Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of aan de vereiste van artikel 6:5 onder Pro c Wvggz is voldaan, namelijk dat betrokkene ten minste vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg heeft ontvangen om een zorgmachtiging voor twee jaar te kunnen verlenen. Betrokkene verbleef sinds mei 2014 ononderbroken in zorg op grond van opeenvolgende machtigingen onder de Wet Bopz en later de Wvggz.
De rechtbank verleende een zorgmachtiging voor twee jaar, ondanks dat het behandelteam slechts een machtiging voor één jaar had gevraagd. De officier van justitie stelde dat door de doorwerking van machtigingen onder de Wet Bopz geen onderbreking bestond in de aaneengesloten zorg, waardoor de wettelijke vereisten waren vervuld.
De Hoge Raad bevestigde dat de doorwerking van machtigingen onder de Wet Bopz voorkomt dat er sprake is van een onderbreking in de verplichte zorg, ook als verzoeken niet exact tijdig worden ingediend. De zorgmachtiging voor twee jaar is daarom rechtmatig. De rechtbank motiveerde dat de langere duur ook noodzakelijk is om medicamenteuze behandeling en begeleid wonen te faciliteren, gezien het ontbreken van ziekte-inzicht en het risico op middelengebruik en verwaarlozing.
Het cassatieberoep van betrokkene werd verworpen, waarmee de zorgmachtiging voor twee jaar gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging voor twee jaar blijft gehandhaafd.