ECLI:NL:PHR:2022:728

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juli 2022
Publicatiedatum
29 juli 2022
Zaaknummer
22/02025
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 WvggzArt. 2:1 WvggzArt. 1:1 lid 2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling zorgmachtiging en criteria verplichte zorg onder de Wvggz

In deze zaak heeft de rechtbank Limburg op 2 maart 2022 een zorgmachtiging verleend voor zes maanden aan betrokkene, die lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, zwakbegaafdheid en middelenafhankelijkheid. De rechtbank oordeelde dat het gedrag van betrokkene ernstig nadeel veroorzaakt en dat vrijwillige zorg niet mogelijk was, waardoor verplichte zorg noodzakelijk werd geacht.

Betrokkene en zijn advocaat voerden verweer tegen de machtiging, stellende dat observatie en diagnostiek ook vrijwillig mogelijk zouden zijn en dat de zorgmachtiging niet bedoeld is voor observatie. Tevens werd betoogd dat betrokkene wilsbekwaam is en dat het beeld van zijn gedrag onjuist is. De rechtbank achtte deze verweren onvoldoende, mede vanwege het ontbreken van ziekte-inzicht en het gevaarlijke gedrag van betrokkene.

In cassatie werd aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende had vastgesteld welke stoornis de basis vormde voor de machtiging en dat niet aan de algemene uitgangspunten van de Wvggz was voldaan. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank met voldoende zekerheid heeft vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis en dat de zorgmachtiging ook kan worden verleend om binnen de verplichte zorg de meest effectieve behandeling te bepalen, inclusief observatie en diagnostiek.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat vrijwillige zorg niet haalbaar was en dat het wilsbekwaam verzet niet doorslaggevend is gezien het ernstig nadeel en gevaar voor betrokkene en anderen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verlening van de zorgmachtiging voor betrokkene.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02025
Zitting29 juli 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene]
verzoeker in cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
Officier van Justitie in het Arrondissementsparket Limburg,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze zaak heeft de rechtbank aangenomen dat er sprake is van een psychische stoornis bij betrokkene. Volgens betrokkene is de zorgmachtiging alleen bedoeld om door middel van observatie en diagnostiek zicht te krijgen op wat aan zijn gedrag ten grondslag ligt ten einde meer adequate hulp en verandering te kunnen bewerkstelligen, terwijl een dergelijke observatiemachtiging op grond van de Wvggz niet mogelijk is. Ook heeft de rechtbank niet de algemene uitgangspunten van artikel 2:1 Wvggz Pro (effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit) in acht genomen, omdat vrijwillige zorg nog mogelijk was.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van de rechtbank Limburg, zittingsplaats: Maastricht, (hierna: de rechtbank) op 11 februari 2022, is door de officier van justitie een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor de duur van zes maanden ten aanzien van betrokkene verzocht.
1.2
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [de psychiater] d.d. 7 februari 2022;
- het zorgplan d.d. 26 januari 2022;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur;
- het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 januari 2022;
- het informatierapport CM/ZM met politiegegevens d.d. 13 januari 2022;
- een uittreksel uit het curatele- en bewindregister d.d. 13 januari 2022.
1.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 maart 2022 door middel van telehoren. De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat,
- [de verpleegkundig specialist] ,
- [de mentor] .
1.4
De officier van justitie is niet gehoord.
1.5
Bij beschikking d.d. 2 maart 2022 heeft de rechtbank de verzochte machtiging voor de duur van zes maanden verleend voor de vormen van verplichte zorg zoals genoemd in het dictum. De rechtbank heeft daartoe - voor zover relevant in cassatie - als volgt overwogen.
“2.2. Op grond van artikel 5:17 Wvggz Pro in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 6:4 Wvggz Pro verleent de rechter een zorgmachtiging indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:3 Wvggz Pro en het doel van verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:4 Wvggz Pro, onderdelen b tot en met e. De rechter neemt hierbij de algemene uitgangspunten van artikel 2:1 Wvggz Pro in acht.
2.3. Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, gepaard gaand met zwakbegaafdheid en middelenafhankelijkheid.
