ECLI:NL:PHR:2022:845

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2022
Publicatiedatum
22 september 2022
Zaaknummer
22/00609
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 BW Curaçao (oud)Art. 8 lid 1 sub m statuten SSCArt. 11 lid 8-9 statuten SSCArt. 3:40 BWArt. 281a Rv-C
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest bestuurdersaansprakelijkheid wegens onvoldoende motivering en terugwijzing naar hof

De zaak betreft een geschil over bestuurdersaansprakelijkheid van [verzoekster], voormalig statutair directeur van Stichting Studiefinanciering Curaçao (SSC), jegens SSC op grond van artikel 2:14 (oud) BW Curaçao. Het geschil draait om de vraag of [verzoekster] aansprakelijk is voor schade voortvloeiend uit een overeenkomst met het bedrijf Experientia, die zij zonder de vereiste goedkeuring van de Raad van Commissarissen (RvC) zou hebben gesloten.

In eerste aanleg en hoger beroep werd [verzoekster] aansprakelijk gehouden omdat de overeenkomst zonder formele goedkeuring van de RvC was aangegaan, wat volgens het hof een ernstig verwijt opleverde. [Verzoekster] betwistte dit en stelde dat de RvC wel degelijk toestemming had gegeven, onder meer via e-mailcorrespondentie en verklaringen van de twee leden van de RvC die destijds nog actief waren.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het bewijs van toestemming door de RvC, waaronder verklaringen en e-mails, niet voldoende is meegewogen. Ook is onduidelijk waarom het hof aannam dat de RvC uit meer leden bestond dan de twee genoemde leden. Verder is onvoldoende aandacht besteed aan de omstandigheden die het handelen van [verzoekster] kunnen verlichten, zoals het feit dat de overeenkomst paste binnen het overheidsbeleid en begrotingen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij het hof de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden en bewijsstukken volledig moet betrekken bij de beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheid.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00609
Zitting23 september 2022
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
[verzoekster] (hierna:
[verzoekster])
tegen
Stichting Studiefinanciering Curaçao (hierna:
SSC)
Deze Caribische zaak draait om bestuurdersaansprakelijkheid op de voet van art. 2:14 (oud) BW Curaçao (hierna:
BW-C) van een bestuurder van een stichting jegens die stichting, zoals aangenomen door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het
hof). In cassatie keert de bestuurder zich met rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel. Ik meen dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

1.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende achtergrond van de zaak, ontleend aan rov. 2.2-2.6 van het vonnis van 23 november 2021 van het hof (hierna: het
vonnis). [1]
1.1
SSC is een stichting met als doelstelling het verstrekken van studiefinanciering aan ingezetenen van Curaçao en het beheren en het innen van de in dat kader verstrekte studieleningen.
1.2
In 2011 is [verzoekster] benoemd tot voorzitter van het bestuur van SSC. Met ingang van 2 februari 2012 werd [verzoekster] naast haar bestuursfunctie tevens interim-directeur, na het vertrek van de toenmalige directeur. Vervolgens is het bestuur met [verzoekster] als werkneemster een arbeidsovereenkomst aangegaan op 30 juli 2012, waarin [verzoekster] met ingang van 1 augustus 2012 als directeur in dienst is getreden van SSC.
1.3
Op 26 juli 2013 zijn de statuten van SSC gewijzigd. In art. 5 van Pro de nieuwe statuten is bepaald dat de stichting het bestuur en de raad van commissarissen (hierna: de
RvC) als organen kent. [verzoekster] is per 26 juli 2013 benoemd tot statutair directeur van SSC.
1.4
[verzoekster] is per 13 juli 2017 geschorst door de RvC.
1.5
Op de vergadering van de RvC van 23 augustus 2017 is besloten om [verzoekster] te ontslaan. In de desbetreffende brief van de RvC, kennelijk van 23 augustus 2017 maar abusievelijk, gezien de bewoordingen "RvC heeft hedenochtend vergaderd", gedateerd op 14 augustus 2017, staat onder meer:
"(…) Dat wanbeleid dat is geconstateerd is van een dermate ernst en omvang dat de RvC een verdere samenwerking met u als enige bestuurder van SSC niet langer kan rechtvaardigen. De RvC heeft mede in het licht daarvan besloten tot uw ontslag als statutair bestuurder per heden, met eveneens de opzegging van uw overeenkomst van opdracht per heden. (…)"

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Bij verzoekschrift van 6 februari 2018 heeft [verzoekster] SSC gedagvaard voor het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het
gerecht) en een aantal vorderingen ingesteld. Het hof geeft deze weer in rov. 3.1 van het vonnis.
2.2
SSC heeft verweer gevoerd en in reconventie een aantal vorderingen ingesteld. Het hof geeft deze weer in rov. 3.2 van het vonnis. Daartoe behoort de vordering van SSC om:
“bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren:
(…)
B. Voor recht te verklaren dat [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade die SSC zal lijden uit hoofde van vergoedingen die aan het bedrijf Experientia zullen dienen te worden betaald, met de bepaling dat deze schade in een schadestaatprocedure zal dienen te worden bepaald. (…)”
2.3
[verzoekster] heeft in reconventie verweer gevoerd.
2.4
Bij beschikking van 5 juli 2018 heeft het gerecht een aantal beslissingen genomen. Onderdeel daarvan is dat verder wordt geprocedeerd op de AR-rol, zoals in deze beschikking nader bepaald door het gerecht. [2]
2.5
Bij vonnis van 30 maart 2020 heeft het gerecht uitspraak gedaan in conventie en in reconventie. Ik citeer de weergave daarvan door het hof in rov. 3.4 van het vonnis:
“3.4 In het bestreden vonnis (van
30 maart 2020) heeft het Gerecht in conventie de vorderingen afgewezen, [verzoekster] in de proceskosten van SSC, begroot op NAf 3.750,-, veroordeeld en deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en in reconventie voor recht verklaard dat [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade die SSC lijdt en zal lijden uit hoofde van de tussen SSC en Experientia op 15 mei 2017 tot stand gekomen overeenkomst en [verzoekster] veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.”
In hoger beroep
2.6
[verzoekster] is bij akte van appel van 11 mei 2020 in hoger beroep gekomen van het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020. Zij heeft vervolgens bij memorie van grieven meerdere grieven daartegen aangevoerd.
2.7
Bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel heeft SSC de grieven van [verzoekster] bestreden en voorts onder aanvoering van drie grieven tegen het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020 incidenteel hoger beroep daarvan ingesteld.
2.8
[verzoekster] heeft in het incidentele hoger beroep verweer gevoerd.
2.9
Op 4 mei 2021 heeft een zitting van het hof plaatsgevonden, in welk verband partijen pleitnota’s hebben overgelegd.
2.1
Bij het bestreden vonnis bevestigt het hof het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020, veroordeelt het hof [verzoekster] in de kosten van het principaal hoger beroep, veroordeelt het hof SSC in de kosten van het incidenteel hoger beroep en verklaart het hof de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
2.11
In cassatie draait het om hetgeen het hof overweegt in rov. 3.27-3.32 van het vonnis over de onder 2.2 en 2.5 hiervoor bedoelde vordering van SSC onder B, waarop het dictum van het vonnis in zoverre ook voortbouwt. Voor een goed begrip citeer ik deze overwegingen. Daarbij is tweemaal sprake van rov. 3.31, een randnummeringfout in het vonnis. Daarom duid ik hierna de eerste rov. 3.31 aan als “3.31.I” en de tweede als “3.31.II”. [verzoekster] doet dat ook in de procesinleiding.
“de vordering van SSC onder B
3.27 Inzake Experientia stelt SSC ter onderbouwing van de door haar gestelde aansprakelijkheid van [verzoekster] dat de overeenkomst die SSC op 15 mei 2017 is aangegaan met Experientia nietig is omdat deze is aangegaan in het kader van het afscheidsbeleid en als zodanig in strijd is met de openbare orde of de goede zeden in de zin van artikel 3:40 BW Pro. [verzoekster] heeft door de overeenkomst het opvolgend kabinet opgezadeld met een fait accompli. Bovendien was duidelijk dat SSC de overeenkomst niet zou kunnen nakomen, hetgeen des te meer klemt omdat het geven van trainingen niet de core business van SSC is. De RvC heeft ook geen goedkeuring gegeven voor de overeenkomst, aldus SSC.
3.28 [verzoekster] voert aan dat de statuten van SSC en de Code Corporate Governance een structuur kennen die moet worden gevolgd bij het nemen van besluiten. SSC krijgt via een Programma van Eisen een opdracht van de overheid, om een taak dan wel taken voor de overheid te verrichten, SSC maakt daarvoor een begroting en na goedkeuring hiervan ontvangt SSC een subsidie van de overheid om die taak of taken te bekostigen. De uitvoering van deze taak of taken vindt plaats onder supervisie van de RvC. [verzoekster] heeft deze structuur steeds volledig en naar behoren gevolgd. Dat de nieuwe regering anders tegen zaken aankijkt als de toenmalige regering, kan [verzoekster] niet met vrucht worden tegengeworpen. De overeenkomst met Experientia was in overeenstemming met het Businessplan van SSC. Het bedrag dat voor deze activiteit is vastgesteld voor 2017 en de bedragen die voorheen voor deze activiteit zijn uitgegeven, zijn door de Staten goedgekeurd in de begrotingen van 2013 tot 2017. In het Programma van Eisen 2017, waarin de overheid de jaartaak van SSC heeft vastgelegd en opgelegd, heeft de overheid SSC geïnstrueerd om in 2017 de voorbereiding en begeleiding van de studenten uit te bouwen. De overheid was dus van mening dat het om een goede besteding ging en dat die zelfs hoger moest worden. Om aan deze instructie van de overheid te kunnen voldoen, moest een nieuwe overeenkomst met Experientia worden aangegaan. Van afscheidsbeleid is dan ook geen sprake.
