Conclusie
advocaat: mr. A.C. van Schaick
advocaat: mr. R.P. Streng
ex nunczal toetsen. Ook worden klachten gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de op grond van de EAPO-Verordening door de schuldeiser te stellen zekerheid. Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
1.Feiten en procesverloop
CFD’s).
EAPO-Vo) op een bankrekening van Hoch Capital bij Wirecard Bank AG (hierna:
Wirecard) te Duitsland, tot een bedrag van € 352.610,37.
Het hof zal bij de beoordeling van de grieven daarom ex nunc toetsen.”
fumus boni iuris). [16]
2.Juridisch kader Europees bankbeslag
alternatiefnaast de reeds in de nationale rechtsstelsels bestaande procedures inzake het verkrijgen van een conservatoir beslag op een bankrekening. [28] Een beslag op grond van de EAPO-Verordening zal hierna ook worden aangeduid als ‘Europees bankbeslag’.
waarschijnlijk gegrond wordt verklaard(ook wel aangeduid als de
fumus boni iuris [39] ). In verband met deze tweede voorwaarde is in de considerans (onder 14) opgenomen dat de schuldeiser moet kunnen aantonen dat hij de procedure betreffende het bodemgeschil tegen de schuldenaar
waarschijnlijk zal winnen.
summierlijk deugdelijkis. [41] In dit verband is bij vorderingen uit onrechtmatige daad het overleggen van relevante bewijsstukken alleen nodig voor zover dit noodzakelijk is voor de summiere beoordeling van het verzoek. [42]
niet passend acht. Indien het gerecht verlangt dat zekerheid moet worden gesteld, wordt ingevolge art. 12 lid 3 EAPO Pro-Vo aan de schuldeiser meegedeeld voor welk bedrag hij zekerheid moet stellen en welke vorm aanvaardbaar is op grond van het recht van de lidstaat waar het gerecht zich bevindt.
kande Nederlandse rechter aan de verlening van een conservatoir beslagverlof de voorwaarde verbinden dat door de verzoeker zekerheid wordt gesteld voor eventuele schade die door het beslag kan worden veroorzaakt. Dit is echter niet verplicht (en gebeurt in de praktijk niet vaak). [43]
verleningvan het beslagbevel (art. 33 EAPO Pro-Vo) en rechtsmiddelen tegen de
tenuitvoerleggingvan het beslagbevel (art. 34 EAPO Pro-Vo). Het eerste rechtsmiddel dient in de lidstaat te worden ingesteld waar het bevel is uitgevaardigd. Het tweede rechtsmiddel wordt ingesteld in de lidstaat van tenuitvoerlegging. [63]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
(i) de voorwaarde dat de schuldeiser voldoende bewijsmateriaal verstrekt om het gerecht ervan te overtuigen dat zijn vordering tegen de schuldenaar waarschijnlijk gegrond wordt verklaard (art. 7 lid 2 EAPO Pro-Vo), en
(ii) de voorwaarde dat een toereikende zekerheid wordt gesteld (art. 12 EAPO Pro-Vo).
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.20 jo. rov. 4.10) dat bij de beantwoording van de vraag of de schuldeiser voldoende bewijsmateriaal heeft verstrekt als bedoeld in art. 7 lid 2 EAPO Pro-Vo niet een
ex tunctoets behoeft te worden aangelegd, maar ook rekening mag worden gehouden met bewijsmateriaal dat eerst is overgelegd na uitvaardiging van het bevel. Met
onderdeel 2wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.24-4.25) dat sprake is van een aanvaardbare zekerheidstelling als bedoeld in art. 12 EAPO Pro-Vo.
toelichtingbij het onderdeel wordt betoogd dat het in dit geval gaat om een uitleg van de EAPO-Verordening en dat geen sprake is van een
acte clairof een
acte éclairé, zodat een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:
HvJEUof
Hof). [73]
voortbouwklachtdat het slagen van de klacht uit onderdeel 1 ook gevolgen heeft voor het oordeel van het hof in rov. 4.21-4.25, dat het standpunt van Hoch Capital dat niet aan de voorwaarden uit de verordening is voldaan omdat de door [verweerster] gestelde zekerheid niet aanvaardbaar is, moet worden verworpen. Het hof baseert deze verwerping immers tevens mede op omstandigheden die bij de beoordeling van het verzoek tot uitvaarding van het bevel tot conservatoir beslag niet bekend waren, aldus het onderdeel.
