Conclusie
(hierna: de vader)
advocaat: mr. H.J.W. Alt
(hierna: de moeder)
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang
3.Bespreking van het cassatiemiddel
aanhoudingsverzoekgeldt in verzoekschriftprocedures artikel 286 Rv Pro, dat krachtens artikel 362 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep. [19] De tweede volzin bepaalt dat de rechter de uitspraak
kanuitstellen
op verlangenvan de verzoeker
ende in de procedure verschenen belanghebbenden.
ende verschenen belanghebbenden, rijst de vraag of er sprake kan zijn van een eenzijdig aanhoudingsverzoek. Dat lijkt wel het geval te zijn. Een vergelijking kan worden gemaakt met het aanhoudingsverzoek in dagvaardingsprocedures, waarbij artikel 229 Rv Pro bepaalt dat de rechter de uitspraak op verlangen van de verschenen partijen uitstelt. Wanneer in zo’n procedure slechts één partij om uitstel verzoekt, is artikel 229 Rv Pro strikt genomen niet van toepassing, maar uit de procesreglementen volgt het bestaan van deze mogelijkheid wel. [21] Deze mogelijkheid volgt ook uit rechtspraak van de Hoge Raad. Naar het oordeel van de Hoge Raad is de rechter bij een eenzijdig aanhoudingsverzoek ingevolge de wet niet gehouden om op het verzoek in te gaan, maar kan de rechter zo’n verzoek tot aanhouding wel honoreren wanneer de rechter daarvoor voldoende klemmende redenen vindt. Dat oordeel is, aldus de Hoge Raad, voorbehouden aan de feitenrechters, en kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. [22] De zaak betrof weliswaar een dagvaardingszaak, maar mijns inziens valt niet in te zien waarom een eenzijdig aanhoudingsverzoek wel in dagvaardingsprocedures, maar niet ook in verzoekschriftprocedures mogelijk zou zijn.
heropening van het debatgeldt dat de wet deze mogelijkheid niet regelt. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt echter dat partijen zo’n verzoek kunnen doen en bovendien dat een rechter zo’n verzoek niet hoeft te honoreren, ook niet indien dat verzoek is gedaan vanwege nieuwe feiten of bewijsmateriaal. [26] De Hoge Raad overweegt:
het buiten beschouwing laten van de brief met bijlagenaan de kaak stellen. De klachten leiden tot de procesrechtelijke vraag hoe de rechter moet omgaan met stukken die na de mondelinge behandeling zijn ingediend, en in het bijzonder in zaken over (de bekleding van) het ouderlijk gezag.
in jeugdbeschermingszakende mogelijkheid toe om de rechter te verzoeken om in het licht van een contra-expertise een deskundige te benoemen. [55] Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De vader wenst in verband met zijn verzoek tot gezamenlijk gezag een onderzoek, dat bovendien niet dient om het advies van de Raad voor de Kinderbescherming of het raadsrapport tegen het licht te houden. [56]