Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
randnummers 2.1.1 en 2.2.2 van de procesinleidingdat het hof ten onrechte de kinderen niet heeft gehoord, die destijds twaalf ( [kind 1] ) en acht ( [kind 2] ) jaar oud waren. Volgens de moeder heeft het hof miskend dat de rechter
verplichtis om een minderjarige van ten minste twaalf jaar te horen en dat het
mogelijkis om een minderjarige jonger dan twaalf jaar te horen. Indien het hof dit niet heeft miskend, betoogt de moeder dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de kinderen niet zijn gehoord. In
randnummer 2.1.2 van de procesinleidingstelt de moeder dat [kind 1] weliswaar is uitgenodigd voor een kindgesprek, maar dat hij niet op dat gesprek is verschenen en dat hij ook niet op de mondelinge behandeling in hoger beroep is verschenen. Volgens de moeder is het onduidelijk of [kind 1] voor de mondelinge behandeling is opgeroepen en of deze oproeping hem heeft bereikt. De moeder klaagt dat het hof heeft miskend dat het onder deze omstandigheden de mondelinge behandeling had moeten staken en [kind 1] voor een nieuwe datum had moeten oproepen om hem alsnog te kunnen horen. Volgens de moeder is het ook onbegrijpelijk dat het hof [kind 1] niet opnieuw heeft opgeroepen.
recht– en (in principe) geen
plicht– van de minderjarige van twaalf jaar en ouder in om zijn mening aan de rechter kenbaar te maken. [16] Uitzonderingen, die zich in deze zaak overigens niet voordoen, daargelaten, [17] is de minderjarige dus niet verplicht om van de door de rechter geboden gelegenheid gebruik te maken. [18]
hoortalvorens te beslissen, maar bepaalt ‘slechts’ dat de rechter de minderjarige van twaalf jaren of ouder
in de gelegenheid steltom aan hem zijn mening kenbaar te maken. [22] Aan die verplichting heeft het hof voldaan.
randnummers 2.2.1 en 2.2.2 van de procesinleidingklaagt de moeder dat het rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof eraan is voorbijgegaan dat de GI de kinderen niet heeft gehoord aangaande de uithuisplaatsing. Dit terwijl de moeder in hoger beroep heeft betoogd dat de GI de kinderen niet heeft gehoord, hetgeen in strijd is met art. 799a lid 2 Rv, dat het hoorrecht van de minderjarige waarborgt.
De bespreking van het verzoek met de minderjarige:
randnummer 2.3 van de procesinleidingdat het onjuist, dan wel onbegrijpelijk is dat het hof heeft volstaan met het zeer summiere oordeel dat aan de vereisten van art. 1:265b lid 1 BW is voldaan (in rov. 3.8.3. en 3.8.4.) en met het beperkt weergeven van de standpunten van de moeder, de GI en de vader (in rov. 3.5., 3.6. en 3.7.). Volgens de moeder heeft het hof onvoldoende aandacht besteed aan haar grieven in hoger beroep, die op de noodzaak van behandeling van of onderzoek naar de kinderen zien, zowel in de thuissituatie als bij een zorggezin.
de stukken en de mondelinge behandeling(…),
alles overziende” tot het oordeel is gekomen dat een uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was en is. Volgens het hof worden de kinderen door een heftige, al jaren durende ouderstrijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Door de uithuisplaatsing is er betrekkelijke rust voor de kinderen en kan hopelijk alsnog zicht worden verkregen op de gevolgen die de kinderen van de ouderstrijd ondervinden en de hulp die zij met het oog daarop nodig hebben. Dit oordeel is allerminst onbegrijpelijk, gelet op de standpunten van de moeder, de GI en de vader – die het hof in rov. 3.5., 3.6. en 3.7. van de bestreden beschikking behoorlijk uitvoerig heeft weergegeven – en gelet op wat ik in het dossier heb gelezen.
randnummers 2.4.1, 2.4.2 en 2.4.3 van de procesinleidingbetoogt de moeder dat het hof in rov. 3.8.8. een rechtens onjuiste of onbegrijpelijke toepassing heeft gegeven aan het – op zichzelf in rov. 3.8.7. juist weergegeven – juridische kader van art. 810a lid 2 Rv, door te oordelen dat het verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten prematuur is. Volgens de moeder heeft het hof miskend dat (i) art. 810a lid 2 Rv een apart, de ouder beschermend recht op onderzoek inhoudt, waaraan hogere motiveringseisen voor de rechter zijn verbonden, (ii) het verzoek van de moeder zag op een (tegen)onderzoek om het standpunt van de GI te weerleggen ten aanzien van de noodzaak tot uithuisplaatsing als zodanig, waartoe (nog) geen (nader) onderzoek is verricht en (iii) de moeder recht heeft op een contra-expertise, indien de verzoek- en verweerschriften van de GI in eerdere procedures als afgeronde onderzoekrapportages kwalificeren.
randnummer 2.4.4 van de procesinleidingbetoogt de moeder dat het rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, voor zover het hof heeft geoordeeld dat het verzoek van de moeder niet ter zake dienend is. Er gelden immers strenge motiveringsvereisten bij een verzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv.