Art. 6 EVRMArt. 23 lid 1 UitleveringswetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering aan Turkije ondanks bezwaren over schending art. 6 EVRM
De rechtbank Gelderland verklaarde op 29 april 2022 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar vanwege verdenking van medeplichtigheid aan moord en drugshandel. De verdachte werd in Turkije aanvankelijk vrijgesproken, maar dit vonnis werd vernietigd door het Turkse Hof van Cassatie. Namens de verdachte werden twee cassatiemiddelen ingediend gericht tegen deze uitlevering.
Het eerste middel betrof de vermeende flagrante schending van artikel 6 EVRMPro en het ontbreken van rechtsmiddelen na uitlevering. De Hoge Raad concludeerde dat uit de stukken niet blijkt dat er al een definitief schuldvonnis is in Turkije en dat het middel gebaseerd is op een verkeerde lezing van het uitleveringsverzoek. Bovendien was dit verweer niet eerder ingebracht bij de rechtbank, waardoor het niet in cassatie kan worden aangevoerd.
Het tweede middel klaagde dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve de zaak aanhield om Turkse stukken te laten vertalen. De Hoge Raad oordeelde dat de verdediging voldoende gelegenheid had om de stukken te vertalen en dat het aan de verdediging is om schendingen van artikel 6 EVRMPro te onderbouwen. Tevens werd gewezen op garanties in het uitleveringsverzoek dat het strafbare feit niet politiek van aard is. Beide middelen werden verworpen, waarmee het cassatieberoep faalde en de uitlevering bevestigd werd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Turkije wordt bevestigd.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01674 U
Zitting4 oktober 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de opgeëiste persoon
I. Inleiding
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 29 april 2022 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Turkije toelaatbaar verklaard ter fine van “strafvervolging ter zake van verdenking van het strafbare feit medeplichtigheid aan moord of doodslag ten aanzien van [slachtoffer] op of omstreeks 18 september 2013 te Izmir en het medeplegen van de invoer van drugs vanuit Griekenland in 2018 in de regio Izmir”.
Namens de opgeëiste persoon heeft A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II. De uitleveringsverzoeken
3. De Republiek Turkije heeft goed beschouwd twee verzoeken gedaan tot vervolgingsuitlevering van de opgeëiste persoon, namelijk (i) wegens zijn vermoedelijke betrokkenheid als medeplichtige bij een moord op 18 september 2013 [1] en (ii) de handel in verdovende middelen in 2018. [2] Voor het eerste feit is de verdachte door een Turkse rechtbank op 4 maart 2015 vrijgesproken, maar die beslissing is door de eerste strafkamer van het Turkse Hof van Cassatie vernietigd bij arrest van 28 september 2017. Beide uitleveringsverzoeken zijn bij brief van 21 december 2021 door de Turkse ambassade aangeboden aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Vervolgens zijn beide verzoeken onder de aandacht gebracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en door dit Ministerie op 23 december 2021 als één gebundeld verzoek doorgezonden aan het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: het IRC) Oost-Nederland. Daarop heeft de officier van justitie op 24 december 2021 een “Vordering tot in behandeling nemen van een verzoek tot uitlevering ex artikel 23 lid 1 UitleveringswetPro” (hierna: Uw) ingediend bij de rechtbank Gelderland.
III. Het eerste middel en de bespreking daarvan
Het middel
4. Het eerste middel ziet gelet op de toelichting enkel op het (eerste) uitleveringsverzoek d.d. 9 september 2021 betreffende de verdenking van medeplichtigheid aan moord en klaagt dat uit de door de Hoge Raad aan de verdediging gezonden stukken blijkt “a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op art 6 EVRMPro en b) dat is komen vast te staan dat na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk.”
De bespreking van het eerste middel
5. Het middel en de toelichting daarop welwillend gelezen, begrijp ik de klacht aldus, dat de rechtbank ten onrechte impliciet heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van de gestelde flagrante inbreuk op art. 6 EVRMPro en hem na uitlevering geen rechtsmiddel ten dienste staat. De steller van het middel haalt in dat verband de volgende twee overwegingen van de rechtbank aan (in die volgorde):
“De verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering moet slechts dan wijken voor de op Nederland rustende verplichting om de rechten van het EVRM te verzekeren, indien:
(a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRMPro, en
(b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk (vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42).”
(Uitspraak, blad 3)
En:
“De opgeëiste persoon is op 4 maart 2015 door de rechtbank Izmir vrijgesproken van deze verdenking, maar dat vonnis is vernietigd door het Hof van Cassatie van op 28 september 2017 omdat zijn hiervoor omschreven betrokkenheid volgens het Hof van Cassatie medeplichtigheid oplevert.”
