ECLI:NL:PHR:2022:727
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afstandsverklaring van aanwezigheidsrecht ondanks niet-ondertekening verdachte
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor diefstal en stelde cassatieberoep in tegen het verstekvonnis wegens zijn afwezigheid tijdens de terechtzitting in hoger beroep. Hij was uit anderen hoofde gedetineerd en wenste aanwezig te zijn, maar had de afstandsverklaring niet ondertekend. Deze verklaring was echter wel ondertekend door twee penitentiair inrichtingswerkers, wat volgens het hof betekent dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De advocaat van de verdachte voerde aan dat uit de afstandsverklaring niet blijkt dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan, omdat hij zelf niet heeft getekend. De Hoge Raad overweegt dat indien een verdachte weigert te tekenen, de verklaring door PIW'ers wordt ondertekend om die weigering vast te leggen. Er waren geen duidelijke aanwijzingen dat de verdachte niet vrijwillig afstand deed.
De raadsvrouw van de verdachte heeft geen verzoek tot aanhouding gedaan om alsnog aanwezig te kunnen zijn. De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en bevestigt het verstekvonnis. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van de uitspraak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verstekvonnis wordt bevestigd ondanks dat de verdachte de afstandsverklaring niet zelf heeft ondertekend.