ECLI:NL:PHR:2022:729

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juli 2022
Publicatiedatum
29 juli 2022
Zaaknummer
22/02290
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 WvggzArt. 20 Wet BopzArt. 17 Wet BopzArt. 48 lid 1 onder b Wet BopzArt. 9 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid zorgmachtiging voor twee jaar bij aaneengesloten verplichte zorg

In deze zaak staat centraal of aan de vereiste van artikel 6:5 onder Pro c Wvggz is voldaan, namelijk dat betrokkene ten minste vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg heeft ontvangen om een zorgmachtiging voor twee jaar te kunnen verlenen. Betrokkene verbleef sinds mei 2014 ononderbroken in zorg op grond van opeenvolgende machtigingen onder de Wet Bopz en later de Wvggz.

De rechtbank verleende een zorgmachtiging voor twee jaar, ondanks dat het behandelteam slechts een machtiging voor één jaar had gevraagd. De officier van justitie stelde dat door de doorwerking van machtigingen onder de Wet Bopz geen onderbreking bestond in de aaneengesloten zorg, waardoor de wettelijke vereisten waren vervuld.

De Hoge Raad bevestigde dat de doorwerking van machtigingen onder de Wet Bopz voorkomt dat er sprake is van een onderbreking in de verplichte zorg, ook als verzoeken niet exact tijdig worden ingediend. De zorgmachtiging voor twee jaar is daarom rechtmatig. De rechtbank motiveerde dat de langere duur ook noodzakelijk is om medicamenteuze behandeling en begeleid wonen te faciliteren, gezien het ontbreken van ziekte-inzicht en het risico op middelengebruik en verwaarlozing.

Het cassatieberoep van betrokkene werd verworpen, waarmee de zorgmachtiging voor twee jaar gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging voor twee jaar blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02290
Zitting29 juli 2022
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissement Oost-Nederland,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als betrokkene respectievelijk officier van justitie