(Uitspraak, blad 2)
6. Vervolgens voert de steller van het middel aan dat de rechtbank “dat laatste kennelijk [ontleent] aan het zich bij de door de Hoge Raad toegezonden kernstukken bevindende Turkse uitleveringsverzoek dd 9-12-2021 (p. 2-3)”, waarin, aldus de steller van het middel, staat:
“Het vonnis van onze rechtbank d.d. 04-03-2015 zaaknummer 2014/40, vonnisnr. 2015/81 waarbij verdachte werd vrijgesproken van het strafbaar feit “Moord” is vernietigd bij arrest van de 1e Strafkamer van het Hof van Cassatie d.d. 28-09-2017, zaaknr. 2016/2518, arrestnr. 2017/2940 omdat hij “.... voorafgaand aan het incident tezamen met de andere verdachten naar de plaats delict is gegaan en hij ten tijde van het incident ter plekke aanwezig was en verdachte de andere verdachten heeft aangemoedigd, hij in de hoedanigheid van iemand die hulp heeft geboden bij het strafbaar feit moord, medeplichtig was” waarna het dossier is terugverwezen naar onze rechtbank.”
7. De steller van het middel leest in dat citaat dat “het Hof van Cassatie, de hoogste beroepsinstantie in Turkije, reeds nu (nog voorafgaand aan de uitlevering ter vervolging in Turkije) zonder enig voorbehoud, (onder meer) heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon de andere verdachten heeft aangemoedigd bij het plegen van moord en dat de opgeëiste persoon zich aldus schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij die moord”. Aldus, zo luidt de redenering, “is sprake van een dreigende flagrante schending van art. 6 lid 2 EVRMPro (Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden tot dat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.).” Daarmee zou volgens de steller van het middel tevens komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een effectief rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Dit een en ander zou maken dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, toelaatbaar heeft verklaard.
8. In het bedoelde uitleveringsverzoek valt nergens expliciet of impliciet te lezen dat de eerste strafkamer van het Turkse Hof van Cassatie in de strafzaak tegen de opgeëiste persoon al tot een definitief eindoordeel is gekomen wat betreft de schuldvraag. Ik teken daarbij aan dat de steller van het middel zijn betoog enkel stoelt op dat ene citaat. Daarmee gaat hij echter voorbij aan de gehele context waarbinnen het citaat moet worden geplaatst. Gezien de inhoud van het onderhavige uitleveringsverzoek van 9 september 2021 gaat het, evenals in het (tweede) uitleveringsverzoek van 10 september 2021, evident nog louter om een verdenking en wordt ter aanduiding van de opgeëiste persoon steeds gesproken van ‘de verdachte’ in de Nederlandse vertaling en van “the accused” in de Engelse vertaling. Uit de overige stukken bij het uitleveringsverzoek volgt evenmin dat nu al een (onherroepelijke) veroordeling van de opgeëiste persoon in hoogste instantie vaststaat. Ik meen dan ook dat de opvatting van de steller van het middel op een verkeerde lezing van het uitleveringsverzoek berust.
9. Tot slot merk ik op dat ter zitting van de rechtbank van 15 april 2022 geen verweer is gevoerd dat met het betoog in de schriftuur overeenkomt. Ik ga ervan uit dat ook in deze uitleveringszaak, waarin de Hoge Raad als cassatierechter oordeelt, heeft te gelden dat een dergelijke kwestie niet voor het eerst in cassatie aan de orde kan worden gesteld, zodat ook om die reden het middel tevergeefs is voorgesteld. [3]
10. Het eerste middel faalt.
IV. Het tweede middel en de bespreking daarvan
Het middel
11. Het tweede middel klaagt dat art. 6 EVRMPro is geschonden omdat “de rechtbank er vanaf heeft gezien de behandeling van de zaak ambtshalve aan te houden teneinde de door de verdediging verstrekte stukken te laten vertalen.”
De bespreking van het tweede middel
12. De bestreden uitspraak van de rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar verweren daags voor de zitting, 14 april 2022 om 20.13 uur, diverse stukken toegestuurd, waaruit onder meer zou moeten blijken dat betrokkene lid is van de HDP partij, een stuk dat zou gaan over een procedure van betrokkenes vader bij het EHRM, een hoorzitting in Turkije en een deskundigenrapport dat kennelijk ziet op whatsappgesprekken in een telefoon. Helaas zijn al deze stukken in het Turks en een adequate vertaling daarvan ontbreekt. Erop geattendeerd dat de rechtbank de Turkse taal niet machtig is, heeft de raadsvrouw volstaan met de opmerking dat zij zich toch op deze stukken beroept. Zij heeft ook geen verzoek gedaan om de behandeling aan te houden teneinde de stukken te laten vertalen. De rechtbank zal ook niet zelf overgaan tot het laten vertalen van deze stukken, nu uit de overgelegde emailcorrespondentie van de advocaat kennelijk volgt dat deze stukken al geruime tijd voor de zitting aan de raadsvrouw zijn verzonden en er dus kennelijk een mogelijkheid was de stukken te laten vertalen.”
