Conclusie
[verzoekster])
SSC)
BW-C) van een bestuurder van een stichting jegens die stichting, zoals aangenomen door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het
hof). In cassatie keert de bestuurder zich met rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel. Ik meen dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.
1.Feiten
vonnis). [1]
RvC) als organen kent. [verzoekster] is per 26 juli 2013 benoemd tot statutair directeur van SSC.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
gerecht) en een aantal vorderingen ingesteld. Het hof geeft deze weer in rov. 3.1 van het vonnis.
(…)
B. Voor recht te verklaren dat [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade die SSC zal lijden uit hoofde van vergoedingen die aan het bedrijf Experientia zullen dienen te worden betaald, met de bepaling dat deze schade in een schadestaatprocedure zal dienen te worden bepaald. (…)”
30 maart 2020) heeft het Gerecht in conventie de vorderingen afgewezen, [verzoekster] in de proceskosten van SSC, begroot op NAf 3.750,-, veroordeeld en deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en in reconventie voor recht verklaard dat [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade die SSC lijdt en zal lijden uit hoofde van de tussen SSC en Experientia op 15 mei 2017 tot stand gekomen overeenkomst en [verzoekster] veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt en het meer of anders gevorderde afgewezen.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klacht in het onderdeel.
[de vice-voorzitter van de RvC]respectievelijk
[lid van de RvC]), nog “andere leden” van de RvC waren. Daarbij wijst het onderdeel op vindplaatsen in de gedingstukken. [4] Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
eerste klacht in het onderdeel. Deze boekt succes.
Grief 9Ten onrechte heeft de eerste rechter in r.o. 2.19 overwogen dat de vorm van de toestemming van de RVC niet volstaat. Volgens de eerste rechte staat vast dat aan de mail van [de vice-voorzitter van de RvC] geen vergadering van de RVC heeft plaatsgevonden.
Toelichting Grief 9De mail is verzonden aan [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] . De twee enige leden van de RVC, plus een schriftelijke verklaring van [lid van de RvC] waaruit blijkt dat hij akkoord is. Toen het contract werd getekend was [de vice-voorzitter van de RvC] fysiek aanwezig. Ook de HR-manager was ten tijde van de verlenging van het contract met Experentia aanwezig. Hieruit blijkt de uitdrukkelijke instemming van de Rvc.
Als productie 7 worden wederom twee verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat de leden van de RVC akkoord waren met de verlenging van het contract met Experentia.”
[onderstreping toegevoegd, A-G]
tweede klacht in het onderdeelboekt eveneens succes.
toestemmingvan de RvC, alsmede dat die statuten niet bepalen dat de in art. 8 daarvan Pro bedoelde goedkeuring van de RvC
uitsluitendkan plaatsvinden door middel van een besluit van de RvC in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9. En verder dat “[d]at betekent” dat [verzoekster] terecht heeft aangevoerd - zie rov. 3.28 - dat SSC via een programma van eisen een
opdrachtkrijgt van de overheid om een taak/taken voor de overheid te verrichten, dat de uitvoering daarvan plaatsvindt onder supervisie van de RvC en dat [verzoekster] deze structuur steeds volledig en naar behoren heeft gevolgd. Daarbij merkt het onderdeel nog op dat in dit programma van eisen besloten ligt dat een bestuurder ervan mag uitgaan dat wanneer de leden van de RvC te kennen geven
datde RvC heeft ingestemd, dat ook zo is. De bestuurder hoeft zich er dan niet nog eens om te bekreunen of dat ook op juiste wijze is geformaliseerd en als het ware een schriftelijk bewijs daarvan te verlangen. Dit is de
eerste klacht in het onderdeel.