2.4. Het gedrag van betrokkene als gevolg van deze stoornis leidt tot ernstig nadeel als bedoeld in artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
  • levensgevaar;
  • ernstig lichamelijk letsel;
  • ernstige materiële schade;
  • ernstige verwaarlozing;
  • maatschappelijke teloorgang;
  • de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
  • de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
  • Bij betrokkene is sprake van persoonlijkheidspathologie, zich met name uitend in narcistische en antisociale trekken, en zwakbegaafdheid. Betrokkene is niet in staat zich staand te houden in de maatschappij en raakt snel overvraagd. Hij kan geen relaties of werk behouden en komt telkens met derden in conflict. Daarnaast is er een patroon zichtbaar waarbij betrokkene telkens gevaarlijke situaties veroorzaakt, bijvoorbeeld door het stichten van brand, het openzetten van de kraan, het verstoppen van de wc en het gooien van water op een stopcontact of een computer. Betrokkene heeft geen inzicht in het gevaar dat dergelijk handelen met zich meebrengt en kan zijn eigen aandeel in het ontstaan van dergelijke situaties ook niet inzien. Het gedrag van betrokkene heeft tot gevolg dat hij regelmatig niet wordt toegelaten tot de daklozenopvang en dan gaat zwerven. Bovendien is het middelengebruik in combinatie met het niet adequaat innemen van de cardiale medicatie zeer zorgelijk.
  • Ter zitting heeft de verpleegkundig specialist aanvullend naar voren gebracht dat al jarenlang zorgen bestaan over het bizarre en extreem onbegeleidbare gedrag van betrokkene, maar het telkens niet lukt om op ambulante basis zicht daarop te krijgen. De bedoeling is dat betrokkene zal worden opgenomen op de transforensische afdeling van Radix zodat- nadat betrokkene gestabiliseerd en abstinent is van middelen - observatie en diagnostiek verricht kan worden. Mogelijk is sprake van niet aangeboren hersenletsel.
2.5. De advocaat heeft namens betrokkene verzocht het verzoek af te wijzen. Zij heeft met betrokkene gesproken en volgens betrokkene is het beeld dat van hem geschetst wordt onjuist. Hij veroorzaakt geen wateroverlast en sticht geen brandjes. Betrokkene heeft weliswaar enkele keren een vuurtje gemaakt, maar dat was om buiten warm te kunnen blijven als hij niet bij het Leger des Heils kon verblijven. Betrokkene heeft zich altijd keurig aan de afspraken gehouden, terwijl het Leger des Heils de afspraken die gemaakt zijn over het verstrekken van de cardiale medicatie aan betrokkene niet nakomt. Betrokkene is prima in staat zelf zijn cardiale medicatie in beheer te houden en wil dit ook zelf doen. Betrokkene gebruikt bovendien slechts beperkt speed. Er wordt nu gesteld dat een zorgmachtiging nodig is om zicht te kunnen krijgen op wat precies het toestandsbeeld van betrokkene is, maar daarvoor is een zorgmachtiging niet bedoeld. Er is bovendien geen sprake van levensgevaar of een risico voor de veiligheid van anderen. Betrokkene is wilsbekwaam en een zorgmachtiging is niet nodig.
Betrokkene heeft in aanvulling op zijn advocaat nog naar voren gebracht dat alles een grote leugen is. Hij heeft binnen geen brand gesticht en heeft ook niet bewust melk in het stopcontact gegooid. Van middelengebruik is geen sprake en betrokkene wil best meewerken aan UC’s om dat te bewijzen. Betrokkene heeft van het Leger des Heils nooit begeleiding gekregen. Integendeel, hij wordt aan zijn lot over gelaten. Het enige dat betrokkene nodig heeft is rust, maar zelfs dat krijgt hij niet. Wat de mentor zegt is gelogen.
De mentor heeft naar voren gebracht dat ze vrij intensief contact heeft met betrokkene en de beschreven zorgen erkent. Betrokkene is al lange tijd geprioriteerd bij het veiligheidshuis vanwege de ernstige zorgen die er over hem zijn, zowel lichamelijk als geestelijk. Het is voor betrokkene niet mogelijk, om welke reden dan ook, om de verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen leven. De mentor betwijfelt dan ook of betrokkene in staat is de cardiale medicatie zelf in beheer te houden. Er zijn bovendien wel degelijk incidenten geweest waarbij betrokkene bijvoorbeeld melk in het stopcontact heeft gegooid en van zijn kamer een soort bouwplaats heeft gemaakt. Ook gebruikt betrokkene middelen. Twee weken geleden heeft de mentor immers nog speed op zijn kamer zien liggen. Het is van belang dat duidelijk wordt wat het gedrag van betrokkene veroorzaakt.