ex tunctoets moet worden aangelegd en dat met omstandigheden van na het bevel geen rekening zou mogen worden gehouden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof overweegt dat een belangrijke aanwijzing daarvoor is gelegen in de in art. 33 EAPO Pro-Vo genoemde intrekkings- of wijzigingsgronden. Enkele van die gronden betreffen namelijk omstandigheden die zich bij uitstek voordoen na uitvaardiging van het bevel. Daarom moet
ex nunc worden getoetst, aldus het hof.
ex nuncmoet worden beoordeeld.
ex nunctoets), of moet uitgaan van het tijdstip waarop het bevel is uitgevaardigd (een
ex tunctoets).
is voldaan;”
wordt voldaanof indien de omstandigheden die tot de uitvaardiging geleid hebben zodanig zijn veranderd dat die uitvaardiging niet langer gegrond zou zijn.
VWEU) in beginsel gehouden een prejudiciële vraag stellen aan het HvJEU. Deze verplichting geldt echter niet onverkort. De Hoge Raad hoeft
geenvraag te stellen aan het HvJEU, indien:
ex nuncdus het uitgangspunt.
Cilfit-arrest [81] is het vaste rechtspraak van het HvJEU [82] dat een rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, niet verplicht is om een prejudiciële vraag te stellen als:
acte éclairé), of
acte clair).
onder iis sprake indien de vraag van uitlegging van het Unierecht niet ter zake dienend is, dat wil zeggen dat het antwoord op die vraag, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil. [84] Dat is in dit geval niet aan de orde. Het hof heeft in het bestreden arrest immers uitdrukkelijk geoordeeld dat het bij de beoordeling van het intrekkingsverzoek op de voet van art. 33 lid Pro 1, aanhef en sub a, EAPO-Vo
ex nunczal toetsen (rov. 4.10) en heeft dit vervolgens ook daadwerkelijk gedaan in de door het onderdeel bestreden rov. 4.19-4.20.
acte clair(de uitzondering
onder iii).
acte clairwanneer de juiste uitlegging van het Unierecht zo voor de hand ligt dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. Daarvoor is vereist dat de nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet, ervan overtuigd is dat de gehanteerde oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten die in laatste aanleg uitspraak doen, alsmede voor het HvJEU. [86]
“is voldaan”, terwijl overweging 32 van de considerans de woorden
“wordt voldaan”gebruikt.
“because the conditions or requirements set out in this Regulationwere not met”. In de Franse tekst van art. 33 lid 1 onder Pro a is opgenomen
:”il n’a pas été satisfaitaux conditions ou aux exigences énoncées dans le présent règlement”en in overweging 32 van de considerans staat: “
si les conditions ou exigences énoncées dans le présent règlementn’étaient pas remplies”. De Duitse tekst van art. 33 lid 1 onder Pro a gaat uit van de situatie dat: “
die Bedingungen oder Voraussetzungen dieser Verordnungnicht erfüllt sind”,terwijl overweging 32 van de considerans die situatie aldus omschrijft :
“wenn die in dieser Verordnung vorgesehenen Bedingungen oder Anforderungennicht erfüllt wurden”. [88] Ook hier geldt mijns inziens dat de subtiele verschillen tussen voltooide en verleden tijd nog geen uitsluitsel geven over het te hanteren beoordelingsmoment.
ex tuncbeoordeling moet hanteren, acht ik deze lezing toch niet aannemelijk. Hiervoor pleiten de volgende argumenten.
ex nuncmoet toepassen, maar bij één grond een beoordeling
ex tunc.
afgewezen(lid 1 onder f)
.Als de rechter bij de toetsing van een verzoek tot intrekking op grond van art. 33 lid 1 onder Pro a
ex tunczou moeten toetsen, zou dit tot gevolg hebben dat daarbij geen rekening kan worden gehouden met de omstandigheid dat de vordering inmiddels bij een rechterlijke beslissing over het bodemgeschil is
toegewezen(zoals in deze zaak na vernietiging en verwijzing het geval zou zijn)
.In dat geval zou de situatie kunnen ontstaan dat de rechter het bevel tot Europees bankbeslag moet intrekken, omdat bij de indiening van het verzoek niet voldoende bewijs is overgelegd om het gerecht ervan te overtuigen dat de vordering in het bodemgeschil waarschijnlijk zal worden toegewezen, terwijl de vordering inmiddels
is toegewezen.Dat kan mijns inziens niet de bedoeling van de Europese wetgever zijn geweest.
ex nuncis ook geheel in lijn met de doelstelling van de EAPO-Verordening om inning van (bewezen) vorderingen te waarborgen. De procedure tot intrekking of wijziging van het bevel op grond van art. 33 EAPO Pro-Vo dient ter bescherming van de rechten van de schuldenaar, en om misbruik te voorkomen. De belangen van de schuldenaar worden niet geschaad door een toetsing
ex nunc, noch wordt daardoor een (extra) risico van misbruik in het leven geroepen.
ex parteprocedure is. Het rechtsmiddel op grond van art. 33 EAPO Pro-Vo is dat niet. In deze procedure kan de schuldenaar zijn bezwaren tegen het beslag aanvoeren. In reactie daarop dient de schuldeiser dan ook in staat te worden gesteld om aanvullende argumenten en bewijsmiddelen aan te voeren. Daarmee strookt niet dat de rechter een verzoek op grond van art. 33 lid 1 onder Pro a
ex tunczou moeten beoordelen en geen rekening mag houden met feiten en omstandigheden en bewijsmiddelen van na het moment waarop het bevel is verstrekt.
ex nunctoetsing ook het uitgangspunt is bij een procedure waarin de opheffing van een Nederlands nationaal conservatoir beslag wordt gevorderd. Uit de hiervoor genoemde reacties van de wetenschappelijk medewerkers van de hoogste gerechten volgt dat dit tevens het geval is in de nationale procedures in Duitsland, Frankrijk, België, Finland en Tsjechië. Hoewel het om slechts zes van de 27 EU-lidstaten gaat, en de EAPO-Verordening een nieuwe Europese procedure in het leven heeft geroepen, kan hieraan mijns inziens toch enige betekenis worden toegekend. Hieruit volgt immers dat de hoogste gerechten van de onderzochte EU-lidstaten bij de toetsing van een verzoek tot opheffing van een conservatoir beslag een toetsing
ex tunckennelijk niet voor de hand vinden liggen.
ex nunctoets). Naar mijn mening ligt deze uitleg zo voor de hand, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan (een
acte clair). Uw Raad kan het stellen van prejudiciële vragen achterwege laten.
hoofdregelgeldt dat zekerheid moet worden gesteld en dat daarvan slechts
bij uitzonderingkan worden afgeweken, ter zake van welke afwijking de stel- en motiveringsplicht op de
schuldeiserrusten. Dat het hof een en ander miskent, zou blijken uit het volgende:
bedragdat volstaat om (i) misbruik te voorkomen én (ii) de schade van de schuldenaar te vergoeden, en dat wat betreft die schade het bedrag waarvoor beslag wordt gelegd (in casu € 347.226,59) tot uitgangspunt dient. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof niet heeft onderzocht waarom zekerheid voor een bedrag van € 347.226,59 ongepast zou zijn.
derde klacht(p.i., nr. 12), is het oordeel van het hof in rov. 4.25 onbegrijpelijk omdat [verweerster] niet (voldoende) gemotiveerd heeft gesteld dat zij geen bankgarantie of andere zekerheid tot een hoger bedrag zou kunnen stellen, aangezien:
vierde klacht(p.i., p. 6 en nr. 13) bevat het onderdeel de klacht dat het hof heeft miskend dat een persoonlijke garantie van een derde niet kan worden aangemerkt als ‘zekerheid’ – d.w.z. een tot verhaal gesepareerd bedrag – in de zin van art. 12 lid 1 EAPO Pro-Vo, althans dat de beslissing van het hof dat de garantie door de eenmanszaak een aanvaardbare zekerheid is, niet gemotiveerd en dus onbegrijpelijk is.