1.Inleiding en samenvatting

In deze Wvggz-zaak, waarin de rechtbank een zorgmachtiging heeft afgegeven voor twee jaar, gaat het om de vraag of voldaan is aan het vereiste van art. 6:5 onder Pro c Wvggz, dat aan betrokkene ten minste de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg is verleend. Daarnaast klaagt het middel dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank een machtiging voor twee jaar heeft verleend nu het behandelteam een zorgmachtiging voor een jaar heeft verzocht.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Op 20 mei 2014 heeft de burgemeester van de gemeente Enschede op de voet van art. 20 Wet Pro bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) de last gegeven betrokkene in bewaring te stellen. Bij beschikking van 22 mei 2014 heeft de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend voor de duur van drie weken. Sindsdien verblijft betrokkene op een locatie van Mediant geestelijke gezondheidszorg.
2.2
Om het verblijf van betrokkene te doen voortduren heeft de officier van justitie verzocht tot het verlenen van een voorlopige machtiging. Bij beschikking van 25 juni 2014 heeft de rechtbank deze machtiging verleend voor de duur van zes maanden. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 9 december 2014, 17 december 2015, 25 november 2016, 17 november 2018, 9 november 2018 en 13 november 2019 een machtiging tot voortgezet verblijf verleend steeds voor de duur van een jaar.
2.3
Bij beschikking van 16 oktober 2020 en 9 april 2021 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend. De laatste machtiging is verleend tot uiterlijk 9 april 2022.
2.4
Bij verzoekschrift van 7 maart 2022, op dezelfde dag ingekomen ter griffie van de rechtbank Overijssel, heeft de officier van justitie verzocht een aansluitende zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen. Bij dat verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd die op 1 maart 2022 is ondertekend door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. De officier van justitie heeft voorgesteld – voor de gehele looptijd van de te verlenen machtiging – daarin de vormen van verplichte zorg op te nemen zoals in het verzoekschrift opgenomen. In het verzoekschrift heeft de officier van justitie ten aanzien van de duur van de te verlenen machtiging het volgende verzocht:
“Duur zorgmachtiging
De officier van justitie is van mening dat er een zorgmachtiging verleend kan worden voor de duur van twee jaar op grond van artikel 6:5 onder Pro c Wvggz. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat het gaat om een aansluitende zorgmachtiging. In casu is dit het geval. De huidige aanvraag betreft immers een verzoek voor een zorgmachtiging in aansluiting op een zorgmachtiging. Daarnaast vereist artikel 6:5 onder Pro c Wvggz dat aan betrokkene ten minste de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg is verleend. Betrokkene is sinds 22 mei 2014 aaneengesloten in zorg. Hiermee is ruimschoots voldaan aan dit vereiste.
Uit het historisch overzicht valt echter af te leiden dat tussen de machtiging lopend van 9 november 2018 tot en met 9 november 2019 en de machtiging lopend van 13 november 2019 tot en met 13 november 2020 een onderbreking zit. De laatst genoemde machtiging is echter op 24 oktober 2019 ingediend. Ook tussen de machtiging lopend van 9 december 2014 tot en met 9 december 2015 en de machtiging lopend van 17 december 2015 tot en met 9 december 2016 zou een onderbreking zitten. De laatstgenoemde machtiging is echter op 27 november 2015 ingediend.
Bij iedere machtiging is aldus sprake van doorwerking onder de Wet BOPZ. Gelet op het voorgaande verzoekt de officier van justitie om op grond van artikel 6:5 onder Pro c Wvggz een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar te verlenen.”
2.5
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 maart 2022. Gehoord zijn: de advocaat van betrokkene; de verpleegkundig specialist, de behandelaar en de curator van betrokkene. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen (rov. 1.7).
2.6
Bij (mondelinge) beschikking van 21 maart 2022 [1] heeft de rechtbank Overijssel een zorgmachtiging verleend voor de verzochte vormen van verplichte zorg tot en met uiterlijk 21 maart 2024. Ten aanzien van de duur van de machtiging heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Hoewel in het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur wordt gesproken over een zorgmachtiging voor de duur van een jaar is de officier van justitie van mening dat er een zorgmachtiging verleend kan worden voor de duur van twee jaar. Het gaat om een aansluitende zorgmachtiging en er is aan betrokkene ten minste in de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg verleend. Bij iedere machtiging is sprake van doorwerking onder de Wet BOPZ. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twee jaar. De verpleegkundig specialist heeft ter zitting toegelicht dat de duur van twee jaar in beginsel wellicht te lang zou zijn vanwege het geschetste dilemma. Echter geeft een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar ook de mogelijkheid om onder andere de medicamenteuze behandeling te faciliteren wanneer betrokkene eventueel bij Paradijsvogels zou komen te wonen. Daarbij is de situatie onveranderd en lijkt er ook geen zicht op verbetering te zijn.”
2.7
