Conclusie
Nummer 21/02991
middelklaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep. Voordat ik het middel bespreek, geef ik het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de uitspraak van het hof weer. Ook citeer ik een aantal passages uit stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
[verdachte],
weluitdrukkelijk is gemachtigd als raadsvrouw de verdachte te verdedigen.
eerste lidin de akte worden vermeld, ongewijzigd.
derde lidwordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering). Overwogen is ook degene die het gerechtelijk schrijven krijgt uitgereikt te verzoeken de akte te ondertekenen. Hiervan is afgezien omdat voor de akte de verklaring van degene die de uitreiking verzorgt bepalend is. Onwenselijk is dat discussie ontstaat over de akte van uitreiking op het moment dat hierop het tekenen voor ontvangst ontbreekt. Ten opzichte van de tekst van het huidige derde lid zijn verder de toevoegingen «ter plaatse» en «terstond» geschrapt. Reden hiervoor is dat door het gebruik van een handcomputer het formeel opmaken en ondertekenen van de akte van uitreiking van de ter plaatse en op het moment van de uitreiking ingevulde gegevens op een later moment en op een andere plaats kan plaatshebben.’