ECLI:NL:PHR:2022:787

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 2022
Publicatiedatum
1 september 2022
Zaaknummer
20/03733
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361 SvArt. 427, tweede lid aanhef onder a, Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid en toewijzing vordering benadeelde partij ondanks onherroepelijke civiele afwijzing

In deze zaak stond centraal of de onherroepelijke afwijzing van een civiele vordering door de kantonrechter de ontvankelijkheid van een gelijke vordering van de benadeelde partij in de strafzaak in de weg staat. De benadeelde partij had in civiele procedure een vordering tot verklaring voor recht en schadevergoeding wegens mishandeling ingediend, die wegens onvoldoende onderbouwing werd afgewezen. In de strafprocedure werd de verdachte veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en werd de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat de strafrechter de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk hoeft te verklaren alleen omdat een civiele rechter over een gelijke vordering heeft beslist. Dit volgt uit de verschillen in bewijsregels tussen straf- en civiel recht en het belang van de benadeelde partij bij een beslissing in de strafprocedure. Het hof heeft het juiste criterium toegepast door te beoordelen of de benadeelde partij een gerechtvaardigd belang heeft bij de strafrechtelijke vordering.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid en gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding. De schadevergoedingsmaatregel werd eveneens gehandhaafd. De beslissing is voldoende gemotiveerd, mede omdat de civiele rechter zich niet over de omvang van de schade heeft uitgesproken en het vonnis onherroepelijk is.

Uitkomst: De vordering van de benadeelde partij is ontvankelijk verklaard en deels toegewezen tot een bedrag van € 561,31 materiële en € 2.500,- immateriële schade.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/03733
Zitting6 september 2022

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 november 2020 de verdachte vrijgesproken van het eerste cumulatief/alternatief en het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken, en heeft voor het meer subsidiair: “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft” bepaald dat hem geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Het hof heeft voorts de vordering van de benadeelde partij (de vader van verdachte), toegewezen tot een bedrag van € 561,31 wegens materiële schade en € 2.500,- wegens immateriële schade, de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij het aantal dagen gijzeling is bepaald op 40 dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.M. Lintz, advocaat te 's‑Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft A.E. Breetveld, eveneens advocaat te 's‑Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
Het middel komt op tegen het (gedeeltelijk) toewijzen van de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat “het hof de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk heeft geoordeeld en heeft toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, terwijl over deze vordering reeds een onherroepelijk oordeel was gegeven door de civiele rechter en het hof niet, althans onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd waarom het aan dit oordeel voorbij mocht worden gegaan.”
De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (onder meer) het volgende in:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot
schadevergoeding. Deze bedraagt € 561,31 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.
Namens de benadeelde zijn in hoger beroep nadere stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van de gestelde geleden schade, bestaande uit foto's van het toegebrachte letsel alsmede medische stukken ter zake de fysieke, psychische en cognitieve conditie van het slachtoffer.
De vordering is namens de verdachte betwist.
Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat over de thans gevorderde schade reeds tussen partijen is geprocedeerd bij de civiele rechter, waarbij de vordering is afgewezen.
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman van de verdachte een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam met zaaknummer: 7916224 CV EXPL 19-30939 en met uitspraakdatum: 3 januari 2020, overgelegd.
Daaruit blijkt dat een procedure is gevoerd tussen de benadeelde partij als eiser 'de vader' en de verdachte als gedaagde 'de zoon'. Het geschil betreft de gestelde zware mishandeling op 21 april 2018. Gevorderd wordt een verklaring voor recht dat de zoon onrechtmatig jegens de vader heeft gehandeld en de zoon te veroordelen tot betaling van.de schade die de vader daardoor lijdt, nader
op te maken bij staat, € 25.000,00 niet te boven gaand.
De zoon heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Nu de vader als eisende partij noch zijn gemachtigde zijn verschenen op de mondelinge behandeling van 21 november 2019, teneinde ten overstaan van de kantonrechter hetgeen is voorgevallen op 21 april 2018 tot klaarheid te brengen, is dat in zijn nadeel uitgelegd en is de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Het vonnis is onherroepelijk.
