Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
stok achter de deur” worden gebruikt om betrokkenen “
tot de gewenste medewerking in de ondertoezichtstelling te brengen.” [13]
S.T.S./Nederland, [15] waarin een ‘gesloten’ uithuisplaatsing van een minderjarige aan de orde was, dat ontzegging van het procesbelang in geval van vrijheidsbeneming de minderjarige een effectief rechtsmiddel tegen zijn vrijheidsbeneming ontneemt en daarmee in strijd komt met art. 5 lid 4 EVRM Pro. [16] Volgens het EHRM bestaat er een rechtens relevant belang om, ook na afloop van een machtiging, de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming te laten toetsen, bijvoorbeeld om het in art. 5 lid 5 EVRM Pro gewaarborgde recht op schadevergoeding te kunnen verwerkelijken.
gelet op het door art. 8 EVRM Pro [18] gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet het procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.” [19]
de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing” te laten toetsen (randnummers 3.6 en 3.7 hiervoor), Uw Raad hier heeft geoordeeld dat moet worden beoordeeld of “
de bestreden beslissing” terecht is gegeven. De laatste formulering lijkt me zuiverder; uiteraard is met een oordeel daaromtrent ook een oordeel gegeven over de rechtmatigheid van een daadwerkelijke uithuisplaatsing.
in beginselook het procesbelang is komen te vervallen.
daadwerkelijkeuithuisplaatsing (of ondertoezichtstelling), in welk geval ouders zonder meer, ook achteraf, procesbelang hebben bij beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel (randnummers 3.6 e.v. hiervoor), maar ‘slechts’ om de
mogelijkheid(gedurende drie maanden) dat de minderjarige(n) uit huis zou(den) worden geplaatst, welke mogelijkheid zich vervolgens niet heeft gerealiseerd. Waar bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de machtiging/maatregel een inbreuk op het gezinsleven (art. 8 EVRM Pro) – en daarmee een rechtens relevant procesbelang – is gegeven, moet in het geval de machtiging/maatregel
nietten uitvoer is gelegd (en het gezin als het ware ‘intact’ is gebleven) aannemelijk worden gemaakt dat desondanks sprake is van een inbreuk op het gezinsleven en daarmee van een schending van art. 8 EVRM Pro. Deze strengere benadering voorkomt dat ouders om louter principiële of emotionele redenen de niet ten uitvoer gelegde machtiging tot uithuisplaatsing aan een inhoudelijke toetsing door de hogere rechter onderwerpen.
nietten uitvoer is gelegd en deze is komen te vervallen, vervalt hun procesbelang en hebben ouders het beroep als het ware voor niets ingesteld. Een dergelijke gang van zaken verdient bepaald geen schoonheidsprijs, omdat zij niet alleen een onnodige belasting voor de ouders inhoudt, maar ook voor het rechterlijk apparaat.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
randnummers 3.1.1 tot en met 3.1.5komt de moeder op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.7.1. Ze klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat zij geen processueel belang heeft, omdat de machtiging tot uithuisplaatsing nooit ten uitvoer is gelegd. Volgens de moeder heeft het hof miskend dat het eindoordeel van de overheidsrechter om de maatregel op te leggen centraal staat; niet de vraag of de maatregel daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd. De moeder betoogt ook dat de verwijzing naar de beschikking van 10 mei 2017 van het hof Den Haag [35] (randnummer 3.14 hiervoor) onbegrijpelijk is. Het gaat in deze zaak immers om een andere situatie en bovendien verhoudt de uitspraak van het hof Den Haag zich volgens haar niet tot de rechtspraak van Uw Raad. Het valt volgens de moeder dan ook niet in te zien waarom zij (specifieke) bijkomende omstandigheden had moeten stellen om haar processuele belang aan te tonen.\
randnummer 3.2.1dat de sanctie van art. 3:303 BW Pro niet-ontvankelijkheid is, waardoor het onjuist is dat het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep heeft afgewezen.
randnummer 3.2.2betoogt de moeder dat het in strijd met art. 23 Rv Pro en dus rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof de grieven van de moeder onbesproken heeft gelaten en niet inhoudelijk heeft beoordeeld. In
randnummer 3.2.3klaagt de moeder dat het hof heeft miskend dat, door de zaak niet inhoudelijk te beoordelen, de door de kinderrechter verleende machtiging tot uithuisplaatsing kracht van gewijsde zal krijgen. De moeder en haar kinderen blijven derhalve geconfronteerd met het (rechts)feit dat de kinderrechter uithuisplaatsing noodzakelijk heeft geacht en dit zal invloed hebben op hun gezinsleven. Ook is de uitspraak van het hof in strijd met art. 6 EVRM Pro, omdat het hof de moeder haar recht op hoger beroep heeft ontzegd.
randnummer 3.3dat het rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof het subsidiaire verzoek van de moeder – ten aanzien van het verzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv – onbesproken heeft gelaten. Volgens haar betreft het verzoek een essentieel zelfstandig recht om een eigen deskundigenonderzoek te laten instellen en had het hof dit verzoek niet zonder motivering mogen afwijzen.
nietin hoger beroep laten toetsen.