ECLI:NL:PHR:2022:787
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid en toewijzing vordering benadeelde partij ondanks onherroepelijke civiele afwijzing
In deze zaak stond centraal of de onherroepelijke afwijzing van een civiele vordering door de kantonrechter de ontvankelijkheid van een gelijke vordering van de benadeelde partij in de strafzaak in de weg staat. De benadeelde partij had in civiele procedure een vordering tot verklaring voor recht en schadevergoeding wegens mishandeling ingediend, die wegens onvoldoende onderbouwing werd afgewezen. In de strafprocedure werd de verdachte veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en werd de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafrechter de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk hoeft te verklaren alleen omdat een civiele rechter over een gelijke vordering heeft beslist. Dit volgt uit de verschillen in bewijsregels tussen straf- en civiel recht en het belang van de benadeelde partij bij een beslissing in de strafprocedure. Het hof heeft het juiste criterium toegepast door te beoordelen of de benadeelde partij een gerechtvaardigd belang heeft bij de strafrechtelijke vordering.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid en gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot materiële en immateriële schadevergoeding. De schadevergoedingsmaatregel werd eveneens gehandhaafd. De beslissing is voldoende gemotiveerd, mede omdat de civiele rechter zich niet over de omvang van de schade heeft uitgesproken en het vonnis onherroepelijk is.
Uitkomst: De vordering van de benadeelde partij is ontvankelijk verklaard en deels toegewezen tot een bedrag van € 561,31 materiële en € 2.500,- immateriële schade.