formeelbesluit van de RvC is gebleken, het hof miskent dat het in beginsel de taak van een bestuurder te buiten gaat om te controleren of een
raad van commissarissende statuten wel goed heeft nageleefd. In beginsel kan en mag een bestuurder vertrouwen op een mededeling van de voorzitter namens de RvC dat die RvC toestemming geeft voor het aangaan van een contract. Althans indien en voor zover dit anders is (en er wel strijd met de statuten zou zijn), is dit in elk geval een aspect dat moet worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van “zodanig een ernstig verwijt dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid”. Het hof miskent dan ook in rov. 3.31.I-3.32 dat er in het geheel geen sprake is van een strijd met de statuten, in elk geval niet voor het handelen van [verzoekster] die, zoals het hoorde, toestemming heeft gevraagd en gekregen van de RvC. Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
ernstigverwijt en daarvan is geen sprake als het slechts een formaliteit van een derde (de RvC) betreft. Daaraan voegt het onderdeel nog toe [10] dat althans rov. 3.32, eerste zin en rov. 3.31.I-3.31.II blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatstaf ‘ernstig verwijt’ [11] althans onbegrijpelijk zijn, gezien stellingen van [verzoekster] als (onvolledig) weergegeven in rov. 3.28 waarvan het hof de juistheid in het midden laat. Dit is de
derde klacht in het onderdeel.
gericht op de RvC(
nietop de bestuurder die toestemming nodig heeft) en dus ook niet (mede) bepalend voor “de geldigheid van de gegeven toestemming”. Art. 11 heeft Pro geen oogmerk SSC te beschermen in het geval de RvC bij het geven van toestemming voor het aangaan van een contract dat niet via officiële raadsvergadering zou hebben gedaan, maar dit informeel tussen de (twee) leden van de RvC is afgestemd, waarna [de vice-voorzitter van de RvC] namens de RvC vervolgens per e-mail toestemming geeft. Het doel van de toestemming blijft immers overeind: een bestuurder mag niet op eigen houtje boven een bepaald bedrag uitgaven doen, maar eerst na toestemming van de RvC. Bij gebreke van een bepaling omtrent de vorm van die toestemming in dat art. 8 kan Pro dat dus ook via een e-mail, mondeling of in een verklaring. Het hof heeft hetzij dit miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Dit is de
vierde klacht in het onderdeel.
close readingvan de statuten van SSC leert dat volgens art. 8 lid 2 sub i en Pro ii [verzoekster] het contract met Experientia zelfs zonder toestemming van de RvC kon tekenen. Dit omdat de kosten van het contract reeds waren opgenomen in een goedgekeurde begroting (i) en het bedrag van dat contract het begrootte bedrag niet overschreed (ii). [15] De in onderdeel 1 bedoelde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] reppen daar ook over. Ook vanuit die optiek valt dus niet in te zien dat en waarom er van de RvC door [verzoekster] meer moest worden verlangd dan de toestemming die er thans ligt op straffe van de bestuurdersaansprakelijkheid. Dit is de
vijfde klacht in het onderdeel.
zesde klacht in het onderdeel.
eerste klacht in het onderdeel.
toestemmingvan de RvC, ziet de klacht eraan voorbij dat dit art. 8 niet Pro spreekt van zo’n toestemming, maar van bepaalde besluiten van het bestuur die - onverminderd het elders in deze statuten bepaalde - onderworpen zijn aan “de goedkeuring” van de RvC. En dat onderkent het hof, mede gelet op rov. 3.29-3.31.I. Daaraan doet niet af dat het hof in rov. 3.31.I en 3.32 wijst op het ontbreken van “toestemming van de RvC”, nu het daarmee kenbaar doelt op die statutair vereiste goedkeuring van de RvC.