Namens betrokkene is – tijdig [2] – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte een zorgmachtiging heeft verleend voor de duur van twee jaar als bedoeld in art. 6:5 onder Pro c Wvggz hoewel aan betrokkene niet gedurende tenminste de afgelopen vijf jaar aaneengesloten verplichte zorg is verleend. Volgens het middel heeft de rechtbank dan ook gehandeld in strijd met de wet, althans onvoldoende gemotiveerd waarom de rechtbank in strijd met de wet zou kunnen dan wel mogen beslissen. Daarnaast betoogt het middel dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de officier van justitie in zijn verzoek volgt ondanks het feit dat zowel de geneesheer-directeur als de zorgverantwoordelijke een aansluitende machtiging voor de duur van één jaar hebben gevraagd.
3.2
Art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor twee jaar, indien het een aansluitende zorgmachtiging betreft voor een persoon die gedurende de afgelopen vijf jaar 1°) verplichte zorg heeft ontvangen, 2°) opgenomen is geweest, respectievelijk zorg heeft ontvangen op grond van een eerder afgegeven machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling of rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz (oud), of 3°) is geplaatst op grond van art. 37 lid Pro 1 (oud) Wetboek van Strafrecht.
3.3
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:835 over de onderbreking van de periode van vijf jaar van art. 6:5 aanhef Pro en onder c Wvggz het volgende geoordeeld:
‘3.2 (…) Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij de berekening van de periode dat de betrokkene gedwongen zorg heeft ontvangen, gaat om een aaneengesloten periode. Dat betekent dat de rechter ten aanzien van de betrokkene alleen dan een aansluitende zorgmachtiging voor twee jaar kan verlenen als de betrokkene gedurende de afgelopen vijf jaar aaneengesloten gedwongen zorg heeft ontvangen op grond van de Wvggz, de Wet Bopz (oud) of art. 37 (oud) Wetboek van Strafrecht.
3.3 De omstandigheid dat de Wvggz voorziet in zorg die tegen de wil van een persoon kan worden verleend, brengt mee dat art. 6:5, onder c, Wvggz strikt moet worden toegepast. Dit betekent dat een onderbreking in de voorafgaande periode van vijf jaar gedwongen zorg, hoe gering ook, ertoe leidt dat niet is voldaan aan de vijfjaarseis die art. 6:5, onder c, Wvggz stelt voor het verlenen van een zorgmachtiging voor twee jaar.”
3.4
In de onderhavige zaak wordt de vraag gesteld of sprake is van aaneengesloten zorg aangezien bij beschikking van 9 november 2018 een machtiging tot voortgezet verblijf is verleend voor de duur van een jaar na dagtekening van die beschikking, zijnde 9 november 2019, en de daarop volgende machtiging bij beschikking van 13 november 2019 is verleend.
3.5
In mijn conclusie van 8 april 2022 [3] heb ik de regeling van de opeenvolgende machtigingen in de Wet Bopz uiteengezet. [4] Ik herhaal nog even de hoofdpunten. Hoewel in de Wet Bopz geregeld was dat de termijnen van de vrijheidsbeneming keurig op elkaar aansloten, werd een machtiging tot voortgezet verblijf, zoals vereist in art. 17 Wet Pro Bopz, door de officier van justitie vaak niet al tijdens de zesde of de vijfde week vóór het einde van de geldigheidsduur van de lopende rechterlijke machtiging verzocht. Hierdoor lag er vaak niet al een nieuwe beslissing van de rechter vóórdat de geldigheidsduur van de lopende machtiging was verstreken. De wetgever heeft de rechtsbescherming tegen te laat ingediende verzoeken gezocht in het tijdstip waarop de geneesheer-directeur de betrokkene ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis moest verlenen.
3.6
Art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz omschrijft de gevallen waarin de geneesheer-directeur aan de betrokkene ontslag uit het ziekenhuis verleende. Uit deze bepaling volgt dat indien vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging bij de rechtbank een verzoek was ingediend tot het verlenen van een aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf, de betrokken patiënt onvrijwillig in het ziekenhuis opgenomen kon blijven gedurende de beslistermijn van vier weken [5] ; deze termijn wordt blijkens art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz gerekend vanaf de datum waarop het verzoekschrift is ingediend.
3.7
Indien de officier van justitie het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf indiende later dan in de zesde of vijfde week maar nog wel vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstreek, had de lopende machtiging een zekere 'nawerking':
3.8
Indien de geldigheidsduur van de lopende machtiging eindigde zonder dat de officier van justitie bij de rechtbank een verzoek had ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf, bepaalde art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz dat de geneesheer-directeur aan de betrokken patiënt (terstond) ontslag uit het ziekenhuis verleende, tenzij voortzetting van het verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis als vrijwillig patiënt gewenst is en betrokkene blijk gaf van de nodige bereidheid daartoe. In dat geval had de eerder verleende machtiging geen ‘nawerking’. Nadat ontslag uit het ziekenhuis was verleend kon bij gewijzigde omstandigheden, zo nodig, opnieuw een last tot inbewaringstelling worden gegeven of opnieuw een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging (art. 2 Wet Pro Bopz) worden ingediend.
3.9
In de onderhavige zaak zijn bij beschikking van 22 mei 2014, 25 juni 2014, 9 december 2014, 17 december 2015, 25 november 2016, 17 november 2017, 9 november 2018 en 13 november 2019 machtigingen verleend onder de werking van de Wet Bopz. Vervolgens zijn bij beschikking van 16 oktober 2020 en 9 april 2021 zorgmachtigingen verleend op grond van de Wvggz. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt zijn de machtigingen die afgegeven zijn in 2014 en 2015 niet relevant voor de beschikking van 21 maart 2022. Art. 6:5, aanhef en onder c, Wvggz kijkt immers terug naar de afgelopen vijf jaar. In cassatie is dus enkel van belang of betrokkene vanaf 21 maart 2017 aaneengesloten verplichte zorg heeft ontvangen.