3.29 Het volgende wordt overwogen. Vaststaat dat met de overeenkomst met Experientia voor SSC een financieel belang was gemoeid hoger dan NAf 100.000,00. Dat betekent ingevolge artikel 8 lid 1 sub m van Pro de statuten van SSC dat het besluit tot het aangaan van die overeenkomst onderworpen was aan goedkeuring van de RvC. Uit artikel 11 lid 8 van Pro de statuten volgt dat, als uitgangspunt, besluiten door de RvC worden genomen in een vergadering. Volgens lid 9 van dat artikel kan de RvC
"ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle leden van de raad van commissarissen hun stem schriftelijk hebben uitgebracht en geen der leden van de raad van commissarissen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Het stuk waaruit de in de vorige volzin bedoelde besluitvorming blijkt, wordt bij de notulen gevoegd".
3.30 Volgens [verzoekster] heeft zij, anders dan SSC aanvoert, van de RvC wel degelijk goedkeuring gekregen voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia. Daartoe verwijst zij naar een e-mail die is overgelegd als productie 11 bij de conclusie van antwoord in reconventie. Bovendien, zo stelt zij, was de vice-voorzitter van de RvC bij de ondertekening van de overeenkomst aanwezig.
3.31 Die e-mail van 5 mei 2017 (productie 11a) is door [de vice-voorzitter van de RvC] , vice-voorzitter van de RvC, verzonden aan [verzoekster] en is cc verzonden aan [lid van de RvC] , een ander lid van de RvC. De tekst ervan luidt als volgt:
"Mi a studia e kontrakt i e ta OK"
Uit die e-mail van [de vice-voorzitter van de RvC] volgt niet dat de RvC tot goedkeuring heeft besloten in een vergadering van haar dan wel buiten vergadering conform de vereisten die daarvoor zijn gesteld in artikel 11 lid 9 van Pro de statuten van SSC. Zelfs is niet gesteld of gebleken dat [de vice-voorzitter van de RvC] over deze kwestie met [lid van de RvC] of een van de andere leden van de RvC contact heeft gehad alvorens hij genoemde e-mail aan [verzoekster] verstuurde. Daarom kan uit die e-mail niet worden afgeleid dat de RvC goedkeuring heeft gegeven voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia, ook niet in verband met de door [verzoekster] gestelde aanwezigheid van [de vice-voorzitter van de RvC] bij de ondertekening van de overeenkomst. Van enige betrokkenheid van andere leden van de RvC dan [de vice-voorzitter van de RvC] blijkt daaruit niet.
3.31 De aangehaalde statutaire bepalingen met betrekking tot de besluitvorming moeten geacht worden als oogmerk te hebben SSC te beschermen. De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 […] / […] ). Het verweer van [verzoekster] dat - samengevat - de overeenkomst past in het overheidsbeleid, indien al juist, betekent niet dat [verzoekster] daarmee de vrijheid had namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder toestemming van de RvC. Dit geldt te meer omdat de overeenkomst aanmerkelijke financiële lasten voor SSC, die toch al in financieel zwaar weer verkeerde, meebracht en niet is gesteld of gebleken dat het aangaan daarvan bijzonder spoedeisend was.
3.32 Op basis van hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd kan derhalve niet worden aangenomen dat het handelen in strijd met statutaire bepalingen door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder toestemming van de RvC niet een ernstig verwijt oplevert. [verzoekster] is op grond daarvan aansprakelijk voor de nadelige financiële gevolgen van de overeenkomst die [verzoekster] namens SSC heeft gesloten met Experientia, onder andere het betalen van een substantiële vergoeding aan Experientia. De grief faalt.”
In cassatie
2.12
Bij procesinleiding, ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad op 23 februari 2022, is [verzoekster] tijdig in cassatie gekomen van het vonnis. SSC heeft verstek laten gaan. [verzoekster] heeft afgezien van schriftelijke toelichting.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel van [verzoekster] bestaat uit vier onderdelen, waarvan het laatste onderdeel een voortbouwklacht behelst. De klachten richt zich tegen rov. 3.28-3.32 van het vonnis en de daarop voortbouwende oordelen van het hof in rov. 3.15 (3.35) [3] en het dictum in samenhang met rov. 3.27-3.28.
Onderdeel 1
3.2
Onderdeel 1 is gekant tegen rov. 3.28-3.32 van het vonnis.
3.2.1
Het onderdeel klaagt vooreerst dat ’s hofs oordeel aldaar onbegrijpelijk althans niet toereikend gemotiveerd is, omdat het hof twee essentiële verklaringen (overgelegd door [verzoekster] als productie 7 bij de memorie van grieven) alsmede het beroep daarop door [verzoekster] in (de toelichting op) haar grief 9 onbesproken laat, terwijl daaruit kort gezegd blijkt dat de RvC had besloten tot goedkeuring aan [verzoekster] om de overeenkomst met Experientia te tekenen. Dit is de
eerste klacht in het onderdeel.
3.2.2
Het onderdeel klaagt verder dat het hof daar onbegrijpelijk oordeelt dat er toen naast de genoemde twee leden van de RvC, te weten [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] (hierna:
[de vice-voorzitter van de RvC]respectievelijk
[lid van de RvC]), nog “andere leden” van de RvC waren. Daarbij wijst het onderdeel op vindplaatsen in de gedingstukken. [4] Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
Behandeling
3.3
Het onderdeel slaagt, gelet op het volgende.
3.4
Ik begin met de
eerste klacht in het onderdeel. Deze boekt succes.
3.4.1
Onder 3.4.2-3.4.7 hierna maak ik enkele opmerkingen over de gang van zaken in eerste aanleg en hoger beroep, voor zover relevant. Onder 3.4.8 hierna keer ik terug naar de klacht.
3.4.2
Met grief 9 in haar memorie van grieven richtte [verzoekster] zich tegen rov. 2.19 van het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020. Daar overwoog het gerecht als volgt:
“2.19. [verzoekster] stelt dat zij die goedkeuring [van de RvC op grond van art. 8 lid 1 sub m van Pro de statuten van SSC (zie rov. 2.18), A-G] had. Zij verwijst daartoe naar een mail van een van de leden van de RvC (E. [de vice-voorzitter van de RvC] ) van 5 mei 2017, waarin hij opmerkt dat het contract “ta OK”. De mail is cc verzonden aan [lid van de RvC] , kennelijk het enige andere lid van de RvC. Deze vorm van goedkeuring volstaat niet. Vast staat dat aan de mail van [de vice-voorzitter van de RvC] geen vergadering van de RvC is vooraf gegaan. Op zichzelf is besluitvorming door de RvC buiten vergadering mogelijk, maar dan moeten wel alle leden van de RvC schriftelijk hun stem uitbrengen en moet daarvan blijken uit de notulen (artikel 11 lid Pro 9). Aan deze vereisten is niet voldaan. Van enige bemoeienis van [lid van de RvC] met de goedkeuring door [de vice-voorzitter van de RvC] is niet gebleken, hetgeen mogelijk verklaard wordt door de - onbetwiste - stelling van SSC dat [lid van de RvC] destijds al geruime tijd ziek was. In feite ligt er niet meer dan die ene mail van één lid van de RvC.”
3.4.3
Die grief 9 van [verzoekster] luidt als volgt:

Grief 9Ten onrechte heeft de eerste rechter in r.o. 2.19 overwogen dat de vorm van de toestemming van de RVC niet volstaat. Volgens de eerste rechte staat vast dat aan de mail van [de vice-voorzitter van de RvC] geen vergadering van de RVC heeft plaatsgevonden.
Toelichting Grief 9De mail is verzonden aan [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] . De twee enige leden van de RVC, plus een schriftelijke verklaring van [lid van de RvC] waaruit blijkt dat hij akkoord is. Toen het contract werd getekend was [de vice-voorzitter van de RvC] fysiek aanwezig. Ook de HR-manager was ten tijde van de verlenging van het contract met Experentia aanwezig. Hieruit blijkt de uitdrukkelijke instemming van de Rvc.
Als productie 7 worden wederom twee verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat de leden van de RVC akkoord waren met de verlenging van het contract met Experentia.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
3.4.4
Met die grief 9 betoogde [verzoekster] in essentie dus dat zij - anders dan het gerecht oordeelde in die rov. 2.19 - goedkeuring had van de RvC (bestaande uit [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] ) om namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan, waarbij sprake was van een voorafgaande vergadering van de RvC waarin tot die goedkeuring is besloten. Daarbij wees [verzoekster] niet alleen op de e-mailcorrespondentie van 5 mei 2017 tussen haar, [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] (dus: destijds de enige leden van de RvC), [5] waaruit het hof deels citeert in rov. 3.31.I van het vonnis. Daarbij wees zij ook erop dat [de vice-voorzitter van de RvC] (net als de HR-manager) fysiek aanwezig was toen het contract werd getekend. En betrok zij tevens die als productie 7 bij de memorie van grieven overgelegde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] waaruit blijkt dat zij, de leden van de RvC, toen akkoord waren met de verlenging van het contract met Experientia.
3.4.5
Die door [verzoekster] als productie 7 overgelegde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] zijn vrijwel gelijkluidend. Het hier relevante deel van de desbetreffende verklaringen, dat daarin vooropstaat, komt erop neer dat [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] bevestigen dat zij op 5 mei 2017 als vice-voorzitter respectievelijk penningmeester van de RvC aan [verzoekster] als directeur van SSC toestemming hebben verleend om akkoord te gaan met het contract voor drie jaar ingaande 2017 van het bedrijf Experientia. En dat ten tijde van het tekenen van dit contract de RvC bestond uit [de vice-voorzitter van de RvC] als vice-voorzitter en [lid van de RvC] als penningmeester.
3.4.6
Wat ik schrijf onder 3.4.4 hiervoor strookt met de memorie van antwoord tevens incidenteel appel zijdens SSC. Zo wordt in nr. 17 daarvan aangevoerd:
“17. De RvC heeft ook geen goedkeuring gegeven aan het contract, zodat de statutaire bepalingen niet zijn gevolgd. Ook dat levert een ernstig verwijt op. Er wordt bewijs aangeboden van het niet vergaderen van de RvC middels het inbrengen van hun laatste notulen van ruim voor het aangaan van de betreffende overeenkomst, waaruit blijkt dat de RvC dan nog maar bestaande uit twee leden niet meer zou vergaderen en er ook vanuit gingen dat zij geen rechtsgeldige besluiten konden nemen. Dat thans achteraf kennelijk een email uit de hoge hoed wordt getoverd en een verklaring wordt ingebracht waarvan de inhoud wordt betwist, maakt dat niet anders. Het is ook duidelijk dat deze RvC partijdig is in deze en niet het belang van SSC voor ogen heeft. De RvC dient juist ervoor te waken dat de directeur geen verplichtingen aangaat dat de SSC niet aankan. Iets anders zou een ernstig verwijt van de RvC ook impliceren. Om die reden lijkt het SSC ook nuttig om deze twee RvC leden onder ede te horen in dit hoger beroep, teneinde van hen zelf te horen wat hun mening is. SSC wenst hen te horen en verzoekt zulks hierbij formeel.”
