BNB2017/179 heeft overwogen, niet van toepassing is op onderhavige zaak. Het betoog van de Staatssecretaris dat gelet op de overeenkomsten tussen beide zaken sprake dient te zijn van analoge toepassing (zie onderdeel 4.25), berust op verschillende interpretaties en toepassing van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen. Ik begrijp het oordeel van het Hof zo, dat het de door de Hoge Raad geformuleerde rechtsregel wel degelijk van belang acht, alleen interpreteert het de regel anders dan de Staatssecretaris. Terwijl de Staatssecretaris betoogt dat toepassing van de rechtsregel uitsluit dat de Overbruggingsuitkering kan worden aangemerkt als lijfrente omdat het recht voortvloeit uit een dienstbetrekking, overweegt het Hof dat toepassing van de rechtsregel vraagt om een beoordeling van de vraag of de presentatie tegenover de Overbruggingsuitkering bestaat uit geld of uit arbeid.
BNB2000/328 volgt dat artikel 18 Verdrag Pro gelet op zowel de verdragstekst als de toelichting als
lex specialisheeft te geleden ten opzichte van artikelen 15 en 17 Verdrag. Deze
lex-specialisregel impliceert volgens de Staatssecretaris reeds naar zijn aard een beperktere reikwijdte. Het lijkt mij vanzelfsprekend dat een
lex specialiseen beperktere reikwijdte heeft dan een
lex generalis. Echter, dit impliceert mijns inziens niet dat een
lex specialisop zich beperkter dient te worden geïnterpreteerd. Als tot de conclusie wordt gekomen dat sprake is van een lijfrente zoals bedoeld in artikel 18, lid 2, Verdrag, dan leidt het feit dat dit artikel een
lex specialisis niet tot een ander oordeel.
5.Beoordeling van de tegenprestatie
BNB2017/179 inderdaad niet dusdanig geïnterpreteerd te worden dat de omstandigheid dat de Overbruggingsuitkering opkomt in het kader van dienstbetrekking eraan in de weg staat de Overbruggingsuitkering aan te merken als lijfrente in de zin van artikel 18, lid 2, Verdrag, dan komt de vraag op of wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in zojuist genoemd artikel. In geschil is alleen het laatste vereiste: staat tegenover de aanspraak een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde?