Conclusie
1.Uitgangspunten in cassatie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt over het oordeel dat de zorgplicht om te waken tegen overkreditering in de relevante periode geen weigeringsplicht inhield. De
onderdelen 2-4klagen over het oordeel dat ABN AMRO mocht volharden in haar standpunt om alleen onder de door haar gestelde voorwaarden toestemming te verlenen voor verhuur van het verhypothekeerde pand ( [pand 4] ).
subonderdelen 1.1-1.5, komt op tegen het oordeel hof in rov. 5.15 (ten aanzien van vordering I) en rov. 5.28 (ten aanzien van vordering IV) dat de zorgplicht van de bank om te waken tegen overkreditering in de relevante periode niet inhield dat een bank het verstrekken van hypothecair krediet in een geval van (dreigende) niet-verantwoorde kredietverstrekking behoorde te weigeren.
Subonderdeel 1.2−
subonderdeel 1.1bevat geen klacht − klaagt dat het hof heeft miskend dat artikel 51 lid 2 Wfd Pro per 1 januari 2006 aan banken verbood om een overeenkomst inzake krediet aan te gaan met een consument, indien dit, met het oog op voorkoming van overkreditering van de consument, onverantwoord is. Het hof had deze bepaling op het onderhavige geval moeten toepassen, omdat [eiseres] zich in de procedure op schending van artikel 51 Wfd Pro heeft beroepen en het hof daartoe op grond van artikel 25 Rv Pro verplicht was.
Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, klaagt
subonderdeel 1.3dat het oordeel onbegrijpelijk is, in het licht van de vaststellingen van het hof dat de overeenkomst ter zake van de hypothecaire lening van € 600.000 tussen ABN AMRO op 17 januari 2006 tot stand is gekomen en dat sprake was van overkreditering. Voor zover het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiseres] zich niet op de schending van artikel 51 Wfd Pro heeft beroepen, heeft het hof volgens
subonderdeel 1.4een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de processtukken.
Subonderdeel 1.5betoogt dat bij het slagen van de hiervoor genoemde klachten de daarop voortbouwende overwegingen en in ieder geval de schadeberekening in rov. 5.29-5.40 niet in stand kunnen blijven.
2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument, indien dit, met het oog op voorkoming van overkreditering van de consument, onverantwoord is.”
subonderdeel 1.2aangevoerde gronden. [4] Toepassing van artikel 51 lid 2 Wfd Pro zou in deze zaak niet tot een andere uitkomst hebben geleid, zodat belang ontbreekt bij de klachten van onderdeel 1. [5] Ik licht dat toe.
(i) [eiseres] had [pand 1] al in juli 2005 verkocht en in eigendom overgedragen; de hypothecaire lening van € 600.000 is pas begin 2006 versterkt. [6] (ii) Ook zonder de normschending geldt als uitgangspunt dat [eiseres] zich door de situatie met de nieuwe eigenaar van [pand 1] genoodzaakt voelde om [pand 2] te verlaten en zij een andere woning wenste te betrekken. [7] (iii) Daarom moet worden aangenomen dat [eiseres] haar zoektocht naar een andere woning had hervat toen duidelijk werd dat [eiseres] de aankoop van [pand 4] niet kon financieren. [8] (iv) Ook moet worden aangenomen dat [eiseres] [pand 2] en [pand 3] ook in de hypothetische situatie zonder normschending zou hebben verkocht nadat zij een andere woning had betrokken, omdat [eiseres] dat in de werkelijke situatie ook heeft gedaan en niet is gebleken dat zij zonder deze verkopen in staat zou zijn geweest een andere woning aan te kopen.
dienormschending ABN AMRO het krediet van € 600.000 voor de aankoop van een [pand 4] niet hebben verleend. In beide hypothetische situaties zou dus geen krediet van € 600.000 zijn verleend.
Voorts geldt in dit geval – zie hiervoor in 2.8.1-2.8.4 − dat ook indien ABN AMRO zou hebben geweigerd een krediet van € 600.000 te verlenen, (i) [pand 1] reeds in 2005 was verkocht, (ii) [eiseres] zich door de situatie met de nieuwe eigenaar van [pand 1] genoodzaakt zou hebben gevoeld om [pand 2] te verlaten, (iii) zij een andere woning hebben zou gekocht en (iv) zij [pand 2] en [pand 3] zou hebben verkocht om daartoe in staat te zijn geweest.
vordering IVter zake van de overkreditering. Bij het krediet van € 600.000 is sprake van overkreditering (rov. 5.29 en 5.31), omdat [eiseres] door de ondeugdelijke advisering van ABN AMRO sneller op haar vermogen moest interen dan in de gegeven omstandigheden verantwoord was (rov. 5.32).
subonderdeel 1.5uitgaat. Ook in dit opzicht ontbreekt belang bij de klachten van onderdeel 1. [11]
Voor wat betreft vordering I stuit dit betoog af op de in cassatie onbestreden overwegingen van het hof ten aanzien van de hypothetische situatie zonder normschending (zie hiervoor in 2.9). Voor wat betreft vordering IV faalt dit betoog in het licht van de eigen schadeberekening van [eiseres] , nu de schade daarin eveneens bestaat uit het verschil tussen werkelijke woonlasten en de woonlasten op basis van de maximaal toegestane hypotheek (zij het dat [eiseres] daarbij andere bedragen hanteerde dan het hof). [12] [eiseres] heeft niet aangevoerd dat zij in de hypothetische situatie zonder normschending (mogelijk) een woning zou hebben gekocht waarvoor geen of een kleine(re) dan de maximaal mogelijke hypotheek nodig was (de schriftelijke repliek verwijst op dit punt ook niet naar vindplaatsen). Na cassatie en verwijzing zou er geen ruimte meer zijn om in deze zaak een dergelijk betoog alsnog te ontwikkelen. [13]
onderdeel 1niet tot cassatie kan leiden.
subonderdelen 2.1-2.7, klaagt over het oordeel van het hof in rov. 5.60-5.61 dat ABN AMRO mocht volharden in haar standpunt om alleen onder de door haar gestelde voorwaarden toestemming te verlenen voor verhuur van het verhypothekeerde pand en dat het voor risico van [eiseres] komt dat zij deze voorwaarden onacceptabel vond. Het hof overwoog:
V. Is ten onrechte geweigerd toestemming te geven voor de verhuur van [pand 4] ?
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof miskent dat de op de bank jegens haar cliënten rustende bijzondere (contractuele) zorgplicht, althans de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 lid 1 en Pro/of artikel 6:248 lid 1 BW Pro − mede gezien de op de bank rustende verplichting ex artikel 2 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden (ABV) naar beste vermogen rekening te houden met de belangen van de cliënten − zich onder omstandigheden, ter beperking of voorkoming van de verwezenlijking van financiële risico’s als gevolg van eerdere overkreditering door die bank van die cliënt, ook kan uitstrekken tot een medewerkingsplicht of inspanningsplicht tot reguliere (commerciële) verhuur op de vrije markt van een woning waarop het hypotheekrecht van de bank rust en ter financiering waarvan de bank een (vanwege eerdere overkreditering te hoge) hypotheeklening heeft verstrekt. Het verlenen van toestemming tot reguliere verhuur van de verhypothekeerde woning is daarvoor in de regel voldoende.
Voor het bestaan van deze verplichtingen zijn, volgens het subonderdeel, onder meer relevant: de aard en inhoud van de rechtsbetrekking tussen de bank en cliënt; de financiële positie van de cliënt; de mate waarin de cliënt als gevolg van de eerdere overkreditering financiële risico’s loopt; de mate waarin die financiële risico’s door de reguliere verhuur kunnen worden beperkt of voorkomen; de risico’s die de bank door medewerking aan die reguliere verhuur zelf loopt; en de mate waarin de bank dat risico door middel van een door de cliënt te dragen verhoging van de hypotheekrente kan afdekken.