3.4.7
Verder valt te wijzen op de pleitnota in hoger beroep zijdens [verzoekster] , specifiek de volgende passage op p. 4:
“ [verzoekster] heeft op haar beurt wel bewijs overgelegd da de leden van de RVC wel degelijk hun toestemming hebben gegeven en zelfs erbij zaten toen de overeenkomst werd ondertekend. Dit is onbetwist door SSC. SSC biedt wederom bewijs dat er geen vergaderingen zijn geweest maar levert het bewijs niet. [verzoekster] wel.”
3.4.8
Ik keer nu terug naar de klacht. Onder 2.11 hiervoor citeerde ik rov. 3.27-3.32 van het vonnis. M.i. valt dit oordeel van het hof, specifiek in rov. 3.29-3.31.I, niet anders te verstaan dan dat het hof daarin maar slechts ten dele respondeert op wat door [verzoekster] is aangevoerd in het kader van haar grief 9. Het hof, onderkennend dat volgens [verzoekster] zij van de RvC wel degelijk goedkeuring heeft verkregen voor het aangaan van een overeenkomst met Experientia, betrekt daar kenbaar immers slechts de e-mail van 5 mei 2017 van [de vice-voorzitter van de RvC] aan [verzoekster] met [lid van de RvC] ingekopieerd, waarop [verzoekster] onder meer heeft gewezen, en de door [verzoekster] gestelde aanwezigheid van [de vice-voorzitter van de RvC] bij de ondertekening van de overeenkomst. Daarmee slaat het hof daar in het bijzonder geen acht op wat door [verzoekster] is aangevoerd aan het slot van haar grief 9 (de passage die onder 3.4.3 hiervoor is onderstreept en de daar bedoelde productie 7), waarop zij mede voortbouwde bij pleidooi in hoger beroep. Gezien ook de gang van zaken in eerste aanleg en hoger beroep als weergegeven onder 3.4.2-3.4.7 hiervoor kon het hof dit m.i. niet zo doen, zonder nadere motivering in het licht van dat slot van grief 9 en de daar bedoelde productie 7. Daarmee gaat het hof te kort door de bocht. Het onderdeel klaagt daarover wat mij betreft terecht. Daarbij betrek ik dat niet op voorhand gegeven is dat wat [verzoekster] in dat verband heeft aangevoerd, mede bezien tegen de achtergrond van grief 9 voor het overige en de statuten van SSC (waaronder art. 8 en Pro 11), in het kader van SSC’s vordering onder B niet de conclusie kan rechtvaardigen dat [verzoekster] goedkeuring had van de RvC (bestaande uit [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] ) om namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan, waarbij sprake was van een voorafgaande vergadering van de RvC waarin tot die goedkeuring is besloten. Zoals [verzoekster] dus in essentie betoogt met grief 9. Zie onder 3.4.4 hiervoor. Dit vergt een nieuwe beoordeling door het hof. Daarbij is ook 3.5-3.5.5 hierna van belang.
3.5
De
tweede klacht in het onderdeelboekt eveneens succes.
3.5.1
Blijkens rov. 3.31.I van het vonnis gaat het hof ervan uit dat de RvC, ten tijde van de door [verzoekster] gestelde goedkeuring van de RvC op 5 mei 2017 voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia en de ondertekening van die overeenkomst op 15 mei 2017, uit meer leden bestond dan [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] . Zie met name de bewoordingen “aan [lid van de RvC] , een ander lid van de RvC”, “met [lid van de RvC] of een van de andere leden van de RvC” en “betrokkenheid van andere leden van de RvC dan [de vice-voorzitter van de RvC] ”. Hoe het hof hierbij komt, is mij een raadsel.
3.5.2
Dit is niet te rijmen met de stellingname van [verzoekster] in eerste aanleg en hoger beroep - mede op basis van eigen verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] - dat in genoemde periode in mei 2017 de RvC twee leden had, te weten [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] . [6] Dit is evenmin te rijmen met de - in hoger beroep onbestreden - vaststelling van het gerecht in rov. 2.19 van het vonnis van 30 maart 2020 dat op 5 mei 2017 [lid van de RvC] kennelijk het enige andere lid van de RvC was, naast [de vice-voorzitter van de RvC] . Zie onder 3.4.2 hiervoor.
3.5.3
Dit is temeer onbegrijpelijk in het licht van de stellingname van SSC in hoger beroep dat de RvC in genoemde periode nog maar uit twee leden bestond. Welke stellingname te vinden is in dezelfde passage in de memorie van antwoord tevens incidenteel appel waarin SSC aanvoert dat de RvC geen goedkeuring heeft gegeven aan het contract, waarop het hof zelf wijst in rov. 3.27, laatste zin. Zie onder 2.11 en 3.4.6 hiervoor.
3.5.4
Ik merk nog op dat die onbegrijpelijkheid van ’s hof oordeel niet wordt weggenomen door de verwijzing in rov. 3.25 van het vonnis - in ander verband dan SSC’s vordering onder B, waarop rov. 3.27-3.32 zien - naar door [verzoekster] overgelegde notulen van RvC-vergaderingen van 30 september 2015, 15 maart 2016 en 17 mei 2016 (als bedoeld in rov. 3.23), waaruit volgt “dat de RvC op die data telkens met een aantal (meer dan twee) leden heeft vergaderd”, etc. Dit betreft immers slechts de periode t/m mei 2016 en niet de periode daarna, in het bijzonder de relevante periode in mei 2017.
3.5.5
Kortom, ook dit kon het hof m.i. niet zo doen, zonder nadere motivering. Het onderdeel klaagt ook daarover wat mij betreft terecht.
3.6
Met het slagen van onderdeel 1 wordt reeds het kleed weggetrokken onder de door het hof in rov. 3.27-3.32 en het dictum van het vonnis aangenomen bestuurdersaansprakelijkheid van [verzoekster] jegens SSC op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C. Ik behandel volledigheidshalve ook de andere onderdelen.
Onderdeel 2
3.7
Onderdeel 2 is gekant tegen rov. 3.29-3.32 van het vonnis.
3.7.1
Het onderdeel klaagt vooreerst [7] dat ’s hofs oordeel aldaar blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, waar het in rov. 3.29 belang hecht aan de formaliteiten van art. 11 lid Pro 8-9 van de statuten van SSC en daarom aanneemt dat er geen toestemming was van de RvC, en in de daarop volgende rov. 3.30-3.32 handelen in strijd met die statuten aanneemt en [verzoekster] daarvoor als bestuurder aansprakelijk houdt. Daartoe voert het onderdeel aan - los van de verwijzing naar onderdeel 1 en de daarin bedoelde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] - dat het hof daar miskent dat art. 8 van Pro de statuten van SSC slechts spreekt van
toestemmingvan de RvC, alsmede dat die statuten niet bepalen dat de in art. 8 daarvan Pro bedoelde goedkeuring van de RvC
uitsluitendkan plaatsvinden door middel van een besluit van de RvC in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9. En verder dat “[d]at betekent” dat [verzoekster] terecht heeft aangevoerd - zie rov. 3.28 - dat SSC via een programma van eisen een
opdrachtkrijgt van de overheid om een taak/taken voor de overheid te verrichten, dat de uitvoering daarvan plaatsvindt onder supervisie van de RvC en dat [verzoekster] deze structuur steeds volledig en naar behoren heeft gevolgd. Daarbij merkt het onderdeel nog op dat in dit programma van eisen besloten ligt dat een bestuurder ervan mag uitgaan dat wanneer de leden van de RvC te kennen geven
datde RvC heeft ingestemd, dat ook zo is. De bestuurder hoeft zich er dan niet nog eens om te bekreunen of dat ook op juiste wijze is geformaliseerd en als het ware een schriftelijk bewijs daarvan te verlangen. Dit is de
eerste klacht in het onderdeel.
3.7.2
Het onderdeel klaagt verder [8] dat, voor zover het hof in rov. 3.29, 3.31.I en 3.31.II heeft geoordeeld dat “die toestemming” ontbrak omdat daarvoor geen
formeelbesluit van de RvC is gebleken, het hof miskent dat het in beginsel de taak van een bestuurder te buiten gaat om te controleren of een
raad van commissarissende statuten wel goed heeft nageleefd. In beginsel kan en mag een bestuurder vertrouwen op een mededeling van de voorzitter namens de RvC dat die RvC toestemming geeft voor het aangaan van een contract. Althans indien en voor zover dit anders is (en er wel strijd met de statuten zou zijn), is dit in elk geval een aspect dat moet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van “zodanig een ernstig verwijt dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid”. Het hof miskent dan ook in rov. 3.31.I-3.32 dat er in het geheel geen sprake is van een strijd met de statuten, in elk geval niet voor het handelen van [verzoekster] die, zoals het hoorde, toestemming heeft gevraagd en gekregen van de RvC. Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
3.7.3
Het onderdeel vervolgt [9] met op te merken dat, zo er al sprake is van strijd met de statuten, het feit dat de commissarissen [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] toestemming hebben gegeven aan [verzoekster] voor het aangaan van het contract met Experientia een - evident als verweer aangevoerde - omstandigheid oplevert die het hof uitdrukkelijk had moeten betrekken bij zijn oordeel of het gewraakte handelen in strijd met de statuten al met al een ernstig verwijt oplevert. Immers, indien het slechts een formaliteit betreft waaraan derden zich moeten conformeren (te weten in dit geval dat de RvC niet de formele route heeft gevolgd, terwijl [verzoekster] als bestuurder wel conform de statuten toestemming heeft gevraagd en gekregen), getuigt het oordeel van het hof in rov. 3.29-3.32 van een onjuiste, want te lichte maatstaf voor het aannemen van interne bestuurdersaansprakelijkheid. Het gaat immers om een
ernstigverwijt en daarvan is geen sprake als het slechts een formaliteit van een derde (de RvC) betreft. Daaraan voegt het onderdeel nog toe [10] dat althans rov. 3.32, eerste zin en rov. 3.31.I-3.31.II blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatstaf ‘ernstig verwijt’ [11] althans onbegrijpelijk zijn, gezien stellingen van [verzoekster] als (onvolledig) weergegeven in rov. 3.28 waarvan het hof de juistheid in het midden laat. Dit is de
derde klacht in het onderdeel.
3.7.4
Het onderdeel klaagt voorts [12] dat het hof met de eerste zin van rov. 3.31.II, voortbouwend op rov. 3.29, buiten het partijdebat treedt nu daaromtrent - kort gezegd: de beschermingsstrekking van deze statutaire bepalingen, ten gunste van SSC - geen debat is gevoerd. En verder dat het hof in zowel rov. 3.29 als rov. 3.31.II bovendien de strekking van de daarin bedoelde statutaire bepalingen miskent. Anders dan de in art. 8 van Pro die statuten bedoelde toestemming van de RvC, die naar men mag aannemen moet voorkomen dat een bestuurder te veel op eigen houtje acteert, heeft art. 11 van Pro die statuten meer een ordenende functie en is deze bepaling
gericht op de RvC(
nietop de bestuurder die toestemming nodig heeft) en dus ook niet (mede) bepalend voor “de geldigheid van de gegeven toestemming”. Art. 11 heeft Pro geen oogmerk SSC te beschermen in het geval de RvC bij het geven van toestemming voor het aangaan van een contract dat niet via officiële raadsvergadering zou hebben gedaan, maar dit informeel tussen de (twee) leden van de RvC is afgestemd, waarna [de vice-voorzitter van de RvC] namens de RvC vervolgens per e-mail toestemming geeft. Het doel van de toestemming blijft immers overeind: een bestuurder mag niet op eigen houtje boven een bepaald bedrag uitgaven doen, maar eerst na toestemming van de RvC. Bij gebreke van een bepaling omtrent de vorm van die toestemming in dat art. 8 kan Pro dat dus ook via een e-mail, mondeling of in een verklaring. Het hof heeft hetzij dit miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Dit is de
vierde klacht in het onderdeel.
3.7.5
Daaraan voegt het onderdeel nog toe [13] dat dit oordeel [14] in rov. 3.31.II in samenhang met rov. 3.29 temeer rechtens onjuist en onbegrijpelijk is, nu
close readingvan de statuten van SSC leert dat volgens art. 8 lid 2 sub i en Pro ii [verzoekster] het contract met Experientia zelfs zonder toestemming van de RvC kon tekenen. Dit omdat de kosten van het contract reeds waren opgenomen in een goedgekeurde begroting (i) en het bedrag van dat contract het begrootte bedrag niet overschreed (ii). [15] De in onderdeel 1 bedoelde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] reppen daar ook over. Ook vanuit die optiek valt dus niet in te zien dat en waarom er van de RvC door [verzoekster] meer moest worden verlangd dan de toestemming die er thans ligt op straffe van de bestuurdersaansprakelijkheid. Dit is de
vijfde klacht in het onderdeel.
3.7.6
Het onderdeel klaagt tot slot [16] naar aanleiding van de voorlaatste zin van rov. 3.32 (“een substantiële vergoeding”) en ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het verweer van [verzoekster] . De klacht komt erop neer dat, waar [verzoekster] uitdrukkelijk het causaal verband tussen het sluiten van het contract en het uiteindelijk aan Experientia te betalen bedrag heeft betwist en een eigen schuld-verweer heeft gevoerd, [17] het hof dit ten onrechte onbesproken heeft gelaten. Het hof had dit dan ook, zo nodig de rechtsgronden aanvullend, moeten kwalificeren als een causaliteitsverweer en subsidiair een beroep op eigen schuld. Het hof heeft hetzij dit miskend, hetzij het vonnis op dit punt ontoereikend gemotiveerd. In dat licht is dan ook zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, dat het hof daaraan in rov. 3.31.II en elders in het vonnis geen aandacht besteedt en wél in de voorlaatste zin van rov. 3.32 oordeelt zoals het doet. Dit is de
zesde klacht in het onderdeel.
Behandeling
3.8
Op het slotstuk van de derde klacht in het onderdeel [18] kom ik terug bij de behandeling van onderdeel 3, onder 3.15-3.19 hierna. Voor het overige geldt dat het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.9
Ik begin met de
eerste klacht in het onderdeel.
3.9.1
Voor zover de klacht aanvoert dat het hof in rov. 3.29 en daarop voortbouwend in rov. 3.31.I-3.32 van het vonnis miskent dat art. 8 van Pro de statuten van SSC slechts spreekt van
toestemmingvan de RvC, ziet de klacht eraan voorbij dat dit art. 8 niet Pro spreekt van zo’n toestemming, maar van bepaalde besluiten van het bestuur die - onverminderd het elders in deze statuten bepaalde - onderworpen zijn aan “de goedkeuring” van de RvC. En dat onderkent het hof, mede gelet op rov. 3.29-3.31.I. Daaraan doet niet af dat het hof in rov. 3.31.I en 3.32 wijst op het ontbreken van “toestemming van de RvC”, nu het daarmee kenbaar doelt op die statutair vereiste goedkeuring van de RvC.
3.9.2
Voor zover de klacht aanvoert dat het hof daar miskent dat die statuten niet bepalen dat de in art. 8 daarvan Pro bedoelde goedkeuring van de RvC
uitsluitendkan plaatsvinden door middel van een besluit van de RvC in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten, baat dit [verzoekster] evenmin. Het gerecht is in rov. 2.19 van het vonnis van 30 maart 2020 ervan uitgegaan dat de op grond van art. 8 lid 1 sub m van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC tot stand dient te komen via een daartoe strekkend besluit van dit orgaan van SSC, [19] genomen in dan wel buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten. En in rov. 2.20 van dit vonnis van 30 maart 2020 dat van een redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht dat deze bekend is met de statutaire vereisten voor het namens de rechtspersoon aangaan van overeenkomsten, waartoe dus ook het voorgaande behoort. Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen daartegen gerichte grief zijdens [verzoekster] of SSC. [20] De klacht wijst ook niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. [21] Bij deze stand van zaken kon het hof, zoals het doet in het vonnis, ervan uitgaan dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC op grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering. Dat de statuten in art. 8 niet Pro met zoveel woorden bepalen dat zo’n goedkeuring tot stand dient te komen via zo’n besluit van de RvC, in dan wel buiten vergadering, laat het voorgaande onverlet. [22]
3.9.3
Daarmee valt ook de bodem weg onder het betoog in de klacht dat “[d]at betekent” dat [verzoekster] terecht heeft aangevoerd - zie rov. 3.28 - dat SSC via een programma van eisen een
opdrachtkrijgt van de overheid om een taak/taken voor de overheid te verrichten, dat de uitvoering daarvan plaatsvindt onder supervisie van de RvC en dat [verzoekster] deze structuur steeds volledig en naar behoren heeft gevolgd. Dit betoog veronderstelt immers mede, maar ten onrechte, dat het hof daar miskent dat die statuten niet bepalen dat de in art. 8 daarvan Pro bedoelde goedkeuring van de RvC
uitsluitendkan plaatsvinden door middel van een besluit van de RvC in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten. Dit betoog redeneert dus vanuit het ontbreken van zo’n besluit en het niet fataal zijn daarvan wat betreft de door dat art. 8 vereiste Pro goedkeuring van de RvC. Maar als gezegd kon het hof, zoals het doet in het vonnis, ervan uitgaan dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC op grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering. Zie onder 3.9.2 hiervoor. De verwijzing in de klacht naar onderdeel 1 en de daarin bedoelde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] maakt dit een en ander niet anders.
3.9.4
De klacht biedt [verzoekster] tot slot evenmin soelaas voor zover deze aanvoert dat in dit programma van eisen besloten ligt dat een bestuurder ervan mag uitgaan dat wanneer de leden van de RvC te kennen geven
datde RvC heeft ingestemd, dat ook zo is en dat de bestuurder zich er dan niet nog eens om hoeft te bekreunen of dat ook op juiste wijze is geformaliseerd en als het ware een schriftelijk bewijs daarvan te verlangen. Het hof oordeelt in het vonnis blijkens rov. 3.31.I duidelijk niet dat de leden van de RvC te kennen gaven
datde RvC heeft ingestemd. Laat staan dat desondanks, en niettegenstaande het programma van eisen, [verzoekster] als SSC’s bestuurder niet ervan mocht uitgaan dat de RvC had ingestemd, maar gehouden was na te gaan of die instemming op juiste wijze was geschied en schriftelijk bewijs daarvan te verlangen. Wat er verder zij van hetgeen de klacht hier aanvoert, van een miskenning daarvan door het hof in het vonnis is dus geen sprake. Bovendien wijst de klacht hier niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering.
3.1
Dan de
tweede klacht in het onderdeel.
3.10.1
De klacht veronderstelt dat het hof in rov. 3.29 en 3.31.I-3.31.II van het vonnis ervan uitgaat dat de voorzitter van de RvC namens de RvC heeft medegedeeld aan [verzoekster] dat de RvC toestemming geeft voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia. Het is evenwel duidelijk dat het hof daarvan niet uitgaat in het vonnis, ook niet in rov. 3.29 en 3.31.I-3.31.II. Evenmin indien voor “voorzitter” vice-voorzitter wordt gelezen, wat dan ziet op [de vice-voorzitter van de RvC] in de relevante periode in mei 2017. Daarmee valt de bodem weg onder het betoog in de klacht dat het hof daar miskent dat als de voorzitter namens de RvC mededeelt aan de bestuurder dat de RvC toestemming geeft voor het aangaan van een contract, in beginsel geldt dat de bestuurder kan en mag vertrouwen op die mededeling en het diens taak te buiten gaat om te controleren of de RvC de statuten wel goed heeft nageleefd.