Het hof stelt voorop dat artikel 361 van Pro het Wetboek van Strafvordering bepaalt welke de gronden zijn waarop een benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. Nu aan die voorwaarden is voldaan, is de vordering van de benadeelde partij in deze zaak ontvankelijk, in de zin dat het hof daarvan kennis zal nemen.
Het voormelde vonnis van de kantonrechter maakt dat niet anders. Inhoudelijk/materieel heeft de kantonrechter geen oordeel geveld over de gestelde schade zodat de benadeelde partij reeds daarom een gerechtvaardigd belang heeft bij het opnieuw instellen van de vordering tot schadevergoeding. Verder bestaat er civielrechtelijk geen absoluut procesrechtelijk beginsel inhoudende een algemeen geldend verbod op herhaling van proceshandelingen in die zin dat het recht om een bepaalde rechtsvordering in te stellen (het vorderingsrecht) teniet is gegaan, doordat een eiser al eerder op dezelfde gronden eenzelfde vordering heeft ingesteld (die al dan niet door de rechter inhoudelijk is berecht); een zo genaamd beginsel van 'ne-bis-in-idem'.
Materiële schade € 561,31
Gevorderd zijn de volgende kosten:
- Eigen risico zorgverzekering: € 311,31
- Reis- en telefoonkosten als forfait bedrag: € 250,- ter zake van 20x naar fysiotherapeut, huisarts, en advocaat.
Het gevorderde eigen risico is voldoende onderbouwd en wordt toegewezen tot € 311,31.
Het hof acht aannemelijk dat de reis- en telefoonkosten redelijkerwijs zijn gemaakt en deze kosten zijn evenmin door de verdediging bestreden. Nu deze kosten niet bovenmatig voorkomen wordt dit bedrag eveneens toegewezen.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat tot een bedrag van € 561,33 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade € 10.000,00
Gelet op het toegebrachte zwaar lichamelijk letsel, is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard nu daarvan niet is vast te stellen of de gestelde (fysieke en cognitieve) beperkingen een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit zijn of te brengen zijn bij de eventuele beperkingen die de benadeelde partij reeds ondervond tegen het einde van zijn werkzame dienstverband. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”
5. Onder verwijzing naar de cassatieschriftuur wijs ik er op dat art. 427, tweede lid aanhef onder a, Sv alleen al niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie nu de veroordeling een misdrijf betreft. De genoemde bepaling sluit het beroep in cassatie onder nadere voorwaarden uit tegen arresten van gerechtshoven betreffende overtredingen. Daarvan is hier geen sprake.
6. In cassatie staat vast dat de vordering die de kantonrechter in de civiele procedure als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen ziet op hetzelfde incident als hier in de strafprocedure aan de orde is en tevens dat het vonnis van de kantonrechter onherroepelijk is.
7. De vordering bij de kantonrechter strekte, voor zover hier van belang, tot verklaring voor recht dat de zoon (in de strafprocedure de verdachte) onrechtmatig jegens de vader (in de strafprocedure de benadeelde partij) heeft gehandeld alsmede tot een veroordeling van de zoon tot betaling van.de schade die de vader daardoor lijdt, nader op te maken bij staat, € 25.000,- niet te boven gaand. De vordering betreft dus zowel de onrechtmatigheid als de schade. De vordering is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en de kantonrechter heeft zich over schadeposten en de omvang van de schade niet uitgelaten. Het hof heeft veroordeeld ter zake mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en (mede) gelet daarop anders dan de kantonrechter vastgesteld dat er door verdachte onrechtmatig is gehandeld.