2.6. Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheidszorg te stabiliseren, heeft betrokkene zorg nodig.
2.7. Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Vanuit ontbrekend ziektebesef en -inzicht ziet betrokkene de ernst van zijn problematiek niet in, hetgeen ook ter zitting gebleken is. Betrokkene vindt dat hij geen hulp nodig heeft en ontkent stellig het in de medische stukken geschetste beeld. Ambulant is reeds langdurig geprobeerd betrokkene de benodigde zorg te bieden, maar dat is niet haalbaar gebleken. Anders dan de advocaat en betrokkene is de rechtbank dan ook van oordeel dat op dit moment alleen door middel van observatie en diagnostiek zicht kan komen op wat aan het gedrag van betrokkene ten grondslag ligt teneinde meer adequate hulp en verandering te kunnen bewerkstelligen. Verplichte zorg is derhalve noodzakelijk.
(…)
2.9. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.10. De voorgestelde verplichte zorg is, gelet op de beoogde doelen, evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.11. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de verzochte duur van zes maanden, aldus tot en met uiterlijk 2 september 2022.”
1.6
Namens betrokkene is - tijdig [1] - cassatie ingesteld van voormelde beschikking. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het middel bestaat uit twee onderdelen die in vier subonderdelen zijn uitgewerkt en door mij als volgt worden samengevat (waarbij ik enigszins word beperkt doordat het middel niet uitblinkt in duidelijkheid).
2.2
In subonderdeel 1.1 verwijst het middel onder meer [2] naar de verklaring van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan/behandelplan dat diagnostiek of er sprake is van niet aangeboren hersenletsel problematiek, wat zich mogelijk uit in een uitgebreide cognitieve problematiek, in een vrijwillige kader valt te proberen. [3] Daaropvolgend wordt door betrokkene de vraag gesteld waarom dat onderzoek op vrijwillige basis, zoals de zorgverantwoordelijke aangeeft, niet heeft plaatsgevonden, nu volgens artikel 2:1 lid 2 jo Pro. artikel 3:3 onder Pro a Wvggz verplichte zorg alleen als uiterste middel kan worden overwogen als er geen mogelijkheden voor vrijwillige zorg meer zijn.
2.3
Subonderdeel 1.2 klaagt over het oordeel in rov. 2.7 waarin de rechtbank overweegt dat door middel van observatie en diagnostiek zicht kan komen op wat aan het gedrag van betrokkene ten grondslag ligt teneinde meer adequate hulp en verandering te kunnen bewerkstelligen. Het middel merkt op dat bij de observatiemachtiging in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, de Wet Bopz (oud), de Hoge Raad op 15 december 2006 [4] heeft overwogen dat gelet op artikel 5 EVRM Pro een observatiemachtiging slechts aanvaardbaar is indien met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de betrokkene aan een stoornis van de geestvermogens lijdt: een vermoeden is onvoldoende. In de Wvggz is geen observatiemachtiging opgenomen en in het geval van betrokkene moet nog bepaald worden (door observatie en diagnostiek) of er een stoornis is en welke dan. Daarvoor is een zorgmachtiging niet bedoeld. De zorgmachtiging is ook verleend in strijd met art. 3:3 Wvggz Pro dat verplichte zorg als uiterste middel kan worden gegeven als nog observatie en diagnostiek nodig zijn om vast te stellen of er een stoornis is en zo ja welke, althans heeft de rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt wat voor stoornis de basis is voor een zorgmachtiging.
2.4
Subonderdeel 2.1klaagt dat rov. 2.2, 2.10-2.11 van de bestreden beschikking onjuist, althans onbegrijpelijk zijn. Het middel verwijst naar pagina 7, vraag 6d van het zorgplan/behandelplan, opgemaakt door de zorgverantwoordelijke, waarin - kort gezegd - wordt verklaard dat het uitgebreide dossier (vanaf 2006) niet wijst naar problematiek waar verplichte zorg effectief zou zijn of de problematiek duurzaam kan beïnvloeden. De doelen van verplichte zorg zijn beperkt tot het afwenden van ernstig nadeel en stabiliseren lichamelijke gezondheid, zodat de zorgverantwoordelijke van mening is dat voor andere doelen (afwenden van een crisissituatie, stabiliseren geestelijke gezondheid en herwinnen van autonomie) in verplicht kader niet aan de eisen van doelmatigheid en/of proportionaliteit wordt voldaan en het de vraag is of betrokkene in aanmerking komt voor verplichte zorg volgens de Wet zorg en dwang (Wzd). Het is volgens het middel onbegrijpelijk dat de rechtbank in de beoordeling volledig voorbij is gegaan aan de mening van de zorgverantwoordelijke.
2.5
Subonderdeel 2.2stelt dat de rechtbank in rov. 2.2. suggereert te voldoen aan alle eisen van de wet waaronder de algemene uitgangspunten van artikel 2:1 Wvggz Pro, maar dat naar de mening van verzoeker niet is voldaan aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg uit de Wvggz, waarbij het middel uit het proces-verbaal het standpunt van verzoeker en diens advocate citeert die in de kern erop neerkomen dat betrokkene bestrijdt dat er sprake is van levensgevaar en van een aanzienlijk risico voor anderen. Voorts zou er sprake zijn van wilsbekwaam verzet.
2.6
De subonderdelen, die ik zo samenvat dat 1) de rechtbank niet zou hebben vastgesteld of er een stoornis is en/of welke stoornis als basis voor de zorgmachtiging moet dienen nu er nog observatie en diagnostiek moet plaatsvinden en 2) dat niet voldaan is aan de eisen van art. 2:1 Wvggz Pro, mede omdat vrijwillige zorg nog mogelijk zou zijn (lid 1 en lid 2) en er sprake is van wilsbekwaam verzet (lid 6), kunnen gezamenlijk worden besproken.
2.7
De klachten missen feitelijke grondslag voor zover zij klagen dat de rechtbank niet duidelijk heeft gemaakt welke psychische stoornis als basis voor de zorgmachtiging moet dienen, althans dit niet door de rechtbank (duidelijk) is vastgesteld (
subonderdeel 1.2). De rechtbank is in rov. 2.3 immers tot het oordeel gekomen dat uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, gepaard gaand met zwakbegaafdheid en middelenafhankelijkheid. Dit oordeel is zonder voorbehoud gedaan, zodat met voldoende zekerheid vaststond dat er sprake is van een psychische stoornis. [5]
2.8
De onduidelijkheid waar het middel naar verwijst (
subonderdeel 1.2) en waarvoor observatie en diagnostiek nodig is, ziet - na bestudering van het dossier en de bestreden uitspraak - niet zo zeer op de vraag óf er sprake is van een geestelijke stoornis (rov. 2.3), maar op onderzoek naar de oorzaak van de geestelijke stoornis en welke behandeling betrokkene adequate hulp kan geven en verandering kan bewerkstellingen (rov 2.7). [6] Die vraag kan alleen beantwoord worden door opname van betrokkene (observatie) [7] en stabilisatie (zie rov. 2.4, laatste alinea). De onduidelijkheid over de psychiatrische kwalificatie, over de oorzaken van de psychische stoornis en over de behandeling hoeft de verlening van een zorgmachtiging niet in de weg te staan. [8] Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis waarin is overwogen dat in de medische verklaring moet worden ingegaan op de symptomen en,
zo mogelijk, een diagnose moet worden gesteld. Een (definitieve) diagnose is niet altijd direct te stellen [9] en vergt vaak - na opname - nadere observatie en stabilisatie van betrokkene. De zorgmachtiging is er dan ook om binnen de kaders van de toegewezen vormen van verplichte zorg in kaart te brengen wat voor betrokkene de meest effectieve behandeling kan zijn om het ernstig nadeel als gevolg van zijn psychische stoornis af te wenden, waarbij stabilisatie van de geestelijke of fysieke gezondheid op grond van art. 3:4 sub c en Pro e Wvggz op zichzelf ook het doel van de verplichte zorg kan zijn. De onduidelijkheid over de mogelijke effectiviteit van een behandeling voor betrokkene brengt niet met zich mee ex art. 3:3 sub d Wvggz Pro dat redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg (in het geheel) niet effectief zal. Een persoon met een geestesstoornis kan overigens ook worden opgenomen als geen plan voor zijn (medische) behandeling aanwezig is wanneer hiermee zijn veiligheid of die van anderen verzekerd kan worden. [10]
2.9
De rechtbank heeft ook niet onbegrijpelijk het oordeel van de onafhankelijke psychiater gevolgd dat er sprake is van een psychische stoornis waaruit ernstig nadeel voortvloeit (rov. 2.3 en 2.4). [11] Het is aan de rechtbank als feitenrechter voorbehouden welke waardering wordt gegeven aan de verklaringen van de verschillende partijen bij de verlening van de zorgmachtiging. Die vrijheid in de feitelijke afweging van de rechter brengt met zich mee dat - anders dan het middel stelt - de rechtbank ook niet in hoeft te gaan op elke verklaring die andersluidend is dan het oordeel, zoals de mening van de zorgverantwoordelijke (
subonderdeel 2.1) [12] , die overigens op p. 7 van het zorgplan heeft aangekruist dat is voldaan aan alle criteria voor verplichte zorg en dat de doelen van verplichte zorg zijn het afwenden van ernstig nadeel en het stabiliseren lichamelijke gezondheid. Het oordeel van de rechtbank dat aan de vereisten van artikel 2:1 Wvggz Pro wordt voldaan (rov. 2.2 en 2.10), waaronder ook vallen effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit van de verplichte zorg, kon mijns inziens op basis van de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting worden gedragen en is geenszins onbegrijpelijk. Dat een andere feitelijke beoordeling mogelijk was op basis van een opmerking van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan/behandelplan, maakt het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist.
2.1
Dit geldt ook voor het oordeel in rov. 2.7 dat verplichte zorg noodzakelijk is en zorg niet (meer) op vrijwillige basis kon worden gegeven (
subonderdeel 1.1). De enkele stelling dat betrokkene bereid is zich vrijwillig te behandelen (door bijv. medicatie zelf te beheren), of dat diagnostiek ‘valt te proberen in een vrijwillige kader’ volgens de zorgverantwoordelijke [13] betekent niet automatisch dat niet aan de voorwaarden voor verplichte zorg zijn voldaan. De rechter moet ook de overtuiging hebben dat deze bereidheid er daadwerkelijk is en dat vrijwillige zorg nog mogelijk is. Het is een aan de feitenrechter voorbehouden afweging of die overtuiging er is en het oordeel van de rechtbank is in deze niet onbegrijpelijk nu reeds (zonder succes) langdurig is geprobeerd betrokkene ambulant zorg te geven. [14]
2.11
Voor zover in
subonderdeel 2.2ook een beroep op wilsbekwaam verzet wordt gedaan - het onderdeel bestaat uit enkele citaten en de opmerking dat niet aan de algemene uitgangspunten van art. 2:1 Wvggz Pro is voldaan - geldt het volgende.
2.12
Als de betrokkene een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid 6 sub b Wvggz Pro [15] zich niet voordoen, dient de rechter te beoordelen of betrokkene wilsbekwaam is. Het uitgangpunt is dat wilsbekwaam verzet tegen een vorm van verplichte zorg in beginsel dient te worden gehonoreerd. Uit de bestreden uitspraak en het proces-verbaal blijkt dat betrokkene en diens advocate geen (concrete) bezwaren hebben tegen het toedienen van medicatie (in het algemeen), maar enkel bezwaar hebben tegen de wijze waarop en door wie zijn cardiale medicatie wordt toegediend. Dat is mijns inziens geen voldoende toegelicht bezwaar tegen de voorgestelde vorm van verplichte zorg (toedienen van medicatie). [16] Daarnaast heeft de psychische stoornis van betrokkene op grond van rov. 2.4 niet alleen onmiddellijk dreigend ernstig nadeel voor betrokkene zelf tot gevolg, maar ook voor anderen door de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Er is een patroon zichtbaar waarbij betrokkene telkens gevaarlijke situaties veroorzaakt, bijvoorbeeld door het stichten van brand, het openzetten van de kraan, het verstoppen van de wc en het gooien van water op een stopcontact of een computer. De beoordeling van wilsbekwaam verzet was dus niet aan de orde nu een situatie als bedoeld in art. 2:1 lid 6 sub b Wvggz Pro zich voordoet.
2.13
De slotsom is dat de klachten in de subonderdelen
1.1,1.2, 2.1en
2.2niet slagen.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De procesinleiding is binnen de termijn van drie maanden ex art. 426 lid 1 Rv Pro op 2 juni 2022 via het webportaal ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
2.Het middel citeert ook rov. 2.5 en een aantal andere onderdelen uit het procesdossier, zoals het proces-verbaal van de zitting, de politiemutatie van 21 december 2021 en het zorgplan/behandelplan d.d. 26 januari 2022, p. 7 en maakt daarbij terzijde de opmerking - die in onduidelijk verband staat met de klacht in de laatste alinea van subonderdeel 1.1 - dat verzoeker overdag kennelijk niet meer bij het Leger des Heils mag komen (vanwege eerdere brandstichtingen om ‘warm’ te blijven buiten) en het de vraag is hoe het Leger des Heils de cardiale medicatie van betrokkene regelt.
3.Zorgplan/behandelplan d.d. 26 januari 2022, p. 7-8.
4.De steller van het middel verwijst naar Hoge Raad 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1112,
5.Een persoonlijkheidsstoornis kan ook ten grondslag worden gelegd aan vrijheidsbeneming als deze stoornis de gevaarvolle daden van betrokkene overwegend beheerst. Zie Hoge Raad 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1047 en mijn conclusie voor die uitspraak (ECLI:NL:PHR:2019:555), onder 2.10.
6.Zoals de verpleegkundig specialist ter zitting verklaart: “(…) We kunnen niet verklaren waarom zijn gedrag zo bizar en onbegeleidbaar is. (…) We willen eerst eens observeren hoe hij is als hij middelenvrij is en dan somatisch en diagnostisch goed screenen. Kijken of er sprake is van niet aangeboren hersenletsel en wat haalbaar voor hem is voor de toekomst.” Zie het proces-verbaal van de zitting d.d. 2 maart 2022, p. 3.
7.Het oorspronkelijke wetsvoorstel Wvggz bevatte ook een zorgmachtiging met als hoofdzakelijke doel observatie, de ‘observatiemaatregel’, in verband waarmee als doel van verplichte zorg ook zou kunnen gelden ‘onderzoek naar de geestelijke gezondheid van betrokkene uit te voeren’. De Tweede Kamer verzette zich tegen deze maatregel, welke vervolgens ook geen onderdeel is gaan uitmaken van de Wvggz. Zie W.J.A.M. Dijkers,
8.Vgl. onder 2.20 de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2021:399) voor Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1149 (afgedaan met 81 lid 1 RO).
9.MvT,
10.Dit volgt uit de EHRM-uitspraak N. v. Romania, 28 november 2017, Application no. 59152/08, § 151: “It also reiterates that although Article 5 § 1 (e) authorises the confinement of a mentally disordered person even in the absence of plans to provide him with medical treatment (see Hutchison Reid § 52), such a measure must nevertheless be duly justified by the seriousness of the person’s state of health so as to ensure his own protection or the protection of others.” Zie ook Hoge Raad 28 juni 2019 ECLI:NL:HR:2019:1047 (afgedaan met 81 lid 1 RO) en mijn conclusie voor deze uitspraak (ECLI:NL:PHR:2019:555), onder 2.5-2.11.
11.Zie de medische verklaring d.d. 7 februari 2022, vraag 4 d-g.
12.Zie ook het zorgplan/behandelplan, p. 3, 7-8. De zorgverantwoordelijke verklaart ook dat betrokkene sinds 2015 dakloos is. Er is een geschiedenis van problemen op verschillende voorzieningen van beschermd/begeleid wonen en sociale opgang wegens opstandigheid (niet meewerken aan begeleiding of behandeling) en overlast. Er blijkt sprake te zijn van psychiatrische stoornis, ernstige nadeel en mogelijk causale verband. Meerdere instanties hebben betrokkene geprobeerd te motiveren tot vrijwillig behandeling zonder succes. De inspanning van deze instanties (o.a. mentorschap, bewindvoering, maatschappelijke opvang, bemoeizorg, huisarts) blijken onvoldoende om ernstige nadeel af te kunnen wenden. Andere instanties (mentor, begeleiders, gemeente) weten niet meer wat ze moeten doen. Betrokkene laat zich niet begeleiden. Een gedwongen opname binnen de GGZ wordt bedacht als een ultimum remedium.
13.Zie het zorgplan/behandelplan d.d. 26 januari 2022, p. 7.
14.Zie W.J.A.M. Dijkers,
15.Art. 2:1 lid 6 sub b Wvggz Pro: “acuut levensgevaar voor de betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.”
16.Hoge Raad 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:123, rov. 3.1.2 - 3.1.5.