3.10.2
In het verlengde daarvan valt het hof dan evenmin aan te wrijven dat het zou hebben miskend dat indien en voor zover er in zo’n geval wel strijd met de statuten zou zijn, “dit” (wat dan kennelijk ziet op dit punt dat een bestuurder in beginsel kan en mag vertrouwen op zo’n mededeling van de voorzitter van de RvC namens de RvC) “in elk geval een aspect [is] dat moet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van zodanig een ernstig verwijt dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid”. Het hof gaat in het vonnis immers kenbaar niet ervan uit dat de (vice-)voorzitter van de RvC namens de RvC heeft medegedeeld aan [verzoekster] dat de RvC toestemming geeft voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia. Aan zulk door de bestuurder te koesteren vertrouwen wordt dan niet toegekomen, ook niet in het kader van de beoordeling waarop de klacht hier doelt en het hof ingaat in rov. 3.31.II. Ook in zoverre loopt de klacht dus vast.
3.10.3
Uit 3.9-3.10.2 hiervoor volgt dat wat de klacht in de laatste zin opmerkt, zonder verdere toelichting, evenmin opgaat.
3.11
Gevolgd door de
derde klacht in het onderdeel.
3.11.1
De klacht verwijt het hof vooreerst een onjuiste rechtsopvatting, erop neerkomend dat - zo er al sprake is van strijd met de statuten - zijn oordeel in rov. 3.29-3.32 van het vonnis getuigt van “een onjuiste, want te lichte maatstaf voor het aannemen van interne bestuurdersaansprakelijkheid”. Dit omdat het immers gaat om een
ernstigverwijt en daarvan geen sprake is indien “het slechts een formaliteit van een derde (de RvC) betreft”. Met dit laatste doelt de klacht op slechts een formaliteit “waaraan derden zich moeten conformeren (te weten in het geval dat de RvC niet de formele route heeft gevolgd, terwijl [verzoekster] als bestuurder wèl conform de statuten toestemming heeft gevraagd en gekregen)”. Wat weer steunt op “het feit dat de commissarissen [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] toestemming hebben gegeven aan [verzoekster] (…) voor het aangaan van het contract met Experientia”. De onjuiste rechtsopvatting die de klacht hier het hof tracht aan te wrijven, huldigt het hof in werkelijkheid niet in het vonnis. Het hof redeneert daarin immers duidelijk niet vanuit dat “feit”, dus vanuit een door de commissarissen [de vice-voorzitter van de RvC] én [lid van de RvC] gegeven toestemming aan [verzoekster] voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia. De “formaliteit” waarop de klacht hier is gestoeld, doet zich in de beoordeling van het hof dus evenmin voor. Het hof kan dan niet hebben miskend dat van zo’n
ernstigverwijt geen sprake is bij een dergelijke formaliteit. Daarop loopt de klacht hier stuk.
3.11.2
Als gezegd kom ik op het slotstuk van de klacht terug bij de behandeling van onderdeel 3, onder 3.15-3.19 hierna.
3.12
Wat mij brengt bij de
vierde klacht in het onderdeel.
3.12.1
De klacht opent met aan te voeren dat het hof met de eerste zin van rov. 3.31.II van het vonnis, voortbouwend op rov. 3.29, buiten het partijdebat treedt nu daaromtrent - kort gezegd: de beschermingsstrekking van deze statutaire bepalingen, ten gunste van SSC - geen debat is gevoerd. De klacht ziet daarmee voorbij aan het volgende. In rov. 2.20 van het vonnis van 30 maart 2020 concludeerde het gerecht:
“2.20. (…) Door de overeenkomst toch aan te gaan [ondanks het ontbreken van de door art. 8 lid 1 sub m van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC via een daartoe strekkend besluit in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten (rov. 2.18-2.20), A-G] heeft [verzoekster] gehandeld in strijd met de statuten. Daarvan moet haar een ernstig verwijt worden gemaakt (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011).”
Hierin ligt kenbaar besloten dat het gerecht in het bijzonder aan art. 8 lid 1 sub m van Pro de statuten van SSC, welke bepaling het gerecht verbindt met art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten, als strekking toedicht het beschermen van SSC. Dat strookt natuurlijk ook met het hier door het gerecht genoemde Hoge Raad-arrest. Daarin draaide het ook om een statutaire bepaling die bepaalde bestuursbesluiten onderwierp aan het vereiste van goedkeuring door de raad van commissarissen. [23] In welk kader de Hoge Raad daar verwees naar (handelen in strijd met) statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen. [24] Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen daartegen gerichte grief zijdens [verzoekster] of SSC. De klacht wijst ook niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. [25] Bij deze stand van zaken kon het hof, zoals het doet in rov. 3.31.II, eerste zin, overwegen in lijn met dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht.
3.12.2
De klacht voert verder vanuit diverse invalshoeken aan dat het hof in zowel rov. 3.29 als rov. 3.31.II bovendien de strekking van de daarin bedoelde statutaire bepalingen miskent. Dus van art. 8 lid 1 sub m en Pro art. 11 lid Pro 8-9 van de statuten van SSC. Ik loop de relevante punten langs.
Voor zover de klacht betoogt dat het hof miskent dat de in art. 8 vervatte Pro goedkeuringsregeling dient te voorkomen dat een bestuurder te veel op eigen houtje acteert, terwijl art. 11 meer Pro een ordenende functie heeft en op de RvC is gericht, gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van het vonnis en mist het daarmee feitelijke grondslag. Niet alleen onderkent het hof daar wat art. 8 lid 1 sub m en Pro art. 11 lid Pro 8-9 behelzen, ook verliest het hof daar niet uit het oog wat de te onderscheiden functie is van art. 8 lid 1 sub m respectievelijk Pro art. 11 lid Pro 8-9, in lijn met wat de klacht daaromtrent opmerkt.
Bij ’s hofs overweging in rov. 3.31.II, eerste zin (dat de aangehaalde statutaire bepalingen met betrekking tot de besluitvorming geacht moeten worden als oogmerk te hebben SSC te beschermen) dient te worden bedacht dat het hof ervan uitgaat dat de op grond van art. 8 lid 1 sub m vereiste Pro goedkeuring van de RvC tot stand dient te komen via een daartoe strekkend besluit van dit orgaan van SSC, genomen in dan wel buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9. Het hof betrekt dit dus niet individueel op de algemene besluitvormingsregeling van art. 11 lid Pro 8-9, maar op de specifieke goedkeuringsregeling in art. 8 lid 1 sub m in Pro verbinding met art. 11 lid Pro 8-9, waardoor art. 11 lid Pro 8-9 hier wordt bezien in het licht van art. 8 lid 1 sub m en Pro de daarmee verband houdende beschermingsstrekking ten gunste van SSC. Dat kon het hof zo doen.
Voor zover de klacht betoogt dat art. 11 “niet (mede) bepalend [is] voor de geldigheid van de gegeven toestemming” ziet de klacht eraan voorbij dat het hof ervan kon uitgaan, zoals het doet in het vonnis, dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC als vereist door art. 8 op Pro grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering in de zin van art. 11 lid Pro 8-9. Anders gezegd: zonder zo’n besluit van de RvC kan er geen sprake zijn van zo’n goedkeuring van de RvC. Zie ook onder 3.9.2 hiervoor in het kader van de eerste klacht in het onderdeel.
Het slotstuk van de klacht mist eveneens doel. Anders dan de klacht daar kennelijk veronderstelt, oordeelt het hof in het vonnis immers duidelijk niet dat art. 11 als Pro zodanig het oogmerk heeft SSC te beschermen in het geval de RvC bij het geven van toestemming voor het aangaan van een contract dat niet via officiële raadsvergadering heeft gedaan, maar dit informeel tussen de (twee) leden van de RvC is afgestemd, waarna [de vice-voorzitter van de RvC] namens de RvC vervolgens per e-mail toestemming geeft.
Voor zover de klacht daar verder nog veronderstelt dat er geen bepaling is “omtrent de vorm van die toestemming in artikel 8” ziet de klacht eraan voorbij dat het hof dus ervan kon uitgaan, zoals het doet in het vonnis, dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC als vereist door art. 8 op Pro grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering in de zin van art. 11 lid Pro 8-9. En verder dat art. 8 lid 3 van Pro de statuten van SSC uiteenzet waaruit zo’n goedkeuring van de RvC, lopend dus via zo’n besluit van de RvC, kan blijken. [26] Van een ‘miskenning’ door het hof als bedoeld in de klacht is dus geen sprake. De klacht voert ook nog aan dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Waarom dit laatste zo zou zijn, licht de klacht verder niet toe. Gezien ook het voorgaande valt op basis van dit laatste evenmin een motiveringsgebrek in het vonnis aan te nemen.
3.13
Dan de
vijfde klacht in het onderdeel.
3.13.1
De klacht voert aan dat het daarin bedoelde oordeel van het hof in rov. 3.31.II in samenhang met rov. 3.29 van het vonnis temeer rechtens onjuist en onbegrijpelijk is, nu
close readingvan de statuten van SSC leert dat volgens art. 8 lid 2 sub i en Pro ii [verzoekster] het contract met Experientia zelfs zonder toestemming van de RvC kon tekenen. Voor zover de klacht al uitgaat van een juiste lezing van genoemde passages in het vonnis, en daarmee feitelijke grondslag heeft, strandt de klacht reeds erop dat voor doeleinden van dit art. 8 lid 2 niet Pro toereikend is dat “de kosten van het contract reeds waren opgenomen in een goedgekeurde begroting” (i) en “het bedrag van dat contract het begrootte bedrag niet overschreed” (ii). Daadwerkelijke ‘close reading’ van art. 8 lid 2 leert Pro immers dat blijkens deze bepaling slechts geen goedkeuring van de RvC voor de in art. 8 lid 1 bedoelde Pro bestuursbesluiten is vereist:
“voor zover (i)
de betreffende handeling reeds specifiekis opgenomen in een door de raad van commissarissen goedgekeurde begroting van de Stichting en (ii)
het voor die handeling in de begroting opgenomen bedragniet wordt overschreden.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Dit miskent het hof niet in het vonnis. Dit is ook waarop het gerecht wijst in rov. 2.18 van het vonnis van 30 maart 2020, waaronder:
“2.18. (…) Het vereiste van goedkeuring geldt niet als het aangaan van de overeenkomst al “specifiek” is opgenomen in een door de RvC goedgekeurde begroting (artikel 8 lid Pro 2). Voor zover [verzoekster] heeft willen stellen dat van dit laatste sprake is, verwerpt het gerecht dat standpunt als onvoldoende onderbouwd. Dat de kosten mogelijk “vielen binnen de begroting die door het Parlement werd goedgekeurd” betekent nog niet dat ook het aangaan van de onderhavige overeenkomst opgenomen was in de begroting.”
