ECLI:NL:PHR:2022:780

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
31 augustus 2022
Zaaknummer
21/01681
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 107 WVW 1994Art. 124 lid 4 WVW 1994Art. 132 lid 5 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende bewijs voor kennis ongeldig rijbewijs

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het besturen van een motorrijtuig terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof baseerde zijn oordeel op aangetekende brieven van het CBR waarin de ongeldigverklaring werd medegedeeld.

De Hoge Raad stelt strenge eisen aan het bewijs van het bestanddeel “weten of redelijkerwijs moeten weten” en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat alleen het verzenden van aangetekende brieven niet zonder meer voldoende is om kennis aan te nemen. Bijkomende omstandigheden zijn vereist.

In deze zaak ontbraken verklaringen van de verdachte en was niet vastgesteld dat hij zijn rijbewijs had ingeleverd. Hoewel het hof aangetekende brieven gebruikte als bewijs, vond de Hoge Raad dit onvoldoende gemotiveerd. De enkele aanwijzing dat de verdachte niet wilde meewerken aan een onderzoek was niet doorslaggevend.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij het bestanddeel kennis opnieuw moet worden onderzocht.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad benadrukt dat zonder bijkomende omstandigheden de bewijsvoering onvoldoende is en dat het cassatieberoep slaagt.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onvoldoende bewijs van kennis van ongeldigverklaring rijbewijs.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01681
Zitting4 oktober 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 12 april 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden wegens "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid, alsmede de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Een en ander als nader in het arrest bepaald.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01680 en 21/01679. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan volgen dat de verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
4.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op 10 april 2019 te Groningen, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM en B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Goudlaan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd.”
4.2
Met betrekking tot het bestanddeel “redelijkerwijs moet weten” bevat het bestreden arrest de volgende bewijsoverweging:
“Voor zover de raadsman heeft betoogd dat verdachte niet wist of redelijkerwijs kon weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier blijkt dat het CBR op 3 mei 2018 een aangetekende brief heeft verzonden naar verdachte waarin is medegedeeld dat verdachte een rijvaardigheidsonderzoek moet doen en voorlopig niet meer mag rijden. In de bijlage bij deze brief is vermeld dat indien de uitslag van het onderzoek niet goed is, het rijbewijs ongeldig wordt. Het dossier bevat daarnaast een aangetekende brief van het CBR aan verdachte van 4 juli 2018 waarin is medegedeeld dat verdachte een rijvaardigheidsonderzoek heeft gedaan, dat de uitslag is dat hij niet voldoende rijvaardig is en dat hij een tweede rijvaardigheidsonderzoek kan doen. Verder bevat het dossier een aangetekende brief van het CBR d.d. 24 september 2018, waaruit blijkt dat verdachte een tweede rijvaardigheidsonderzoek heeft gedaan met een auto (categorie B), dat hij dit onderzoek niet heeft gehaald en dat zijn rijbewijs daarom vanaf 1 oktober 2018 ongeldig is verklaard. Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”
4.3
In de aanvulling houdende bewijsmiddelen zijn voor zover voor de beoordeling van het middel relevant de volgende bewijsmiddelen opgenomen:
“4. Een schriftelijk stuk, te weten een brief van het CBR van 3 mei 2018, voor zover inhoudende:
AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Onderwerp Besluit: rijvaardigheidsonderzoek, voorlopig geen rijbewijs
Geachte [verdachte] ,
U heeft zich onveilig gedragen in het verkeer. Dit heeft het Arrondissementsparket Utrecht aan ons doorgegeven. Daarom hebben wij besloten dat u een rijvaardigheidsonderzoek moet doen. Ook mag u voorlopig niet meer rijden. In elk geval niet tot de uitslag van het onderzoek.
(...)
Wij twijfelen eraan of u nog wel veilig kunt rijden. Volgens de regelgeving moet u dan een rijvaardigheidsonderzoek doen. Dit onderzoek heet officieel een ‘onderzoek naar de rijvaardigheid’. Het onderzoek is niet vrijblijvend. Werkt u niet mee, dan wordt uw rijbewijs ongeldig en mag u niet meer rijden.
(...)