onderdeel 2de kwestie van het verlenen van toestemming voor reguliere verhuur van de woning vooral in de sleutel van de beperking van de voor de kredietnemer schadelijke gevolgen van de overkreditering (volgens [eiseres] zou verhuur meer opleveren dan verkoop en haar in staat stellen te profiteren van waardestijging van het pand). [18] Die positionering veronderstelt mijns inziens dat de door [eiseres] gestelde gevolgen van een weigering van ABN AMRO om mee te werken aan reguliere verhuur kunnen worden aangemerkt als vormen van schade die nog als gevolg van de normschending bij de overkreditering aan de bank kunnen worden toegerekend. Aan een beoordeling van die vraag is het hof niet toegekomen.
Daarnaast wordt in de toelichting op onderdeel 2 betoogd dat het leerstuk van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op zichzelf van belang is. Dit betreft de gedachte, kort gezegd, dat uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid volgt dat partijen rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen en dat dit kan betekenen dat zij samen op zoek dienen te gaan naar een oplossing wanneer vasthouden aan een bestaande regel (in neem aan dat wordt gedoeld op het beleid van ABN AMRO ter zake van verhuur van woningen) de belangen van één van partijen zou schaden. [19]
in dit gevalniet de verplichting rustte om de bedoelde medewerking aan de verhuur te verlenen. Hieruit blijkt dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat mogelijk is dat een bank in een geval van overkreditering, onder omstandigheden, gehouden zou kunnen zijn om mee te werken aan verhuur van een verhypothekeerde woning zoals bedoeld in het subonderdeel. Dit uitgangspunt geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.7berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, nu dit subonderdeel ten onrechte veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat ABN AMRO normaal gesproken geen toestemming geeft voor reguliere verhuur reeds meebrengt dat zij die toestemming in de gegeven omstandigheden evenmin behoefde te geven.
subonderdeel 2.3dat het hof heeft miskend dat de hiervoor bedoelde medewerkingsplicht of inspanningsplicht in ieder geval bestaat of kan bestaan in een geval waarin (a) de bank jegens haar cliënt de zorgplicht om te waken tegen overkreditering, althans haar uit artikel 51 lid 2 Wfd Pro voortvloeiende weigeringsplicht heeft geschonden; (b) de overkreditering mede tot gevolg heeft, en samenhangt met het feit, dat de cliënt de renteverplichtingen niet alleen uit inkomen kan betalen, maar mede moet voldoen uit eigen vermogen; (c) de overkreditering tot gevolg heeft gehad dat de cliënt sneller en op financieel onverantwoorde wijze op diens eigen vermogen heeft moeten interen dan zonder de overkreditering het geval zou zijn geweest; (d) de overkreditering tot gevolg heeft gehad dat de cliënt niet meer in de kosten van levensonderhoud kan voorzien; (e) de verhuur van de woning het interen op het vermogen zou hebben verminderd, zou hebben voorkomen of zelfs zou hebben verbeterd; en (f) aan reguliere verhuur van de woning geen bijzondere of reële financiële risico’s voor de bank kleven.
subonderdeel 2.4.1), onder (b) en (c) (
subonderdeel 2.4.2), onder (d) (
subonderdeel 2.4.3), onder (e) (
subonderdeel 2.4.4) en onder (f) (
subonderdeel 2.4.5). Uit de stellingen van [eiseres] volgt, aldus het subonderdeel, samengevat, dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom ABN AMRO terecht zou hebben gewezen op de risico’s van verhuur nu uit die stellingen volgt dat verhuur zou leiden tot zekere verhuurinkomsten waaruit [eiseres] de hypotheeklasten ruimschoots had kunnen voldoen terwijl de kans op langdurige waardedrukkende verhuur gering was.
Subonderdeel 2.4.6klaagt dat zonder nadere motivering in het licht van de in de subonderdelen 2.4.1-2.4.5 genoemde stellingen niet valt in te zien waarom op ABN AMRO in dit geval geen verplichting rustte tot medewerking aan de verhuur van [pand 4] door [eiseres] toestemming te geven tot reguliere verhuur conform haar aan ABN AMRO kenbaar gemaakte voornemens.