3.1
Bij beschikking van 25 november 2016 is een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van een jaar na dagtekening van de beschikking, zijnde 25 november 2017. Bij beschikking van 17 november 2017, dus vóór expiratie van de lopende machtiging, heeft de rechtbank een aansluitende machtiging verleend voor de duur van een jaar. Ook de daaropvolgende machtiging, gegeven bij beschikking van 9 november 2018, is verleend vóór het verstrijken van de termijn van de lopende machtiging.
3.11
Op 24 oktober 2019 heeft de officier van justitie wederom verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen voor de duur van een jaar. De daaraan voorafgaande machtiging was verleend tot en met 9 november 2019. Het verzoekschrift is dus ingediend vóór het verstrijken van de lopende machtiging. Bij beschikking van 13 november 2019 heeft de rechtbank op dit verzoek beslist en een machtiging verleend voor de duur van een jaar na dagtekening van de beschikking. De rechtbank heeft conform art. 9 lid 1 Wet Pro Bopz in samenhang met art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz binnen drie weken op het verzoek beslist. De machtiging liep volgens de beschikking van 9 november 2018 af op 9 november 2019, maar zoals hiervoor reeds opgemerkt kon de vrijheidsbeneming in het psychiatrisch ziekenhuis op de grondslag van de voorafgaande machtiging worden voortgezet totdat de rechter definitief had beslist op het verzoek om een daarop aansluitende machtiging tot voortgezet verblijf. Dit betekent dat op het moment van de beschikking van 13 november 2019 de voorafgaande machtiging nog werking had. Anders dan de steller van het middel dan ook betoogt is er van een onderbreking van gedwongen zorg geen sprake. Het middel faalt in zoverre dan ook.
3.12
Daarnaast klaagt het middel over de motivering van de rechtbank om een machtiging van twee jaar te verlenen nu uit de bevindingen van de geneesheer-directeur en de zorgplan van de zorgverantwoordelijke blijkt dat om een zorgmachtiging van een jaar wordt gevraagd. De officier van justitie heeft echter reden gezien om een machtiging voor twee jaar te vragen aangezien betrokkene al sinds 2014 via machtigingen in beeld is. De rechtbank heeft deze machtiging verleend en daartoe overwogen:
“Echter geeft een zorgmachtiging voor de duur van twee jaar ook de mogelijkheid om onder andere de medicamenteuze behandeling te faciliteren wanneer betrokkene eventueel bij Paradijsvogels zou komen te wonen, Daarbij is de situatie onveranderd en lijkt er ook geen zicht op verbetering te zijn.”
3.13
Dit oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de volgende stukken en het verhandelde ter zitting. Uit de medische verklaring volgt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en middelgerelateerde en verslavingsstoornissen (rubriek 4). Uit deze psychische stoornis vloeit ernstig nadeel voort (rubriek 6). Het ontbreekt betrokkene aan ziekte-inzicht en -besef. Ter zitting heeft de verpleegkundig specialist aangegeven dat betrokkene volledig zijn eigen gang gaat en dat het niet lukt om met hem in samenwerking te komen betreffende de behandeling. Op de vraag of een zorgmachtiging nodig is, heeft de verpleegkundig specialist ter zitting opgemerkt:
“Het geeft een basale ondergrens. Betrokkene heeft namelijk geen ziektebesef of -inzicht.
Wanneer er geen zorgmachtiging meer is dan verdwijnt hij echt. Dan neemt hij geen
medicatie en zal er sprake zijn middelengebruik. Ook ligt verwaarlozing op de loer. Er wordt
aan betrokkene structuur geboden. Het minimum is hier. We komen echter niet in
samenwerking met hem. Wat is wijsheid? Er is namelijk sprake van drugsgebruik en hij is
bekend in het dealen van middelen aan een kwetsbare groep hier. Er zijn voordelen en
nadelen. We zijn aan het kijken naar een begeleide woonvorm, maar hij is daar zelf niet
actief in. Het middelengebruik zit hem ook in de weg.
Er zijn wel opties voor wat betreft beschermd wonen. Bij de Paradijsvogelwoningen wordt
middelengebruik gedoogd. Daarvoor is een zorgmachtiging een vangnet.”
3.14
Hieruit volgt dan ook dat een zorgmachtiging in elk geval nodig is om het ernstig nadeel te voorkomen. Ook indien betrokkene uitstroomt naar de Paradijsvogelwoningen, blijft de zorgmachtiging nodig om te zorgen dat betrokkene zijn medicatie blijft innemen. Uit het zorgplan blijkt (rubriek 3a) dat zonder medicatie de psychotische symptomen toenemen, hij steeds minder oog zal hebben voor zichzelf en zijn omgeving, mogelijk ook steeds meer drugs zal gaan gebruiken, waardoor maatschappelijke teloorgang op de loer ligt. In het licht daarvan faalt de klacht dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank een zorgmachtiging voor twee jaar heeft verleend.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 22 maart 2022.
2.De procesinleiding is op 21 juni 2022 ingediend.
4.Zie ook de conclusie van de voormalig plv. P-G Langemeijer van 12 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:264 en 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365.
5.De uitzondering van art. 48 lid 2 Wet Pro Bopz (verlenging beslistermijn in geval van verzoek om contra-expertise) is in deze zaak niet aan de orde. Indien een voorlopige machtiging wordt verzocht ten aanzien van een patiënt die al in het ziekenhuis verblijft, is de beslistermijn drie weken: art. 9 en Pro art. 31 Wet Pro Bopz.