uitsluitendkan plaatsvinden door middel van een besluit van de RvC in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten, baat dit [verzoekster] evenmin. Het gerecht is in rov. 2.19 van het vonnis van 30 maart 2020 ervan uitgegaan dat de op grond van art. 8 lid 1 sub m van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC tot stand dient te komen via een daartoe strekkend besluit van dit orgaan van SSC, [19] genomen in dan wel buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten. En in rov. 2.20 van dit vonnis van 30 maart 2020 dat van een redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht dat deze bekend is met de statutaire vereisten voor het namens de rechtspersoon aangaan van overeenkomsten, waartoe dus ook het voorgaande behoort. Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen daartegen gerichte grief zijdens [verzoekster] of SSC. [20] De klacht wijst ook niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. [21] Bij deze stand van zaken kon het hof, zoals het doet in het vonnis, ervan uitgaan dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC op grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering. Dat de statuten in art. 8 niet Pro met zoveel woorden bepalen dat zo’n goedkeuring tot stand dient te komen via zo’n besluit van de RvC, in dan wel buiten vergadering, laat het voorgaande onverlet. [22]
opdrachtkrijgt van de overheid om een taak/taken voor de overheid te verrichten, dat de uitvoering daarvan plaatsvindt onder supervisie van de RvC en dat [verzoekster] deze structuur steeds volledig en naar behoren heeft gevolgd. Dit betoog veronderstelt immers mede, maar ten onrechte, dat het hof daar miskent dat die statuten niet bepalen dat de in art. 8 daarvan Pro bedoelde goedkeuring van de RvC
uitsluitendkan plaatsvinden door middel van een besluit van de RvC in of buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9 van die statuten. Dit betoog redeneert dus vanuit het ontbreken van zo’n besluit en het niet fataal zijn daarvan wat betreft de door dat art. 8 vereiste Pro goedkeuring van de RvC. Maar als gezegd kon het hof, zoals het doet in het vonnis, ervan uitgaan dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC op grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering. Zie onder 3.9.2 hiervoor. De verwijzing in de klacht naar onderdeel 1 en de daarin bedoelde verklaringen van [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] maakt dit een en ander niet anders.
datde RvC heeft ingestemd, dat ook zo is en dat de bestuurder zich er dan niet nog eens om hoeft te bekreunen of dat ook op juiste wijze is geformaliseerd en als het ware een schriftelijk bewijs daarvan te verlangen. Het hof oordeelt in het vonnis blijkens rov. 3.31.I duidelijk niet dat de leden van de RvC te kennen gaven
datde RvC heeft ingestemd. Laat staan dat desondanks, en niettegenstaande het programma van eisen, [verzoekster] als SSC’s bestuurder niet ervan mocht uitgaan dat de RvC had ingestemd, maar gehouden was na te gaan of die instemming op juiste wijze was geschied en schriftelijk bewijs daarvan te verlangen. Wat er verder zij van hetgeen de klacht hier aanvoert, van een miskenning daarvan door het hof in het vonnis is dus geen sprake. Bovendien wijst de klacht hier niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering.
tweede klacht in het onderdeel.
derde klacht in het onderdeel.
ernstigverwijt en daarvan geen sprake is indien “het slechts een formaliteit van een derde (de RvC) betreft”. Met dit laatste doelt de klacht op slechts een formaliteit “waaraan derden zich moeten conformeren (te weten in het geval dat de RvC niet de formele route heeft gevolgd, terwijl [verzoekster] als bestuurder wèl conform de statuten toestemming heeft gevraagd en gekregen)”. Wat weer steunt op “het feit dat de commissarissen [de vice-voorzitter van de RvC] en [lid van de RvC] toestemming hebben gegeven aan [verzoekster] (…) voor het aangaan van het contract met Experientia”. De onjuiste rechtsopvatting die de klacht hier het hof tracht aan te wrijven, huldigt het hof in werkelijkheid niet in het vonnis. Het hof redeneert daarin immers duidelijk niet vanuit dat “feit”, dus vanuit een door de commissarissen [de vice-voorzitter van de RvC] én [lid van de RvC] gegeven toestemming aan [verzoekster] voor het aangaan van de overeenkomst met Experientia. De “formaliteit” waarop de klacht hier is gestoeld, doet zich in de beoordeling van het hof dus evenmin voor. Het hof kan dan niet hebben miskend dat van zo’n
ernstigverwijt geen sprake is bij een dergelijke formaliteit. Daarop loopt de klacht hier stuk.
vierde klacht in het onderdeel.
