De rijontzegging gaat in op de 21e dag na uitreiking van deze brief na 00:00 uur.’
(x) Een akte van uitreiking, waarop bij briefsoort staat vermeld ‘Mededeling Uitspraak’, bij parketnummer ’96-042051-20’, bij zitting ‘02 november 2020’, bij tijdstip ’10:00 uur’ en bij forum ‘kantonrechter’. Deze akte houdt in dat na een eerste poging op ’22-12, tijd 13.22’ de bezorger op 8 januari 2021 de brief heeft uitgereikt aan de geadresseerde. Het vakje bij ‘ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld’ is aangekruist en bij de naam en voorletters van de ontvanger staat vermeld: ‘[verdachte]’. De akte is onder ‘Ik heb de gerechtelijke brief in ontvangst genomen’ niet voorzien van een handtekening en onder ‘Soort + nummer legitimatie’ zijn geen gegevens ingevuld;
(xi) Een formulier ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ met parketnummer 96-042051-20 en naam [verdachte]. Daarop staat vermeld: ‘Van dit formulier wordt gebruik gemaakt als op de akte van uitreiking geen handtekening voor ontvangst is geplaatst’. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop ik mij heb vergewist van de identiteit van de ontvanger zoals bedoeld in art. 36h lid 1 onder d Sv’ is aangekruist: ‘Gevraagd naar zijn/haar naam gaf de ontvanger de naam van de geadresseerde op’. Daarbij is een streep gezet door ‘haar’. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden’ is aangekruist ‘Ik heb de gerechtelijke mededeling fysiek aan de ontvanger overhandigd’. De handtekening op de aanvulling en de handtekening van de bezorger op de akte vermeld onder (x) vertonen sterke gelijkenis; beide documenten zijn in het elektronisch dossier ook bij elkaar geplaatst. Ook de steller van het middel gaat ervanuit dat deze documenten bij elkaar horen;
(xii) Een akte van uitreiking, waarop bij briefsoort staat vermeld: ‘OBM’, bij parketnummer ’96-042051-20’, bij zitting ‘02 november 2020’, bij tijdstip ’10:00 uur’ en bij forum ‘kantonrechter’. Deze akte houdt in dat na twee eerdere pogingen de bezorger op 13 maart 2021 de brief heeft uitgereikt aan de geadresseerde. Het vakje bij ‘ik heb de brief uitgereikt en deze akte naar waarheid ingevuld’ is aangekruist en bij de naam en voorletters van de ontvanger staat vermeld: ‘[verdachte]’. De akte is onder ‘Ik heb de gerechtelijke brief in ontvangst genomen’ niet voorzien van een handtekening en onder ‘Soort + nummer legitimatie’ zijn geen gegevens ingevuld;
(xiii) Een formulier ‘Aanvulling op de akte van uitreiking’ met parketnummer 96-042051-20 en naam [verdachte].. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop ik mij heb vergewist van de identiteit van de ontvanger zoals bedoeld in art. 36h lid 1 onder d Sv’ is aangekruist: ‘Gevraagd naar zijn/haar naam gaf de ontvanger de naam van de geadresseerde op’. Onder het kopje ‘Nadere informatie over de wijze waarop de uitreiking heeft plaatsgevonden’ is aangekruist ‘lk heb, nadat ik dit met de ontvanger had afgesproken, de gerechtelijke mededeling ergens neergelegd en heb gezien dat de ontvanger de mededeling heeft opgepakt’. De handtekening op de aanvulling en de handtekening van de bezorger op de akte vermeld onder (xii) vertonen gelijkenis; beide documenten zijn in het elektronisch dossier ook bij elkaar geplaatst;
(xiv) Een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 15 maart 2021 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 2 november 2020;
(xv) Een appelschriftuur van 26 maart 2021, die onder meer het volgende inhoudt (met weglating van een verwijzing):
‘Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Op 15 maart jl. is hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Naar aanleiding daarvan ontving cliënt een brief van het CJIB met daarin de mededeling dat het hoger beroep de executie van het vonnis niet schorst, daar de zaak al onherroepelijk zou zijn. Echter, cliënt stelt zich op het standpunt dat de zaak nog niet onherroepelijk was op het moment dat het hoger beroep werd ingesteld.
Van belang is dat de dagvaarding niet aan cliënt in persoon is uitgereikt. Cliënt was niet bekend met de datum van de behandeling van zijn strafzaak.
Essentieel is bovendien dat de akte met betrekking tot de uitreiking van de uitspraak aan cliënt in persoon, niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.