Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iwordt geklaagd dat de aangehaalde overwegingen van de rechtbank omtrent het belang van betrokkene rechtens onjuist zijn, mede gelet op art. 5 EVRM Pro, althans onbegrijpelijk zijn. Het te respecteren belang van betrokkene was immers: dat hij niet zonder geldige titel van zijn vrijheid beroofd wordt gehouden. Ter toelichting op deze klacht is opgemerkt dat indien de officier van justitie overeenkomstig art. 6 lid 3 Wet Pro Bopz de geneesheer-directeur terstond op de hoogte zou hebben gesteld van de indiening van het verzoekschrift en van de datum waarop deze is geschied (één dag te laat), de geneesheer-directeur betrokkene uit het psychiatrisch ziekenhuis had moeten ontslaan, althans hem op de hoogte had moeten stellen van het feit dat hij vanaf dat moment vrijwillig in het ziekenhuis verblijft.
nietstrekt tot voortgezet verblijf;
voorlopige machtigingkan worden verleend in aansluiting op een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling of los daarvan (zie art. 2 Wet Pro Bopz). Een voorlopige machtiging heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening (art. 10 lid 4 Wet Pro Bopz) [6] . Indien het verzoek om een voorlopige machtiging betrekking heeft op een persoon die vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft (en blijk geeft zijn verblijf in het ziekenhuis te willen beëindigen [7] ), beslist de rechter binnen drie weken na indiening van het verzoekschrift [8] . Indien de betrokken persoon reeds onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft krachtens een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, wordt het verzoek om een aansluitende voorlopige machtiging door de officier van justitie ingediend vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van die machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ook dan geldt voor de rechter een beslistermijn van ten hoogste drie weken na het indienen van het verzoekschrift (art. 9 lid 1 in Pro verbinding met art. 31 lid 1 Wet Pro Bopz).
machtiging tot voortgezet verblijfkan worden verleend in aansluiting op een voorlopige machtiging of in aansluiting op een eerder verleende machtiging tot voortgezet verblijf [9] . Een machtiging tot voortgezet verblijf heeft een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening (art. 17 lid 3 Wet Pro Bopz [10] ). De officier van justitie behoort het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf in te dienen in de zesde of in de vijfde week vóór de datum waarop de lopende verblijfsmachtiging zal verstrijken. Vanaf de indiening van het verzoekschrift heeft de rechtbank een beslistermijn van ten hoogste vier weken (art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz). Indien deze termijnen worden nageleefd, ligt er dus een beslissing over het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf vóór de dag waarop de geldigheidsduur van de lopende machtiging verstrijkt. De patiëntenadministratie van een psychiatrisch ziekenhuis behoort zodanig te zijn ingericht dat in de zesde week vóór het verstrijken van de lopende machtiging de geneesheer-directeur een verklaring kan opmaken en aan de officier van justitie kan inzenden.
op de grondslag van de voorafgaande machtiging. Ik noem dit verschijnsel de ‘nawerking’ van de voorafgaande machtiging [11] .
op de grondslag van de voorafgaande machtigingtotdat de rechtbank heeft beslist [13] , met dien verstande dat de geneesheer-directeur met het nemen van het in art. 48, lid 1 onder b, bedoelde beslissing niet langer wacht wanneer de beslistermijn van vier weken is verstreken.
mutatis mutandishetzelfde als onder (i). De voorafgaande machtiging heeft op grond van art. 48 lid 1 Wet Pro Bopz nog vier weken ‘nawerking’ (exclusief de tijd voor een eventuele contra-expertise op verzoek van de betrokkene). Het onvrijwillig verblijf in het ziekenhuis wordt voortgezet
op de grondslag van de voorafgaande machtigingtotdat de rechtbank over het verzoek van de OvJ heeft beslist. Zodra de beslistermijn van vier weken is verstreken zonder dat de rechtbank een beslissing heeft genomen past de geneesheer-directeur art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz toe. Nadat de patiënt officieel door de geneesheer-directeur uit het psychiatrisch ziekenhuis is ontslagen, is er in de wettelijke systematiek geen plaats meer voor een machtiging tot voortgezet verblijf [14] .