Conclusie
Inleiding
Het uitleveringsverzoek
Het middel
Bespreking van het middel
Het standpunt van de opgeëiste persoon
1st High Criminal Court, p. 9). Het kwam voor [opgeëiste persoon] dan ook als een totale verrassing dat hij in 2017 alsnog is veroordeeld. Hij woonde toen al drie jaar niet meer in Turkije en wist niks van de zitting of van de veroordeling.
(bijvoorbeeld de processen-verbaal van de terechtzittingen in voornoemde zaak, informatie over de opname van [opgeëiste persoon] in een psychiatrisch ziekenhuis, eventuele machtigingen van advocaten en informatie over de oproeping van [opgeëiste persoon] ).
NJ2017/276, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad het volgende uiteengezet. Het uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren. [1] Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM Pro zijn toegekend, dient een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling te worden onderscheiden van een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging. Gaat het, zoals in het onderhavige geval, om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, dan is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. De Hoge Raad benadrukt dat het hier om een beroep op een voltooide flagrante schending van deze verdragsbepaling gaat. [2] De rechtbank heeft dan ook het juiste beoordelingskader toegepast.
Slotsom