Na het rijvaardigheidsonderzoek zijn er twee mogelijkheden:
- De uitslag van het onderzoek is goed. U mag weer rijden.
- De uitslag van het onderzoek is niet goed. Uw rijbewijs wordt ongeldig en u mag niet meer rijden.
Omdat u uw rijbewijs voorlopig niet mag gebruiken, moet u het rijbewijs opsturen naar: (...)
U mag voorlopig niet rijden. Doet u dat toch, dan bent u strafbaar en kan er een gevangenisstraf, taakstraf en/of geldboete worden opgelegd.
5. Een schriftelijk stuk, te weten een brief van het CBR van 4 juli 2018, voor zover inhoudende:
AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Onderwerp: Uitslag rijvaardigheidsonderzoek
Geachte [verdachte] ,
U heeft een rijvaardigheidsonderzoek gedaan. De uitslag van het onderzoek is dat u niet voldoende rijvaardig bent. (...)
U kunt nog een keer een rijvaardigheidsonderzoek doen.
6. Een schriftelijk stuk, te weten een brief van het CBR van 24 september 2018, voor zover inhoudende:
AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
Onderwerp: uitslag rijvaardigheidsonderzoek, besluit: rijbewijs ongeldig
Geachte [verdachte] ,
U heeft een tweede rijvaardigheidsonderzoek gedaan met een auto (categorie B). Helaas heeft u ook dit tweede onderzoek niet gehaald. U heeft ook niet aangegeven dat u aan een onderzoek wilt meewerken voor de categorie AM. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 1 oktober 2018. (...) Om veilig te kunnen rijden moet u alle onderdelen voldoende beheersen. U beheerst niet alle onderdelen voldoende. Volgens de regelgeving moeten we dan uw rijbewijs ongeldig verklaren.”
4.4
Als bekend stelt de Hoge Raad strenge eisen aan de bewijsvoering van het bestanddeel “weten of redelijkerwijs moeten weten”. In het standaardarrest van 9 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1146) overwoog de Hoge Raad hierover:
“2.4.4.
In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW Pro 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW Pro 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte "wist of redelijkerwijs moest weten" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat wordt geïllustreerd door het overzicht van de rechtspraak in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10.1 tot en met 10.6. Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.”
4.5
In diverse uitspraken van latere datum heeft de Hoge Raad deze vooropstelling herhaald of hiernaar verwezen. [1] In het bijzonder wijs ik nog naar de uitspraak van 1 juni 2021 (ECLI:NL:HR:2021:786). In deze zaak had het hof, blijkens het arrest van de Hoge Raad, onder meer overwogen:
“Ten derde stuurt het CBR op 24 oktober 2016 een brief aan verdachte met het onderwerp 'ontvangstbevestiging rijbewijs’. Hierin staat dat het CBR het rijbewijs van verdachte van de politie eenheid Assen heeft ontvangen.
Daarnaast stuurt het CBR aan verdachte een brief op 7 januari 2016 met als onderwerp 'besluit onderzoek naar uw alcoholgebruik'. Uit de brief van het CBR van 26 mei 2016 met als onderwerp 'uitslag onderzoek' blijkt dat er een onderzoek naar het alcoholgebruik van verdachte heeft plaatsgevonden en dat de uitslag van het onderzoek is dat verdachte niet geschikt is om te rijden. Hierin staat tevens vermeld dat als verdachte het niet eens is met de resultaten van het onderzoek, hij een tweede onderzoek kan aanvragen. De brief gedateerd op 8 juni 2016 heeft als onderwerp 'uw betaling voor tweede onderzoek ontvangen'. Hieruit blijkt dat verdachte een tweede onderzoek heeft aangevraagd en betaald. Op 12 oktober 2016 volgt tot slot de brief van het CBR met als onderwerp 'uitslag na twee onderzoeken, besluit: rijbewijs ongeldig'. Hieruit blijkt dat twee onderzoeken hebben plaatsgevonden waaruit de conclusie volgt dat verdachte niet geschikt is om te rijden. Om die reden verklaart het CBR het rijbewijs met ingang van 19 oktober 2016 ongeldig.
De brieven van 7 januari 2016, 26 mei 2016 en 12 oktober 2016 van het CBR aan verdachte zijn aangetekend en per gewone post verstuurd naar hetzelfde adres, namelijk [a-straat 1], [postcode] te Akkrum. Verdachte stond destijds op dit adres ingeschreven. De brief van 26 mei 2016 kwam niet met een zogenoemde retourzending terug.
Uit vorengenoemde omstandigheden en gedragingen van verdachte blijkt dat verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.”
De Hoge Raad overwoog evenwel:
“2.3
Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en gewone brief is verzonden naar het juiste adres van de verdachte niet voldoende. Ook is daartoe niet voldoende dat het CBR het rijbewijs van verdachte van de politie heeft ontvangen. Evenmin kan dat zonder meer volgen uit de omstandigheid dat er een onderzoek naar het alcoholgebruik van de verdachte heeft plaatsgevonden en de verdachte een tweede onderzoek heeft aangevraagd en betaald, noch uit de overige omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen (vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146).”
4.6
In de onderhavige zaak heeft het hof bij de bewijsvoering niet enige verklaring van de – niet ter zitting verschenen – verdachte betrokken. Evenmin blijkt uit de bewijsvoering dat hij zijn rijbewijs zou hebben ingeleverd. Aldus is sprake van een situatie waarin de bewijsvoering “bijzondere aandacht verdient”. De bewijsvoering van het hof steunt echter uitsluitend op een aantal aangetekend verstuurde brieven, opgenomen als bewijsmiddel 4, 5 en 6 (zie hiervoor onder 4.3). Afgaande op hetgeen de Hoge Raad daarover in het onder 4.4 weergeven arrest overweegt, lijkt het lot van het arrest derhalve bezegeld. Zonder “bijkomende of andere omstandigheden van het geval” zijn aangetekende brieven immers niet voldoende. Enige aarzeling wordt bij mij nochtans in de hand gewerkt door iets dat mogelijk als voldoende “bijkomende omstandigheid” kan worden aangemerkt. Dit betreft hetgeen te lezen valt in het zesde door het hof opgenomen bewijsmiddel. Hierin staat dat de verdachte “ook” heeft aangegeven niet te willen meewerken aan een onderzoek voor de categorie AM. Hieruit lijkt te volgen dat de verdachte bekend was met het feit dat hij niet geslaagd was voor zijn tweede rijvaardigheidsonderzoek (al moet daarbij worden toegegeven dat uit deze formulering niet dwingend volgt dat hij dit pas na het zakken voor zijn tweede onderzoek heeft aangegeven). Aangenomen dat de verdachte dit wist, opgeteld bij het feit dat hij – zo mag worden aangenomen uit het feit dat hij twee onderzoeken heeft ondergaan – bekend was met de inhoud van de eerste twee brieven, lijkt mij dat de stap naar naar het kunnen aannemen dat de verdachte “redelijkerwijs moet hebben geweten” dat zijn rijbewijs ongeldig zou worden verklaard, nog maar erg klein is. Toch leidt een en ander bij mij niet tot de opvatting dat het cassatieberoep moet worden verworpen. Daarbij speelt ten eerste een rol dat het blijkens het hierboven onder 4.5 aangehaalde arrest voor de Hoge Raad nog niet voldoende is als iemand een tweede onderzoek (in dat geval een onderzoek naar alcoholgebruik, maar dat lijkt me voor de beoordeling niet uit te maken) heeft aangevraagd en betaald. Dat is maar weinig minder dan in deze zaak, waarin uit de bewijsvoering ook volgt dat de verdachte het tweede onderzoek heeft ondergaan, hiervoor is gezakt en hiervan op de hoogte lijkt te zijn gesteld. Doorslaggevend lijkt mij echter dat alleen uit het zesde bewijsmiddel (een aangetekende brief) kan volgen dat het rijbewijs van de verdachte per 1 oktober 2018 ongeldig zou worden verklaard. Of de verdachte wist per welke datum de ongeldigverklaring in werking zou treden, kan niet met het wegdenken van de aangetekende brief bewezen worden verklaard. Hierdoor lijkt mij de bewezenverklaring in elk geval onvoldoende gemotiveerd voor wat betreft de vaststelling dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde optreden als bestuurder wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
4.7
Het middel slaagt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:286.