Subonderdeel 2.5klaagt in het verlengde van het voorgaande dat ook het oordeel in rov. 5.61 dat hetgeen partijen verder in dit kader naar voren hebben gebracht niet tot een ander oordeel kan leiden in het licht van de in subonderdelen 2.4.1-2.4.5 genoemde stellingen onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
Subonderdeel 2.6klaagt verder dat in het licht van de in subonderdeel 2.4.5 genoemde stellingen niet valt in te zien waarom [eiseres] geen belang meer zou hebben gehad om te worden toegelaten tot het door haar aangeboden getuigenbewijs van die stellingen.
subonderdeel 2.3genoemde omstandigheden dwingen tot de conclusie dat ABN AMRO had moeten meewerken aan de reguliere verhuur van [pand 4] , omdat in het oordeel van het hof in rov. 5.61 besloten ligt dat de in dat subonderdeel onder (e) en (f) genoemde omstandigheden in dit geval niet aan de orde zijn. Zoals hierna wordt uiteengezet, falen de daartegen gerichte motiveringsklachten van
subonderdeel 2.4.
subonderdeel 2.4.1-2.4.2genoemde stellingen – dat sprake was van overkreditering, dat [eiseres] in financiële nood verkeerde en dat [eiseres] door de te hoge hypotheeklasten moest interen op haar vermogen – voldoende in zijn overwegingen betrokken.
subonderdeel 2.4.3-2.4.4genoemde stellingen – die erop neerkomen dat bij reguliere verhuur van [pand 4] zou zijn voorkomen dat [eiseres] niet meer kan voorzien in haar onderhoudskosten en verder zou interen op haar vermogen − voldoende in zijn overwegingen betrokken. [20]
onder (a)-(g)naar verschillende stellingen van [eiseres] in feitelijke instanties. In het licht daarvan valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom ABN AMRO terecht zou hebben gewezen op de risico’s van verhuur. Uit de stellingen van [eiseres] , waaraan het hof geen woord wijdt, volgt immers dat de kans op leegstand vrijwel nihil was, het vermogen van [eiseres] als gevolg van de verhuurconstructie met € 1.270 per maand zou vermeerderen (verhuuropbrengsten van € 4.000, minus hypotheeklasten van € 2.100 en huur van een vervangende woning voor € 630 per maand; zie subonderdeel 2.4.4), [eiseres] een korte periode van leegstand zou hebben kunnen dragen en de kans op langdurige waardedrukkende verhuur gering was, aldus samengevat het subonderdeel.
subonderdelen 2.4.6, 2.5 en 2.6bouwen voort op de falende subonderdelen 2.4.1-2.4.5 en delen in het lot daarvan.
subonderdelen 3.1-3.2, komt op tegen het oordeel in rov. 5.62 waarin het hof het verwijt van [eiseres] verwerpt dat ABN AMRO in strijd handelde met “diverse regelgeving”. Het hof overwoog:
Subonderdeel 3.2bouwt voort op de subonderdelen 1.2, 2.2, 2,3 en 2. 4 en deelt in het lot daarvan. Onderdeel 3 slaagt niet.
subonderdeel 4.1op tegen rov. 5.60-5.62, maar richt zich met name op rov. 5.62.
Ten eerstevalt volgens het subonderdeel in het licht van de in de subonderdelen 2.4.1-2.4.5 genoemde omstandigheden niet in te zien dat ABN AMRO zich heeft gehouden aan haar verplichting van artikel 2 ABV Pro en is ook de overweging in rov. 5.62 dat ABN AMRO zich niet ‘onredelijk’ heeft gedragen, onvoldoende gemotiveerd, omdat [eiseres] als gevolg van de overkreditering door ABN AMRO in financiële problemen is geraakt die met de vrijwel risicoloze reguliere verhuur voorkomen had kunnen worden.