Voor zover de klacht betoogt dat het hof miskent dat de in art. 8 vervatte Pro goedkeuringsregeling dient te voorkomen dat een bestuurder te veel op eigen houtje acteert, terwijl art. 11 meer Pro een ordenende functie heeft en op de RvC is gericht, gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van het vonnis en mist het daarmee feitelijke grondslag. Niet alleen onderkent het hof daar wat art. 8 lid 1 sub m en Pro art. 11 lid Pro 8-9 behelzen, ook verliest het hof daar niet uit het oog wat de te onderscheiden functie is van art. 8 lid 1 sub m respectievelijk Pro art. 11 lid Pro 8-9, in lijn met wat de klacht daaromtrent opmerkt.
Bij ’s hofs overweging in rov. 3.31.II, eerste zin (dat de aangehaalde statutaire bepalingen met betrekking tot de besluitvorming geacht moeten worden als oogmerk te hebben SSC te beschermen) dient te worden bedacht dat het hof ervan uitgaat dat de op grond van art. 8 lid 1 sub m vereiste Pro goedkeuring van de RvC tot stand dient te komen via een daartoe strekkend besluit van dit orgaan van SSC, genomen in dan wel buiten vergadering als bedoeld in art. 11 lid Pro 8-9. Het hof betrekt dit dus niet individueel op de algemene besluitvormingsregeling van art. 11 lid Pro 8-9, maar op de specifieke goedkeuringsregeling in art. 8 lid 1 sub m in Pro verbinding met art. 11 lid Pro 8-9, waardoor art. 11 lid Pro 8-9 hier wordt bezien in het licht van art. 8 lid 1 sub m en Pro de daarmee verband houdende beschermingsstrekking ten gunste van SSC. Dat kon het hof zo doen.
Voor zover de klacht betoogt dat art. 11 “niet (mede) bepalend [is] voor de geldigheid van de gegeven toestemming” ziet de klacht eraan voorbij dat het hof ervan kon uitgaan, zoals het doet in het vonnis, dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC als vereist door art. 8 op Pro grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering in de zin van art. 11 lid Pro 8-9. Anders gezegd: zonder zo’n besluit van de RvC kan er geen sprake zijn van zo’n goedkeuring van de RvC. Zie ook onder 3.9.2 hiervoor in het kader van de eerste klacht in het onderdeel.
Het slotstuk van de klacht mist eveneens doel. Anders dan de klacht daar kennelijk veronderstelt, oordeelt het hof in het vonnis immers duidelijk niet dat art. 11 als Pro zodanig het oogmerk heeft SSC te beschermen in het geval de RvC bij het geven van toestemming voor het aangaan van een contract dat niet via officiële raadsvergadering heeft gedaan, maar dit informeel tussen de (twee) leden van de RvC is afgestemd, waarna [de vice-voorzitter van de RvC] namens de RvC vervolgens per e-mail toestemming geeft.
Voor zover de klacht daar verder nog veronderstelt dat er geen bepaling is “omtrent de vorm van die toestemming in artikel 8” ziet de klacht eraan voorbij dat het hof dus ervan kon uitgaan, zoals het doet in het vonnis, dat - voor [verzoekster] kenbaar - zo’n goedkeuring van de RvC als vereist door art. 8 op Pro grond van de statuten tot stand dient te komen via zo’n besluit van dit orgaan van de stichting, in dan wel buiten vergadering in de zin van art. 11 lid Pro 8-9. En verder dat art. 8 lid 3 van Pro de statuten van SSC uiteenzet waaruit zo’n goedkeuring van de RvC, lopend dus via zo’n besluit van de RvC, kan blijken. [26] Van een ‘miskenning’ door het hof als bedoeld in de klacht is dus geen sprake. De klacht voert ook nog aan dat het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Waarom dit laatste zo zou zijn, licht de klacht verder niet toe. Gezien ook het voorgaande valt op basis van dit laatste evenmin een motiveringsgebrek in het vonnis aan te nemen.