Het beroep dat de klacht doet op dit vonnis van het gerecht, waarbij het met rov. 2.28 [27] kennelijk doelt op rov. 2.18 van dat vonnis, snijdt dus geen hout. Hetzelfde geldt voor het daarin gedane beroep op de in onderdeel 1 behandelde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] . Zo staat daarin niet dat het aangaan van de onderhavige overeenkomst met Experientia reeds specifiek was opgenomen in een door de RvC goedgekeurde begroting. Dat strookt ook met de daarin vooropgestelde passage, die ik samenvatte onder 3.4.5 hiervoor. De daarin bedoelde toestemming, die verband houdt met art. 8 lid 1 van Pro de statuten van SSC, was niet nodig geweest als art. 8 lid 2 reeds Pro toepassing had gevonden. Meer dan dit voert de klacht niet aan. Dus ook geen door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. [28] Daarmee strandt tevens de conclusie van de klacht dat ook vanuit de daarin gepresenteerde “optiek” van art. 8 lid 2 niet Pro valt in te zien dat en waarom er van de RvC door [verzoekster] meer moest worden verlangd dan de toestemming die er thans ligt op straffe van de bestuurdersaansprakelijkheid.
3.14
En tot slot de
zesde klacht in het onderdeel.
3.14.1
De klacht stuit af op het volgende.
Het gerecht heeft bij vonnis van 30 maart 2020, in een procedure tussen Experientia als eiser en SSC als gedaagde, SSC in conventie veroordeeld tot vergoeding van de schade van Experientia als gevolg van niet-nakoming door SSC van de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst tot het moment waarop deze door opzegging is geëindigd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [29] In de onderhavige procedure heeft het gerecht in het vonnis van 30 maart 2020 in reconventie voor recht verklaard dat [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade die SSC lijdt en zal lijden uit hoofde van de tussen SSC en Experientia op 15 mei 2017 tot stand gekomen overeenkomst en [verzoekster] veroordeeld tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ik citeer rov. 2.34 van dit vonnis:
“2.34. Uit de beoordeling in conventie volgt dat [verzoekster] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de overeenkomst van 15 mei 2017 aan te gaan zonder zich te voorzien van de (rechtsgeldig tot stand gekomen) goedkeuring van de RvC. Zij is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door SSC geleden schade.
Zou [verzoekster] op dit punt correct hebben gehandeld, dan zou zij de overeenkomst niet hebben gesloten, nu de daarvoor vereiste goedkeuring immers ontbrak. Gesteld noch gebleken is dat SSC op enigerlei wijze baat heeft gehad bij de overeenkomst van 15 mei 2017. De schade als gevolg van het handelen van [verzoekster] komt dus overeen met de schade die SSC op haar beurt aan Experientia dient te vergoeden.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Daarbij bouwt het gerecht voort op rov. 2.17-2.20, deels geciteerd onder 3.4.2 en 3.12.1 hiervoor.
Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen grief zijdens [verzoekster] of SSC tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.34. Los van de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 14 laatste woordblok wijst de klacht ook niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. Die verwijzing naar dat gedingstuk in eerste aanleg zijdens [verzoekster] baat haar niet, reeds gezien dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht. [30] Bij deze stand van zaken kon het hof oordelen, zoals het doet in rov. 3.32 van het vonnis, dat gegeven de dan vaststaande aansprakelijkheid van [verzoekster] als bestuurder van SSC jegens SSC op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C zij aansprakelijk is jegens SSC “voor de nadelige financiële gevolgen van de overeenkomst die [verzoekster] namens SSC heeft gesloten met Experientia, onder andere het betalen van een substantiële vergoeding aan Experientia”. En kon het hof ervan uitgaan, zoals het mede doet in rov. 3.28, dat [verzoekster] geen grief heeft gericht tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.34. Gezien het voorgaande hoefde het hof evenmin elders in het vonnis aandacht te besteden aan genoemde stellingname van [verzoekster] in eerste aanleg.
Onderdeel 3
3.15
Onderdeel 3 is gekant tegen rov. 3.28-3.32 van het vonnis.
3.15.1
Het onderdeel klaagt naar ik begrijp vooreerst dat het hof in rov. 3.28 en 3.30 - dus inzake SSC’s vordering onder B, die door het gerecht is toegewezen in het vonnis van 30 maart 2020 - het ter zake door [verzoekster] gevoerde verweer onvoldoende, want slechts ten dele, betrekt. Daarbij wijst het onderdeel onder a t/m m op diverse passages in de gedingstukken zijdens [verzoekster] in eerste aanleg en hoger beroep. [31] Tot dat verweer behoren, zakelijk weergegeven en onder meer, de volgende door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden:
- Bij de beoordeling van het functioneren van [verzoekster] moet men de beleidsregels in acht nemen die golden in de periode 2011-2017. Volgens deze regels was [verzoekster] heel goed bezig. Zij kreeg daarvoor ook complimenten, waardering, beloning. En werd zelfs geïnstrueerd om voor 2017 en 2018 meer van hetzelfde te doen. De waardering kwam zowel van de RvC als van het ministerie, met inachtneming van de subsidieverordening van 2007. Op grond daarvan is de beslissing genomen om het nieuwe contract met Experientia aan te gaan. [32]
- SSC had ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met Experientia geen acute financieringsproblemen. [33]
- Toen [verzoekster] bij SSC werkzaam was, beschikte SSC over voldoende middelen (“cashflow”) om de met de Experientia-overeenkomst gepaard gaande kosten gedurende de looptijd ervan te kunnen voldoen, zelfs als de overheid de subsidieverhoging voor studies in de regio niet zou doorvoeren. [34]
- De besteding inzake de overeenkomst met Experientia was een continuïteit van een beleid dat sinds 2012 werd gevolgd. Er was geen enkele reden om aan te nemen dat dat beleid in 2017 niet door zou gaan, zeker als gekeken wordt naar het programma van eisen van 2017 en de conceptbegroting van 2018. [35]
- Stellig wordt bestreden de stelling dat er een financieel tekort zou zijn waardoor [verzoekster] had moeten afwijken van de door het Parlement goedgekeurde begroting (conform de subsidieverordening van 2007, het vigerende businessplan en het programma van eisen voor 2017). Daarvoor was er geen reden. Integendeel, men had [verzoekster] juist ervan kunnen beschuldigen dat zij zich niet aan de begroting, het businessplan en het programma van eisen zou hebben gehouden. [36]
- Ook in de conceptbegroting voor 2018 die rond mei 2017 werd opgemaakt, is uitgegaan van het programma van eisen van de overheid voor 2018, waarin wordt aangegeven dat de taak inzake voorlichting en begeleiding moet worden uitgebouwd. Er is met deze post rekening gehouden bij het opstellen van de conceptbegroting voor 2018. [37]
Dit is de
eerste klacht in het onderdeel.
3.15.2
Het onderdeel klaagt vervolgens, kort gezegd, dat de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden die niet of onvoldoende zijn terug te vinden in rov. 3.28 en 3.30 door het hof niet althans onvoldoende kenbaar zijn betrokken in zijn beoordeling van SSC’s vordering onder B in rov. 3.29-3.32, in het bijzonder in rov. 3.31.II, laatste twee zinnen. Dit terwijl voor de vraag of [verzoekster] als bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt alle omstandigheden van het geval bepalend zijn. [38] Aldus miskent het hof daar het belang van deze omstandigheden (rakend aan zaken als bestendig, goedgekeurd beleid, opgewekte verwachtingen en de conceptbegroting voor 2018), blijk gevend van een onjuiste rechtsopvatting. Dan wel is ’s hof oordeel daar zonder nadere toelichting onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, indien het hof deze omstandigheden daar wel betrekt. Daarbij tekent het onderdeel nog aan dat uit rov. 3.28 in samenhang met die passages onder a t/m m nu juist volgt dat het niet slechts ‘past in het overheidsbeleid’, maar dat het eenvoudig gaat om
opgedragenoverheidsbeleid dat moet worden uitgebouwd. Wat het hof had moeten meewegen voor de vraag of er wel sprake is van een ernstig verwijt. Een partij die overheidsbeleid uitvoert en in het kader daarvan contracten sluit van een activiteit waarover men zeer tevreden is en die men bovendien wenst uit te breiden, kan men immers moeilijk verwijten dat zij dat had moeten nalaten. Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
3.15.3
Het onderdeel klaagt verder dat ook rechtens onjuist [39] althans onbegrijpelijk is ’s hofs oordeel in rov. 3.31.II, laatste zin, waar het overweegt dat SSC “toch al in financieel zwaar weer verkeerde”. Daartoe wijst het onderdeel erop, onder verwijzing naar stellingen van [verzoekster] [40] en vindplaatsen in de gedingstukken in eerste aanleg en hoger beroep, [41] dat [verzoekster] gemotiveerd heeft betwist dat SSC in financieel zwaar weer verkeerde en het dus niet verantwoord was om de overeenkomst met Experientia aan te gaan. Dit is de
derde klacht in het onderdeel.
3.15.4
Het onderdeel klaagt ten slotte dat, nog los van het feit dat het hof in rov. 3.31.II, laatste zin buiten het partijdebat treedt met de overweging dat gesteld noch gebleken is dat het aangaan van de overeenkomst spoedeisend was, deze overweging onbegrijpelijk is. Dit laatste in het licht van de in de derde klacht van het onderdeel bedoelde stellingen van [verzoekster] en dat juist uitbreiding gewenst was, alsook dat niet kon worden voorzien dat een nieuwe regering iets anders zou wensen. [42] Immers, daarin ligt besloten dat [verzoekster] als goed bestuurder gewenst (overheids)beleid uitvoerde dat was opgenomen in meerjarenplannen en begrotingen en op geen enkele wijze kon bevroeden dat zij - op straffe van bestuurdersaansprakelijkheid - geen nieuw contract mocht afsluiten. Dit is de
vierde klacht in het onderdeel.