hoogtevan de zekerheid te bepalen. Dit bedrag moet voldoende hoog zijn om misbruik te voorkomen en vergoeding van mogelijke schade van de schuldenaar te garanderen. Indien de rechter het gelasten van zekerheidstelling ongepast, overbodig of onevenredig acht, kan de rechter ook een zekerheid gelasten tot een lager bedrag, in plaats van in het geheel geen zekerheid te verlangen. [99]
vormvan de zekerheid geeft de EAPO-Verordening geen eigen regeling, maar verwijst zij naar het nationale recht van de lidstaten. [100] In Nederland bepaalt art. 6:51 BW Pro dat zekerheid kan worden gesteld in de vorm van persoonlijke zekerheid (bijvoorbeeld een bankgarantie, depot, borgtocht of hoofdelijkheid) of zakelijke zekerheid (bijvoorbeeld een pand- of hypotheekrecht). [101] In de Beslagsyllabus is opgenomen dat de zekerheid in de zin van art. 12 EAPO Pro-Vo, indien deze verlangd wordt, in beginsel moet worden gesteld door middel van een Nederlandse abstracte bankgarantie. Wanneer dat niet mogelijk is, dient op andere wijze zekerheid te worden gesteld in een aanvaardbare vorm. [102]
herziendoor het bevoegde gerecht van de lidstaat van herkomst, indien niet aan de voorwaarden en vereisten in dat artikel is voldaan. Als het gerecht vervolgens beslist dat de schuldeiser een (aanvullende) zekerheid moet stellen, is art. 12 lid 3 EAPO Pro-Vo van toepassing en verklaart het gerecht dat het bevel tot conservatoir beslag zal worden ingetrokken of gewijzigd indien de gevraagde (aanvullende) zekerheid niet binnen de door het gerecht gestelde termijn wordt gesteld. [103]
hoogtevan de zekerheid, maar geldt ook bij het bepalen van de
vormwaarin zekerheid moet worden gesteld. Daarbij is de rechter niet beperkt tot de in overweging 18 van de considerans genoemde vormen van zekerheid, aldus het hof.
hoogteals de
vormvan de zekerheid, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De vorm waarin zekerheid dient te worden gesteld is door de EAPO-Verordening immers uitdrukkelijk overgelaten aan het nationale recht. Het hof heeft terecht overwogen dat in de considerans, onder 18, slechts voorbeelden worden genoemd (“
zoals”). Evenmin heeft het hof in dit verband de verdeling van de stelplicht miskend. Het heeft tot uitdrukking gebracht dat de door de voorzieningenrechter vastgestelde zekerheid in beginsel wordt gerechtvaardigd door (i) het overtuigend bewijs van de toewijsbaarheid van de vordering en (ii) de – niet (voldoende) weersproken – stelling van [verweerster] dat zij geen bankgarantie kan krijgen. Het heeft vervolgens van Hoch Capital kunnen verlangen dat zij daartegenover (“onder deze omstandigheden”) concreet zou stellen dat en waarom deze zekerheid
nietaanvaardbaar zou zijn. De
eerste klachtvan onderdeel 2 faalt dan ook.
vormvan de door [verweerster] gestelde zekerheid (een garantiestelling door de eenmanszaak van de echtgenoot van [verweerster] ) aanvaardbaar was. Tegen de
hoogtevan de zekerheidstelling (10% van de beslagvordering) is Hoch Capital in feitelijke instanties niet opgekomen. Uit rov. 4.21 van het bestreden arrest volgt dat het hof het standpunt van Hoch Capital ook zo heeft begrepen. Dit betekent dat de
tweede klachtuit onderdeel 2 faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Die klacht heeft immers betrekking op de hoogte van de zekerheidstelling, en niet op de vorm.
derde klachtuit het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De in het kader van deze klacht in de toelichting bij het onderdeel (p.i., nr. 12) aangevoerde stellingen zijn in feitelijke instanties namelijk niet (duidelijk) door Hoch Capital aangevoerd. De rechter is immers niet gehouden om zelf uit de bij de processtukken gevoegde producties bepaalde conclusies te trekken. [112] Het hof hoefde dan ook niet op deze stellingen in te gaan. Voor zover in de s.t. (nr. 7) nog is aangevoerd dat het hof
ambtshalvehad moeten vaststellen dat [verweerster] haar stelling dat zij geen bankgarantie kan krijgen, onvoldoende heeft gemotiveerd en dat deze stelling onaannemelijk is, is deze klacht te laat aangevoerd. Bovendien heeft Hoch Capital niet onderbouwd op grond waarvan het hof dit ambtshalve had moeten vaststellen, zodat de klacht in zoverre ook niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen.
vierdeen laatste klacht slaagt evenmin. Als gezegd is de vorm van de te stellen zekerheid uitdrukkelijk overgelaten aan het nationale recht. Het onderdeel klaagt niet dat een persoonlijke garantie van een derde geen aanvaardbare zekerheid kan zijn volgens het Nederlandse
nationalerecht. Bovendien acht ik het oordeel van het hof dat deze vorm van zekerheid, gelet op het overtuigend bewijs van de toewijsbaarheid van de vordering, in dit geval aanvaardbaar is, niet onbegrijpelijk.