ECLI:NL:PHR:2022:727

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
28 juli 2022
Zaaknummer
21/02470
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afstandsverklaring van aanwezigheidsrecht ondanks niet-ondertekening verdachte

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor diefstal en stelde cassatieberoep in tegen het verstekvonnis wegens zijn afwezigheid tijdens de terechtzitting in hoger beroep. Hij was uit anderen hoofde gedetineerd en wenste aanwezig te zijn, maar had de afstandsverklaring niet ondertekend. Deze verklaring was echter wel ondertekend door twee penitentiair inrichtingswerkers, wat volgens het hof betekent dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

De advocaat van de verdachte voerde aan dat uit de afstandsverklaring niet blijkt dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan, omdat hij zelf niet heeft getekend. De Hoge Raad overweegt dat indien een verdachte weigert te tekenen, de verklaring door PIW'ers wordt ondertekend om die weigering vast te leggen. Er waren geen duidelijke aanwijzingen dat de verdachte niet vrijwillig afstand deed.

De raadsvrouw van de verdachte heeft geen verzoek tot aanhouding gedaan om alsnog aanwezig te kunnen zijn. De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en bevestigt het verstekvonnis. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van de uitspraak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verstekvonnis wordt bevestigd ondanks dat de verdachte de afstandsverklaring niet zelf heeft ondertekend.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02470

Zitting20 september 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

Inleiding

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 juni 2021 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 september 2019 bevestigd, onder aanvulling van art. 63 Sr Pro. In dat vonnis is de verdachte wegens "diefstal" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met aftrek van voorarrest. Verder is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, als nader in het vonnis omschreven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd verstek heeft verleend en de behandeling van de zaak heeft voortgezet, aangezien de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd was, bij de zitting aanwezig wenste te zijn en de afstandsverklaring niet heeft ondertekend.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2021 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Rolnummer: 22-004279-19
[…]
De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp,
is niet ter terechtzitting verschenen.
[…]
De voorzitter doet mededeling van een e-mailbericht, d.d. 25 februari 2021, inhoudende de mededeling van een medewerker van Detentiecentrum Schiphol dat de verdachte, in verband met covid-19 klachten in quarantaine is geplaatst en derhalve niet naar het paleis van justitie kan worden vervoerd. De voorzitter merkt op dat bij aanvang van de terechtzitting nog geen afstandsverklaring van de verdachte is ontvangen.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. L.A. Versteegh, advocaat te Den Haag.
De raadsvrouw deelt mede dat zij zich ten aanzien van de vraag of de verdachte afstand wenst te doen van zijn verschijningsrecht niet gemachtigd acht.
[…]
De raadsvrouw verzoekt om op korte termijn een nieuwe datum te plannen, zodat de oproeping voor die zitting aan haar cliënt in persoon kan worden betekend nu hij thans nog gedetineerd is uit anderen hoofde. De raadsvrouw stemt in met aanhouding tot 3 juni 2021 en zegt toe dat zij, of haar kantoorgenoot op voornoemde datum aanwezig zal zijn.”
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2021 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Rolnummer: 22-004279-19
[…]
De verdachte, opgeroepen als:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],
thans uit anderen hoofde gedetineerd te Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter maakt melding van een door de verdachte ondertekende afstandsverklaring.
Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. L.A. Versteegh, advocate te Den Haag.
De raadsvrouw deelt mede dat zij haar cliënt heeft geprobeerd te bellen, maar dat hij haar niet heeft teruggebeld.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsvrouw mede dat zij niet door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren.
[…]
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.”
6. Aan laatstgenoemd proces-verbaal is een afstandsverklaring gehecht die, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende inhoudt:
“Betreffende zaaksnummer: 22-004279-19
Zittingsdatum en tijdstip: 3-6-21 1000
Zittingslocatie (plaatsnaam invullen) Rechtbank te Den Haag
[…]
Door deze afstandsverklaring te ondertekenen, verklaart betrokkene afstand te doen van
zijn/haar recht om aanwezig te zijn ter zitting of verhoor.
Gegevens verblijfslocatie
Naam verblijfslocatie: JC Schiphol
[…]
Gegevens betrokkene
Voorletters + achternaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]-1989
Datum ondertekening: 03-06-2021
Handtekening:
Onderstaande is alleen van toepassing indien betrokkene weigert aanwezig te zijn op de zitting alsmede weigert de afstandsverklaring te ondertekenen.
Door betrokkene aangegeven reden van weigering:
Aldus naar waarheid opgesteld en ondertekend door 2 functionarissen van bovengenoemde verblijfslocatie
Datum ondertekening: 03-06-2021 Datum ondertekening: 03-06-2021
Voorletters + achternaam: […] Voorletters + achternaam: […]
Functie: PIW Functie: PIW
Handtekening: [handtekening] Handtekening: [handtekening]”
7. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de afstandsverklaring voor de zitting van 3 juni 2021, anders dan het hof heeft overwogen, niet door de verdachte maar door twee medewerkers van de penitentiaire inrichting is ondertekend. Als de verdachte zou hebben geweigerd de afstandsverklaring te ondertekenen, dan had hij kennisgenomen van het recht om bij de zitting aanwezig te kunnen zijn, maar uit de afstandsverklaring blijkt volgens de steller van het middel niet dat de verdachte heeft geweigerd om de afstandsverklaring te ondertekenen. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, aldus de steller van het middel.
8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een wettige betekening van de dagvaarding of oproeping rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben, onder meer in het geval dat op de terechtzitting blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd en een door hem ondertekende afstandsverklaring ontbreekt. In dat geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat de gedetineerde verdachte alsnog in de gelegenheid wordt gesteld op een nadere terechtzitting aanwezig te zijn. [1]
9. In deze zaak heeft het hof kennelijk uit de afstandsverklaring afgeleid dat de niet ter terechtzitting verschenen verdachte, die uit anderen hoofde was gedetineerd, vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In dat kader kan aan de steller van het middel worden toegegeven dat, anders dan het hof heeft overwogen, de verdachte deze afstandsverklaring niet heeft ondertekend. De afstandsverklaring is echter ondertekend door twee penitentiair inrichtingswerkers. Dat dienen zij blijkens de inhoud van de afstandsverklaring alleen te doen “indien betrokkene weigert aanwezig te zijn op de zitting alsmede weigert de afstandsverklaring te ondertekenen”. Met andere woorden, door de afstandsverklaring te ondertekenen verklaren zij dat de betrokkene weigert aanwezig te zijn op de zitting alsmede dat hij weigert de afstandsverklaring te ondertekenen.
10. Tegen die achtergrond komt het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht mij, ondanks dat de verdachte de afstandsverklaring niet heeft ondertekend, niet onjuist of onbegrijpelijk voor. Duidelijke aanwijzingen dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn afwezigheidsrecht, ben ik niet tegengekomen. Daarbij merk ik nog op dat de raadsvrouw van de verdachte, ondanks de mogelijkheid daartoe, ook geen verzoek tot aanhouding van de zaak heeft gedaan met het oog op het kunnen uitoefenen van het aanwezigheidsrecht door de verdachte, of het verkrijgen van een machtiging als bedoeld in artikel 279, eerste lid, Sv. [2]
11. Gelet op het voorgaande faalt het middel.

Conclusie

12. Het middel faalt.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:707, rov. 2,3, en HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
2.Vgl. HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1029, rov. 3.4.3.