vijfde klacht in het onderdeel.
close readingvan de statuten van SSC leert dat volgens art. 8 lid 2 sub i en Pro ii [verzoekster] het contract met Experientia zelfs zonder toestemming van de RvC kon tekenen. Voor zover de klacht al uitgaat van een juiste lezing van genoemde passages in het vonnis, en daarmee feitelijke grondslag heeft, strandt de klacht reeds erop dat voor doeleinden van dit art. 8 lid 2 niet Pro toereikend is dat “de kosten van het contract reeds waren opgenomen in een goedgekeurde begroting” (i) en “het bedrag van dat contract het begrootte bedrag niet overschreed” (ii). Daadwerkelijke ‘close reading’ van art. 8 lid 2 leert Pro immers dat blijkens deze bepaling slechts geen goedkeuring van de RvC voor de in art. 8 lid 1 bedoelde Pro bestuursbesluiten is vereist:
de betreffende handeling reeds specifiekis opgenomen in een door de raad van commissarissen goedgekeurde begroting van de Stichting en (ii)
het voor die handeling in de begroting opgenomen bedragniet wordt overschreden.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
zesde klacht in het onderdeel.
Het gerecht heeft bij vonnis van 30 maart 2020, in een procedure tussen Experientia als eiser en SSC als gedaagde, SSC in conventie veroordeeld tot vergoeding van de schade van Experientia als gevolg van niet-nakoming door SSC van de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst tot het moment waarop deze door opzegging is geëindigd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [29] In de onderhavige procedure heeft het gerecht in het vonnis van 30 maart 2020 in reconventie voor recht verklaard dat [verzoekster] aansprakelijk is voor de schade die SSC lijdt en zal lijden uit hoofde van de tussen SSC en Experientia op 15 mei 2017 tot stand gekomen overeenkomst en [verzoekster] veroordeeld tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ik citeer rov. 2.34 van dit vonnis:
Zou [verzoekster] op dit punt correct hebben gehandeld, dan zou zij de overeenkomst niet hebben gesloten, nu de daarvoor vereiste goedkeuring immers ontbrak. Gesteld noch gebleken is dat SSC op enigerlei wijze baat heeft gehad bij de overeenkomst van 15 mei 2017. De schade als gevolg van het handelen van [verzoekster] komt dus overeen met de schade die SSC op haar beurt aan Experientia dient te vergoeden.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen grief zijdens [verzoekster] of SSC tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.34. Los van de conclusie van antwoord in reconventie zijdens [verzoekster] , p. 14 laatste woordblok wijst de klacht ook niet op een door [verzoekster] of SSC ter zake betrokken stelling, laat staan met vindplaatsverwijzing, waarop het hof had dienen te responderen. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. Die verwijzing naar dat gedingstuk in eerste aanleg zijdens [verzoekster] baat haar niet, reeds gezien dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht. [30] Bij deze stand van zaken kon het hof oordelen, zoals het doet in rov. 3.32 van het vonnis, dat gegeven de dan vaststaande aansprakelijkheid van [verzoekster] als bestuurder van SSC jegens SSC op de voet van art. 2:14 (oud) BW-C zij aansprakelijk is jegens SSC “voor de nadelige financiële gevolgen van de overeenkomst die [verzoekster] namens SSC heeft gesloten met Experientia, onder andere het betalen van een substantiële vergoeding aan Experientia”. En kon het hof ervan uitgaan, zoals het mede doet in rov. 3.28, dat [verzoekster] geen grief heeft gericht tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.34. Gezien het voorgaande hoefde het hof evenmin elders in het vonnis aandacht te besteden aan genoemde stellingname van [verzoekster] in eerste aanleg.
eerste klacht in het onderdeel.
opgedragenoverheidsbeleid dat moet worden uitgebouwd. Wat het hof had moeten meewegen voor de vraag of er wel sprake is van een ernstig verwijt. Een partij die overheidsbeleid uitvoert en in het kader daarvan contracten sluit van een activiteit waarover men zeer tevreden is en die men bovendien wenst uit te breiden, kan men immers moeilijk verwijten dat zij dat had moeten nalaten. Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
derde klacht in het onderdeel.
vierde klacht in het onderdeel.
vierde klacht in het onderdeel.
