Conclusie
de vader) en verweerster in cassatie (hierna:
de moeder) waren gehuwd en zijn in 2013 gescheiden. Tijdens het huwelijk zijn twee kinderen geboren. De moeder heeft in 2018 verzocht om beëindiging van het gezamenlijk gezag en vaststelling van eenhoofdig gezag over de kinderen (art. 1:253n jo. art. 1:251a lid 1 BW). De rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Op het hoger beroep van de vader heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. In cassatie stelt de vader zich op het standpunt dat hij in appel een verzoek tot ouderschapsonderzoek/forensische mediation heeft gedaan. Hij klaagt dat het hof dit verzoek ten onrechte niet heeft gekwalificeerd als een verzoek ex art. 810a Rv en het op onjuiste gronden, althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Ook wordt – bij aanvullend verzoekschrift – geklaagd dat indien het verzoek moet worden aangemerkt als een verzoek ex art. 194 Rv Pro, het hof dit verzoek op onjuiste gronden althans onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.
de kinderen).
2.Procesverloop
primair, dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen (art. 1:251a lid 1, aanhef en sub a, BW) en,
subsidiair, dat eenhoofdig gezag in het belang van de kinderen is (art. 1:251a lid 1, aanhef en sub b, BW). Zij heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat de vader niet in staat is met haar te communiceren en meerdere keren heeft geweigerd toestemming te verlenen voor beslissingen met betrekking tot de kinderen. [2]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
lid 1-verzoek’) kan bijvoorbeeld worden gedaan wanneer een ouder wijziging van het gezag verzoekt op de voet van art. 1:253n jo. 1:251a lid 1 BW. [18]
lid 2-verzoek’) verzoekt de ouder om benoeming van een deskundige door de rechter. Het gaat hier om een
lex specialisten opzichte van art. 194 Rv Pro. [21]
equality of armsis dat echter niet steeds vereist. Een ouder moet het standpunt van de Raad over de noodzaak van een maatregel ook met toepassing van art. 810a lid 2 Rv kunnen weerspreken indien deze verder onderzoek niet noodzakelijk acht of om andere reden daarvan afziet. [28] Aan te nemen valt dat dit uitgangspunt ook geldt met betrekking tot een lid 1-verzoek. [29]
eerste klacht(
verzoekschrift p. 3, 2e t/m 5e alinea) gaat ervan uit dat de vader een ‘verzoek’ heeft gedaan tot het ‘instellen’ van een (ouderschaps)onderzoek of forensische mediation. De klacht berust op de lezing dat het hof dit verzoek niet als een verzoek ex art. 810a Rv heeft aangemerkt, en houdt in dat het hof in dat geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
over te gaan tot het instellen’ van een onderzoek) lijkt erop te wijzen dat het middel het oog heeft op een lid 2-verzoek, hetgeen zou aansluiten bij de opmerking van de vader [32] dat de kosten ten koste van ’s Rijks kas dienen te komen (zie lid 3). Zo begrepen faalt de klacht, omdat van een lid 2-verzoek in ieder geval geen sprake kan zijn. Lid 2 is immers alleen van toepassing in zaken betreffende kinderbeschermingsmaatregelen en niet in een gezagsprocedure tussen twee ouders als de onderhavige. [33]
een dergelijk traject partijen wel degelijk tot communicatie kan brengen en een brug kan bouwen tussen partijen in het belang van hun kinderen’. Dit behelst geen concrete opgave van de punten waarop het over te leggen onderzoek door de deskundige zich zou moeten richten, laat staan van de punten waarop het onderzoeksrapport van de Raad voor de Kinderbescherming wordt bestreden.
tweede klacht(
verzoekschrift, p. 3, 6e alinea t/m p. 4, 6e alinea) gaat uit van een verzoek ex art. 810a Rv en klaagt dat het hof bij de afwijzing van het verzoek is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. In het bijzonder zouden zich niet met de op grond van art. 810a Rv in acht te nemen afwijzingsgronden verdragen: het vooruitlopen op de uitkomsten van een eventueel in te zetten onderzoek (p. 4, 2e alinea), de afwijzing op grond van de mogelijke invloed van het onderzoek op de ontwikkeling van de kinderen (p. 4, 4e alinea) en de afwijzing op grond van de onwil van de moeder (p. 4, 5e alinea).
derde klacht(
verzoekschrift, p. 4, laatste alinea) is gericht tegen het tweede gedeelte van rov. 3.11.2 (p. 6, ‘Daarnaast…’), waarin het hof tot het oordeel komt dat ook aan het ‘noodzaak’-criterium (art. 1:251a lid 1, aanhef en sub b, BW) voor wijziging van het gezag is voldaan. Ook dit oordeel zou door de voorgaande klachten worden getroffen.
vierde klacht(
aanvullend verzoekschrift) neemt tot uitgangspunt dat het verzoek van de vader dient te worden aangemerkt als een verzoek ex art. 194 Rv Pro. In dat geval zou het hof van een onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan door het beslissingscriterium van art. 810a Rv niet analoog toe te passen, dan wel de afwijzing onvoldoende hebben gemotiveerd, in welk kader de vader verwijst naar ‘
de opmerkingen ter zake’in zijn verzoekschrift tot cassatie.