Behandeling
3.16
Het onderdeel slaagt deels, gelet op het volgende.
3.17
Ik begin met de
vierde klacht in het onderdeel.
3.17.1
De klacht stuit af op het volgende.
In rov. 2.20 van het vonnis van 30 maart 2020 heeft het gerecht onder meer het volgende overwogen:
“2.20. Van een redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht dat deze bekend is met de statutaire vereisten voor het namens de rechtspersoon aangaan van overeenkomsten. In dit geval had [verzoekster] zich dus moeten realiseren dat de weg niet vrij was om de stichting aan een nieuwe overeenkomst met Experientia te binden. Zij had een pas op de plaats moeten maken. Dit geldt al helemaal nu
van bijzondere spoedeisendheid niet is geblekenen met de overeenkomst aanzienlijke financiële lasten zijn gemoeid. (…).”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Daarop volgt in rov. 2.20 de onder 3.12.1 hiervoor geciteerde passage.
Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen grief zijdens [verzoekster] of SSC tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.20. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. De stellingen van [verzoekster] waarop de klacht zich beroept (met vindplaatsverwijzing) doen hieraan niet af. De verwijzing naar dat gedingstuk in hoger beroep zijdens [verzoekster] baat haar niet, nu daarin niets staat over deze spoedeisendheid. De verwijzing naar dat gedingstuk in eerste aanleg zijdens [verzoekster] baat haar evenmin, reeds gezien dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht. [43] Bij deze stand van zaken kon het hof oordelen, zoals het doet in rov. 3.31.II van het vonnis, dat niet is gesteld of gebleken dat het aangaan van de overeenkomst met Experientia bijzonder spoedeisend was.
3.18
Dan de
eerste t/m derde klacht in het onderdeel, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling en ten minste deels succes boeken.
3.18.1
In rov. 3.32, eerste zin van het vonnis overweegt het hof dat op basis van hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd derhalve niet kan worden aangenomen dat het handelen in strijd met statutaire bepalingen door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder toestemming van de RvC niet een ernstig verwijt oplevert. Daarmee valt het hof terug op rov. 3.31.II, laatste twee zinnen. Waar het hof daarin rept van “Het verweer van [verzoekster] ”, etc., doelt het kennelijk op de weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde.
3.18.2
De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat het hof in rov. 3.28 in het bijzonder put uit de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , vanaf p. 13 onder het opschrift “D Uitgaven aan trainingen studenten”. Dit deel van die conclusie loopt t/m p. 18 en bevat onder meer de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden als weergegeven onder 3.15.1 hiervoor. Deze door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden lees ik in ieder geval niet terug in die rov. 3.28 (noch elders in het vonnis).
3.18.3
Indien het hof deze door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden niet betrekt in rov. 3.28 is dat m.i. niet te volgen. Immers, het hof zoekt dan voor het ter zake door [verzoekster] aangevoerde wel in het bijzonder aansluiting bij dit onderdeel van genoemde conclusie, maar slaat daarbij geen acht op deze omstandigheden, terwijl deze voldoende concreet zijn en duidelijk ook zien op de kwestie van de met Experientia gesloten overeenkomst waarop SSC’s vordering onder B betrekking heeft.
3.18.4
Wat het hof overweegt in rov. 3.31.II, laatste twee zinnen en rov. 3.32, eerste zin kan dan evenmin in stand blijven. Alleen al de genoemde door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden had het hof daar dan ook in ogenschouw moeten nemen. Waarbij geldt dat naar de aard daarvan toch niet op voorhand gezegd kan worden dat deze omstandigheden, in het licht van de gehele context van dit geval [44] en alles afwegende, niet zouden kunnen afdoen aan het oordeel dat [verzoekster] een ernstig verwijt valt te maken van het door het hof aangenomen handelen van haar in strijd met statutaire bepalingen (door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder de door art. 8 van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC). [45] Het komt mij voor dat ’s hofs overweging in rov. 3.31.II, laatste zin dat SSC toen “toch al in financieel zwaar weer verkeerde” met deze omstandigheden niet, althans niet zonder meer, te rijmen valt. [46] Deze omstandigheden zouden verder in een ander perspectief kunnen plaatsen dat de overeenkomst aanmerkelijke financiële lasten voor SSC meebracht en dat het aangaan daarvan niet bijzonder spoedeisend was, waarop het hof daar wijst.
3.18.5
In zoverre zijn de klachten dan terecht voorgesteld.
3.18.6
Daarbij verdient het volgende nog opmerking. De ernstig verwijt-maatstaf is blijkens bestendige Hoge Raad-rechtspraak een verzwaarde maatstaf die leidt tot een hoge drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid, in dit geval jegens de rechtspersoon op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C. [47] Voldoende voor het hier niet aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is dat, gezien de omstandigheden van het geval en alles afwegende, [verzoekster] ter zake
geen ernstigverwijt te maken valt. Daarbij is dus nadrukkelijk ook plaats voor aangevoerde verzachtende omstandigheden, die kunnen meebrengen dat het door het hof aangenomen handelen van [verzoekster] in strijd met statutaire bepalingen (door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder de door art. 8 van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC) bezien vanuit de totaliteit van de te betrekken omstandigheden toch niet een ernstig verwijt oplevert, al is die strijd met statutaire bepalingen op zichzelf een zwaarwegende omstandigheid. Ik citeer Timmerman, [48] waar hij met instemming benadrukt dat blijkens relevante Hoge Raad-rechtspraak:
“ernstige verwijtbaarheid aan de hand van alle omstandigheden van het geval bepaald dient te worden. Ons hoogste rechtscollege wil kennelijk dat er in feitelijke instanties een “open debat” over de aansprakelijkheid van de bestuurder plaatsvindt waarbij de rechter op alle aangevoerde omstandigheden acht dient te slaan voor zover deze een enigszins relevant licht op de aansprakelijkheidsvraag werpen. Deze benadering versterkt m.i. de positie van de door de vennootschap aangesproken bestuurder in het aansprakelijkheidsgeding. Hij kan een veelheid van omstandigheden aanvoeren die tegen het aannemen van zijn aansprakelijkheid pleiten.” [49]
Dat [verzoekster] al met al wel een verwijt treft, wat neerkomt op een (via schuld) toerekenbare normschending, is voor het intreden van deze bestuurdersaansprakelijkheid jegens SSC zonder méér dus ontoereikend. Dit laatste vergt een
ernstigverwijt. Gezien het voorgaande - verzwaarde maatstaf, hoge drempel - is de stap naar het kunnen aannemen van deze vereiste ernst van het verwijt een betekenisvolle, of anders gezegd: er zit noemenswaardig licht tussen een gewoon verwijt en een ernstig verwijt. [50] Het hof redeneert in rov. 3.31.II, laatste twee zinnen vanuit de vrijheid die [verzoekster] al dan niet had om namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder toestemming van de RvC, en beantwoordt deze vraag daar ontkennend. Daaraan (“derhalve”) verbindt het hof in rov. 3.32, eerste zin de onder 3.18.1 hiervoor genoemde consequentie. Dat [verzoekster] deze “vrijheid” niet had, wil evenwel nog niet zeggen dat haar ter zake in het licht van alle omstandigheden van het geval en alles afwegende ‘dus’ ook een verwijt treft dat beantwoordt aan de voor het aannemen van die interne bestuurdersaansprakelijkheid vereiste ernst. En juist om dit laatste draait het hier, zoals gezegd. [51]
3.18.7
Indien het hof met rov. 3.28 ook de stellingen van [verzoekster] dekt waarop de klachten een beroep doen en deze stellingen langs die weg vervolgens meeneemt in rov. 3.31.II, laatste twee zinnen en rov. 3.32, eerste zin, is in zoverre de eerste klacht onterecht voorgesteld, maar zijn de tweede en derde klacht hoe dan ook gegrond. Dan geldt in ieder geval dat het hof daar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende inzichtelijk en daarmee begrijpelijk maakt waarom ondanks deze door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden het door het hof aangenomen handelen door haar in strijd met statutaire bepalingen (door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder de door art. 8 van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC) al met al toch een ernstig verwijt aan haar adres oplevert. [52] Dit laatste spreekt dan m.i. niet vanzelf op basis van hetgeen het hof daar (summierlijk) overweegt. Zie ook onder 3.18.4 en 3.18.6 hiervoor.
3.18.8
Bij deze stand van zaken behoeven de klachten geen verdere behandeling.
3.19
Gezien 3.16-3.18.8 hiervoor behoeft het
slotstuk van de derde klacht in onderdeel 2evenmin verdere behandeling.
Onderdeel 4
3.2
Onderdeel 4 behelst een voortbouwklacht. Het onderdeel voert aan dat het slagen van een of meer klachten in de voorgaande onderdelen ook rov. 3.32, rov. 3.15 op p. 12 van het vonnis [53] en het dictum van het vonnis vitieert.
Behandeling
3.21
Nu is voldaan aan de voorwaarde die het onderdeel stelt, slaagt ook dit onderdeel. Zie onder 3.2-3.6 en 3.15-3.19 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Slotsom
3.22
De slotsom luidt dat het cassatieberoep van [verzoekster] terecht is voorgesteld. Het vonnis kan niet in stand blijven. Ik acht terugwijzing naar het hof voor verdere behandeling van de zaak aangewezen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en terugwijzing naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 23 november 2021, registratienummers CUR201802194-CUR2020H00133 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
2.Het gerecht gaf hier een beschikking, omdat de zaak is begonnen als een arbeidszaak en dus beoordeeld is in een zogenaamde EJ-procedure. In deze beschikking oordeelde het gerecht onder meer dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, omdat [verzoekster] statutair directeur was van SSC. Dit verklaart genoemde verwijzing naar de AR-rol. En waarom het gerecht op 30 maart 2020 geen uitspraak deed bij beschikking, maar bij vonnis. Zie onder 2.5 hierna.
3.Ook dit is een randnummeringfout in het vonnis. Bedoeld zal zijn rov. 3.35. Deze rov. 3.15 volgt immers op rov. 3.34 en bevat de “slotsom” van het hof.