In rov. 2.20 van het vonnis van 30 maart 2020 heeft het gerecht onder meer het volgende overwogen:
van bijzondere spoedeisendheid niet is geblekenen met de overeenkomst aanzienlijke financiële lasten zijn gemoeid. (…).”
[cursivering toegevoegd, A-G]
Ik lees - gelijk het hof, blijkens het vonnis - in de gedingstukken in hoger beroep geen grief zijdens [verzoekster] of SSC tegen het hiervoor gecursiveerde oordeel van het gerecht in rov. 2.20. Zo’n stelling valt overigens ook niet te lezen in ’s hofs weergave in rov. 3.27 van het door SSC aangevoerde in het kader van haar vordering onder B, noch in ’s hofs weergave in rov. 3.28 van het door [verzoekster] aangevoerde in het kader van die vordering. De stellingen van [verzoekster] waarop de klacht zich beroept (met vindplaatsverwijzing) doen hieraan niet af. De verwijzing naar dat gedingstuk in hoger beroep zijdens [verzoekster] baat haar niet, nu daarin niets staat over deze spoedeisendheid. De verwijzing naar dat gedingstuk in eerste aanleg zijdens [verzoekster] baat haar evenmin, reeds gezien dat in hoger beroep onbestreden oordeel van het gerecht. [43] Bij deze stand van zaken kon het hof oordelen, zoals het doet in rov. 3.31.II van het vonnis, dat niet is gesteld of gebleken dat het aangaan van de overeenkomst met Experientia bijzonder spoedeisend was.
eerste t/m derde klacht in het onderdeel, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling en ten minste deels succes boeken.
geen ernstigverwijt te maken valt. Daarbij is dus nadrukkelijk ook plaats voor aangevoerde verzachtende omstandigheden, die kunnen meebrengen dat het door het hof aangenomen handelen van [verzoekster] in strijd met statutaire bepalingen (door de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder de door art. 8 van Pro de statuten van SSC vereiste goedkeuring van de RvC) bezien vanuit de totaliteit van de te betrekken omstandigheden toch niet een ernstig verwijt oplevert, al is die strijd met statutaire bepalingen op zichzelf een zwaarwegende omstandigheid. Ik citeer Timmerman, [48] waar hij met instemming benadrukt dat blijkens relevante Hoge Raad-rechtspraak:
ernstigverwijt. Gezien het voorgaande - verzwaarde maatstaf, hoge drempel - is de stap naar het kunnen aannemen van deze vereiste ernst van het verwijt een betekenisvolle, of anders gezegd: er zit noemenswaardig licht tussen een gewoon verwijt en een ernstig verwijt. [50] Het hof redeneert in rov. 3.31.II, laatste twee zinnen vanuit de vrijheid die [verzoekster] al dan niet had om namens SSC de overeenkomst met Experientia aan te gaan zonder toestemming van de RvC, en beantwoordt deze vraag daar ontkennend. Daaraan (“derhalve”) verbindt het hof in rov. 3.32, eerste zin de onder 3.18.1 hiervoor genoemde consequentie. Dat [verzoekster] deze “vrijheid” niet had, wil evenwel nog niet zeggen dat haar ter zake in het licht van alle omstandigheden van het geval en alles afwegende ‘dus’ ook een verwijt treft dat beantwoordt aan de voor het aannemen van die interne bestuurdersaansprakelijkheid vereiste ernst. En juist om dit laatste draait het hier, zoals gezegd. [51]
slotstuk van de derde klacht in onderdeel 2evenmin verdere behandeling.