13. In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 15 april 2022 is over die stukken, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“De voorzitter houdt voor dat de raadsvrouw gisteravond een mail heeft verzonden met enkele stukken maar dat deze in de Turkse taal zijn opgemaakt. Er is geen vertaling van de stukken verstrekt. De raadsvrouw verklaart dat zij zich daarvan bewust is maar dat die stukken dienen ter onderbouwing van haar verweer.
De voorzitter deelt mede dat de leden van de rechtbank geen Turks spreken en dus geen kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan, waarop de raadsvrouw zegt dat zij zich toch op die stukken zal beroepen.
Op vragen van de voorzitter verklaart de opgeëiste persoon:
[…]
U houdt mij voor dat ik in Turkije ook word verdacht van het invoeren van drugs. In de zaak van de drugs ben ik in het bezit van WhatsAppberichten die ik kan overleggen. Uit deze berichten blijkt dat ik niet ben betrokken bij de drugszaak. Het verzoek tot uitlevering is een politiek gemotiveerde beslissing.
De raadsvrouw voert het woord:
Ik zal afloop van het pleidooi een summiere pleitnota aan de griffier mailen. [4] Cliënt is van Koerdische afkomst, geboren in [geboorteplaats] . Hij is lid van de Koerdische HDP partij en daarmee oppositie van het regime Erdogan. Dat blijkt uit de lidmaatschapsaanvraag. Zijn vader is om dezelfde reden veroordeeld, zoals blijkt uit het toegezonden bericht van het EHRM. De delicten waarvoor hij wordt vervolgd zijn strikt genomen wellicht geen politieke delicten, maar de vervolging om deze reden wel een politieke achtergrond, althans dat vermoeden bestaat
[…]
De vereisten voor een ‘flagrante schending’ liggen hoog. De (overgelegde) stukken en onderbouwing zijn voldoende.”
14. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren. [5]
15. De stukken die de raadsvrouw daags voor de zitting aan de rechtbank heeft toegezonden, dienden kennelijk ter ondersteuning van het verweer dat het verzoek tot uitlevering in dit geval politiek gemotiveerd is.
16. Dat de rechtbank niet ambtshalve tot vertaling van de stukken is overgegaan, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij heb ik mede in aanmerking genomen dat in cassatie niet wordt bestreden dat door de raadsvrouw geen aanhoudingsverzoek is gedaan om de stukken te laten vertalen en dat bovendien de stukken al geruime tijd voor de zitting aan de raadsvrouw zijn verzonden en er toen dus kennelijk voldoende gelegenheid voor haar bestond die stukken te doen vertalen. Voorts wijs ik erop dat het aan de verdediging is een door haar gestelde schending van art. 6 EVRMPro te onderbouwen en zo nodig stukken in vertaling aan de rechtbank te overleggen. [6]
17. Daarbij komt dat in beide Turkse uitleveringsverzoeken onder het hoofd “Guarantees” wordt gegarandeerd: “The offence for which the accused is being tried is not of a political, military or fiscal nature.” [7]
18. Het tweede middel leidt evenmin tot cassatie.
V. Slotsom
19. Beide middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Dit verzoek is gedateerd 9 december 2021.
2.Dit verzoek is gedateerd 10 december 2021.
3.Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
4.Op deze plaats vermeldt de voetnoot van de griffier: “deze e-mail is nooit aangekomen”. Ik, A-G, merk evenwel op dat zich in het aan de Hoge Raad toegezonden dossier een pleitnota bevindt. Niet staat echter vast dat de inhoud van deze pleitnota overeenkomt met het pleidooi dat de raadsvrouw op de zitting heeft gehouden. Bij de bespreking van het middel sla ik dus geen acht op deze pleitnota, waarvan de inhoud mij overigens niet tot een ander oordeel zou hebben gebracht.
6.Indien en voor zover de toelichting op het middel tevens zou willen betogen dat de overgelegde stukken (ook) dienen ter onderbouwing van de stelling dat zich een
7.En daarnaast: The accused is entitled to all legal rights of defense as prescribed in our domestic law and by the international conventions to which the Republic of Türkiye is a party.”