4.Naast rov. 2.19 van het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020 ook grief 9 in/productie 7 bij de memorie van grieven zijdens [verzoekster] en de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 18.
5.Overgelegd als producties 11a en 14 bij de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] . Daarbij gaat het in de stellingname van [verzoekster] (zie grief 9) niet alleen om een e-mail van [de vice-voorzitter van de RvC] aan haar met [lid van de RvC] ingekopieerd, maar ook om een daaraan voorafgaande e-mail van [verzoekster] aan [de vice-voorzitter van de RvC] met [lid van de RvC] ingekopieerd, waarop [de vice-voorzitter van de RvC] reageerde met genoemde e-mail (met [lid van de RvC] ingekopieerd). Zie ook genoemde producties.
6.Zie de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 18, over de twee leden van de RvC die na mei 2016 waren overgebleven nadat de zes andere leden waren opgestapt. En grief 9 in/productie 7 bij de memorie van grieven zijdens [verzoekster] , waarover onder 3.4.3-3.4.5 hiervoor.
7.Te vinden onder het opschrift “Ad 1 en 2 Had [verzoekster] toestemming van de RvC; is er strijd met de statuten?”.
8.Nog steeds onder het opschrift “Ad 1 en 2 Had [verzoekster] toestemming van de RvC; is er strijd met de statuten?”.
9.Onder verwijzing naar Hoge Raad-rechtspraak, in het bijzonder het arrest dat het hof ook noemt in rov. 3.31.II: HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011,
10.Nog steeds onder het opschrift “Ad 3 en 4 ernstige verwijtbaarheid en geen ontlastende omstandigheden?”. En onder verwijzing naar onderdeel 3.
11.In die zin dat een te lichte maatstaf wordt gehanteerd en dus te snel bestuurdersaansprakelijkheid wordt aangenomen, aldus noot 15 bij het onderdeel.
12.Te vinden onder het opschrift “Bepalingen het oogmerk van bescherming?”.
13.Nog steeds onder het opschrift “Bepalingen het oogmerk van bescherming?”.
14.“Dat de statutaire bepalingen de strekking hebben SSC te beschermen op de wijze zoals het hof dat voorstaat, te weten dat een eventuele ‘technicality’ bij de RvC tot doel heeft de stichting te beschermen tegen uitgaven waarmee de RvC wèl heeft ingestemd en hetgeen ook gewenst beleid was.” Aldus noot 16 bij het onderdeel.
15.Daarbij merkt het onderdeel op, in noot 17 aldaar: “Hier refereert het GEA ook aan in rov. 2.28 van het vonnis van 30 maart 2020”.
16.Te vinden onder het opschrift “Ad 5 aansprakelijkheid voor het bedrag dat SSC door opzegging (zelf) heeft veroorzaakt?”.
17.Het onderdeel wijst daartoe op de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 14 laatste woordblok, zoals ook bedoeld in onderdeel 3 sub e. De verwijzing in noot 18 bij het onderdeel naar “MvA Inc. p. 14 laatste woordblok” betreft een verschrijving. Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat de memorie van antwoord in het incidenteel appel zijdens [verzoekster] (abusievelijk voorzien van het opschrift “Memorie van grieven in het incidenteel appel”) slechts twee pagina’s beslaat.
18.Ik doel op de voorlaatste zin onder 3.7.3 hiervoor.
19.Zie art. 5 van Pro de statuten van SSC. Daaruit blijkt dat SSC als organen kent: (i) het bestuur; en (ii) de RvC. Zie ook rov. 2.4 van het vonnis.
20.Het hof kan ingevolge art. 281a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Curaçao (hierna:
21.Ik lees daar bijv. niet dat volgens SSC of [verzoekster] zo’n goedkeuring van de RvC ook tot stand kan komen zonder zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering. Noch dat [verzoekster] daarvan uitging (en mocht uitgaan) in de relevante periode gezien de statuten van SSC.
22.Overigens ligt het voor de hand wat het hof hier tot uitgangspunt neemt in navolging van het gerecht. Het gaat immers om de statutair vereiste goedkeuring van een orgaan (de RvC) van een rechtspersoon (SSC), onverminderd het elders in deze statuten bepaalde. In de systematiek van het rechtspersonenrecht doet zo’n orgaan dat door een daartoe strekkend besluit te nemen, dus als bedoeld in art. 11 van Pro deze statuten. Zie bijv. Asser/M.J. Kroeze,
23.Zie HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011,
24.Zie HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011,
25.Zie ook noot 20 hiervoor.
26.Kort gezegd: hetzij uit een door de gewone meerderheid van de RvC-leden ondertekend afschrift van de notulen van een vergadering, hetzij uit een door de RvC-voorzitter ondertekende verklaring (het komt mij voor dat bij ontbreken van een RvC-voorzitter, ook een vice-voorzitter van de RvC dit zo kan doen).
27.Daarin valt niets te lezen over (art. 8 van Pro) de statuten van SSC.
28.Ten overvloede nog dit. In die rov. 3.28 staat wel mede: “De overeenkomst met Experientia was in overeenstemming met het Businessplan van SSC. Het bedrag dat voor deze activiteit is vastgesteld voor 2017 en de bedragen die voorheen voor deze activiteit zijn uitgegeven, zijn door de Staten goedgekeurd in de begrotingen van 2013 tot 2017.” Daarmee dekt het hof mede grief 8 van [verzoekster] . Erop neerkomend dat het gerecht in rov. 2.18 van het vonnis van 30 maart 2020 ten onrechte overweegt dat de overeenkomst met Experientia niet was opgenomen in het budget. Het hof leest in die grief dus niet als stelling van [verzoekster] dat het aangaan van de onderhavige overeenkomst met Experientia reeds specifiek was opgenomen in een door de RvC goedgekeurde begroting in de zin van art. 8 lid Pro 2. Wel, maar dit is iets anders, een stelling met betrekking tot voor 2017 vastgestelde en voordien uitgegeven bedragen “voor deze activiteit” (het geven van trainingen). Ik acht die uitleg niet onbegrijpelijk, gezien ook de memorie van antwoord tevens incidenteel appel zijdens SSC, nrs. 14-19. Die uitleg wordt ook niet bestreden in cassatie. De klacht wijst dus ook niet op die grief noch op die uitleg door het hof. Overigens ligt besloten in rov. 3.27-3.32 dat het hof deze grief verwerpt. Ook daartegen wordt in cassatie niet opgekomen.
29.Zie voor een kopie van dit vonnis productie 6 bij de memorie van grieven zijdens [verzoekster] . Zie ook rov. 2.33 van het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020 in de onderhavige procedure.
30.Zie ook noot 20 hiervoor.
31.Het gaat om stellingen van [verzoekster] in de conclusie van antwoord in reconventie, p. 13-18 (onder het opschrift: “D Uitgaven aan trainingen studenten”), de memorie van grieven, grieven 6-9 en de pleitnota in hoger beroep, p. 4.
32.Zie de conclusie van antwoord in reconventie, p. 14.
33.Zie de conclusie van antwoord in reconventie, p. 17.
34.Zie de conclusie van antwoord in reconventie, p. 17.
35.Zie de conclusie van antwoord in reconventie, p. 18.
36.Zie de conclusie van antwoord in reconventie, p. 18.
37.Zie de conclusie van antwoord in reconventie, p. 17, 18.
38.Het onderdeel verwijst daarbij (in noot 35 aldaar) naar HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011,
39.Gezien art. 128 lid 1 Rv Pro-C, dat overeenkomt met art. 149 lid 1 Rv Pro.
40.Onder meer dat er voldoende geld was voor verlenging van het contract (wat ook het beleid was dat zij diende uit te voeren en begroot was in 2018). En dat [verzoekster] zorgde dat er voldoende cashflow was om aan het contract te kunnen voldoen.
41.Het onderdeel verwijst in het bijzonder naar die passages onder c, d, f en i, wat ziet op de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 14-17, en naar de pleitnota in hoger beroep zijdens [verzoekster] , p. 4.
42.Daarbij wijst het onderdeel (in noot 42 aldaar) op “Rov. 3.28 en stelling c en d”.
43.Zie ook noot 20 hiervoor.
44.Daartoe behoren bijv. ook de onder 3.4.4 hiervoor bedoelde e-mailcorrespondentie tussen [verzoekster] , [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] van 5 mei 2017 en aanwezigheid van [de vice-voorzitter van de RvC] bij het ondertekenen van de overeenkomst met Experientia op 15 mei 2017. Daarop is ook al gewezen in de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 14, 18. Daarin ligt besloten (de stellingname) dat [verzoekster] zelf toen ervan uitging, dus subjectief, dat de statutair vereiste RvC-goedkeuring er was.
45.Omstandigheden die het hof bovendien “uitdrukkelijk” in zijn oordeel dient te betrekken. Zie HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011,
46.Ik tref in het vonnis van het gerecht van 30 maart 2020 geen vaststelling aan, inhoudende dat SSC toen in financieel zwaar weer verkeerde (ook niet in rov. 2.27-2.30). Ik lees zo’n vaststelling evenmin in het vonnis van het hof voorafgaand aan de behandeling daarin van SSC’s vordering onder B in rov. 3.27-3.32 (ook niet in rov. 3.16-3.26). Bestudering van de gedingstukken van SSC als opgenomen in het procesdossier leert dat SSC zich in dit verband heeft beperkt tot de (blote) stellingname dat SSC in een financieel precaire situatie verkeerde, omdat zij te maken had met een tekort en de verplichtingen uit de overeenkomst met Experientia dus niet kon dragen. Dit is dus (gemotiveerd) weersproken door [verzoekster] in eerste aanleg en hoger beroep.
47.Zie bijv. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959,
48.L. Timmerman, ‘Naar geïntegreerde bestuurdersaansprakelijkheid?’, in:
49.Timmerman noemt daar met name HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243,
50.Zie bijv. Asser/M.J. Kroeze,
51.Ik wijs er nog op dat, anders dan in het geval dat voorlag in HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011,
52.Te minder gezien de in noot 45 hiervoor bedoelde uitdrukkelijkheidseis.
53.Waar door het hof dus rov. 3.35 bedoeld zal zijn. Zie noot 3 hiervoor.