8. Dat een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een incident dat ten grondslag van een al eerder afgewezen civiele vordering is gelegd, mogelijk is, wordt in cassatie terecht niet betwist. Het bestaan van die mogelijkheid laat zich (onder meer) verklaren uit de verschillen tussen de bewijsregels van het strafrecht en van het civiele recht. In het kader van de vordering van de benadeelde partij in de strafprocedure vormen de bewezenverklaring en de beslissing(en) tot strafbaarheid de belangrijkste bouwsteen voor de onrechtmatigheid. De enkele omstandigheid dat de kantonrechter een vordering tot verklaring voor recht van onrechtmatig handelen afwijst wegens onvoldoende onderbouwing behoeft dus niet in de weg te staan aan de vaststelling in het kader van de vordering van de benadeelde partij dat onrechtmatig is gehandeld.
9. Kennelijk is de hoogte van de vordering bij de kantonrechter louter vanwege de geldende competentiegrens beperkt tot € 25.000,-. Over de schade is verder (om begrijpelijke redenen) niets beslist.
10. In HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3490, NJ 2015/16 heeft de benadeelde partij een middel van cassatie ingediend tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van de vordering door het hof. De Hoge Raad oordeelt als volgt:
“4.5.1. In de onderhavige zaak heeft de benadeelde partij zich niet alleen in het strafgeding gevoegd met een vordering tot vergoeding van de door het tenlastegelegde feit geleden schade, maar zij heeft ook schadevergoeding gevorderd in een geding bij de civiele rechter. De civiele rechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen.
4.5.2. In zijn overwegingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de benadeelde partij geen belang heeft bij haar vordering in het strafgeding, nu de civiele rechter over de vordering van de benadeelde partij bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft beslist. Dit oordeel van het Hof, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, behoeft geen nadere motivering.”
11. Ik begrijp het arrest van de Hoge Raad zo dat de maatstaf voor behandeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafgeding na een beslissing in een civiele zaak is of de benadeelde partij een belang heeft bij een beslissing op die vordering in de strafprocedure. Dat sluit niet-ontvankelijkverklaring van de vordering niet uit [1] , maar het is geen automatisme. Dat laatste is ook af te leiden uit HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279, NJ 2011/205 waarin de Hoge Raad onder meer overweegt:
“2.5 (…) Het berust evenwel op de opvatting dat de strafrechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vordering, indien over die vordering door de burgerlijke rechter reeds is beslist of indien die vordering bij de burgerlijke rechter nog aanhangig is. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Indien de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding reeds geheel of gedeeltelijk bij vonnis van de burgerlijke rechter is toegewezen, kan de strafrechter na een daartoe strekkend verweer de benadeelde partij - in zoverre - in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek aan belang.”
12. In de bestreden beslising heeft het hof het juiste criterium toegepast voor zover verwezen wordt naar het belang van de benadeelde partij welk belang het hof overigens ook nog kwalificeert als gerechtvaardigd. Daarmee heeft het de beslissing voorzien van een motivering zodat de klacht voor zover deze inhoudt dat de motivering ontbreekt, faalt. Waarom de motivering onvoldoende of onbegrijpelijk zou zijn zie ik niet in nu over schadeposten of de omvang van schade in het vonnis van de kantonrechter niet is beslist.
13. Voor zover in het verweerschrift kennelijk ten overvloede nog als grond voor bevestiging van de beslissing van het hof wordt gewezen op onvolkomenheden in de civiele procedure betreft dat nieuwe feiten waarop in cassatie geen acht kan worden geslagen. Bovendien geldt dat de benadeelde partij die het wegens dergelijke onvolkomenheden niet eens is met de beslissing van de kantonrechter de mogelijkheid van hoger beroep heeft. [2]
14. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie voor een voorbeeld van door de Hoge Raad in stand gelaten beslissing van het hof niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9031, NJ 2010/131 met uitvoerige conclusie van mijn ambtgenoot Aben. Zie voorts A.H. Sas ‘Schadevergoeding via de strafrechtelijke procedure’ in: J. Wildeboer & S. Brinkhorst (red.),
2.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3490, NJ 2015/16 r.o. 4.5.3.