Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Metroprop wordt bestuurd door [bestuurder 1] (hierna: [bestuurder 1] ). Coltavast wordt (mede) bestuurd door [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ).
Uit die brief blijkt onder meer dat de koopprijs € 18.155.303,--, kosten koper, bedraagt en dat de transportdatum is bepaald op (uiterlijk) 31 maart 2020.
Partijen zijn geen financieringsvoorbehoud overeengekomen, noch een ander voorbehoud. Evenmin is een garantie overeengekomen met betrekking tot de exploitatie of huurinkomsten van de objecten.
Metroprop heeft in die procedure een beroep gedaan op overmacht en onvoorziene omstandigheden ten gevolge van de coronacrisis.
Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.
Coltavast heeft geconcludeerd tot verwerping en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Metroprop heeft in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna Metroprop heeft gerepliceerd. Coltavast heeft afgezien van dupliek.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 2.8.
Onderdeel 2keert zich tegen rov. 2.9 en rov. 2.10. Om tot cassatie te kunnen komen, moeten beide zelfstandig dragende gronden met succes worden aangevallen.
In de door dit onderdeel bestreden rov. 2.9 en 2.10 heeft het hof als volgt geoordeeld:
on holdis gezet en bevat het rapport een tijdlijn die bij de datum 9 juni 2020 vermeldt dat Cushman & Wakefield toen heeft benaderd “tranche 2, partijen die in tranche 1 interesse hebben getoond” [11] , maar daaruit kan niet volgen dat Metroprop de verkoop (vanaf februari 2020) tot 9 juni 2020
on holdheeft gehouden en dat zij vóór die datum dus geen andere stappen zou hebben ondernomen om een koper te vinden (zoals het benaderen van andere kopers dan die welke eerder interesse hadden getoond, waarbij het subonderdeel verwijst naar subonderdeel 2.2). Integendeel, aldus nog steeds het subonderdeel, onder verwijzing naar het volgende citaat uit het rapport van Deloitte: [12]
De eerste volzin van rov. 2.9 betreft een aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van processtukken en daarbij gevoegde producties. Een dergelijk oordeel kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. [13] Met betrekking tot een beroep van een partij op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden is vaste rechtspraak dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij een dergelijk beroep op een zodanige wijze moet doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich moet verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept. [14]
Dit oordeel is voldoende begrijpelijk gemotiveerd. In de in het rapport van Deloitte opgenomen tijdlijn [16] “Verkoop fase 1” en “Verkoop fase 2” staat, samengevat en zakelijk weergegeven, met betrekking tot het nemen van stappen niet meer vermeld dan dat:
asset manager, institutioneel fonds, makelaar, particulier etc.). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet in te zien waarom deze informatie, die niet is beperkt tot de informatie vóór 20 mei 2020, te algemeen zou zijn, aldus het subonderdeel.
Productie 16is overgelegd een e-mail waarin door Cushman en Wakefield een paar belangrijke kwesties worden besproken:
Productie 17. Daaruit blijkt ook dat geen enkele andere partij dan Corum überhaupt interesse toonde.
(…)”
asset manager, institutioneel fonds, makelaar, particulier etc.), niet terug te vinden in de processtukken in feitelijke instantie (nog daargelaten dat niet valt in te zien hoe deze stelling zou kunnen afdoen aan het oordeel van het hof). Subonderdeel 2.2 faalt dus.
In dit oordeel ligt de verwerping van de in de subonderdelen 2.3 en 2.4 genoemde stellingen besloten. Dat is niet onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. De stellingen van Metroprop, die er in de kern op neerkomen dat het onmogelijk was om eerder dan 31 juli 2020 de onroerende zaken door te leveren via een ABC-transactie en het verlies te financieren door middel van een lening bij [A] (waarvoor [bestuurder 1] garant moet staan), doen niet af aan het voldoende begrijpelijk gemotiveerde oordeel van het hof dat Metroprop in de periode van 20 mei 2020 tot 9 juni 2020 geen stappen heeft ondernomen om een koper te vinden voor de onroerende zaken en dat de verkoop (pas) is hervat op 9 juni 2020. Bovendien heeft Metroprop niet gesteld
dat[bestuurder 1] (die volgens de vastgestelde feiten bestuurder is van Metroprop) niet eerder in de tijd bereid zou zijn geweest om garant te staan, heeft zij (mede daardoor) niet gesteld
waaromde noodzakelijke financiering niet eerder kon worden verkregen van [A] , en heeft zij (daardoor) ook niet gesteld
waaromhet verkoopproces niet sneller was gegaan als Metroprop direct na de hoofdveroordeling (opnieuw) potentiële kopers had benaderd.
letter of Intentmet Corum heeft gesloten, dat Corum toen direct het voor verkoop noodzakelijke
due diligence-onderzoek is aangevangen, dat dit onderzoek op aandringen van Metroprop uitzonderlijk snel is verricht en dat, toen op 31 juli 2020 de koopovereenkomst werd gesloten, direct levering heeft plaatsgevonden. [33] [bestuurder 1] heeft over de verkoop en levering aan Corum opgemerkt dat niet eerder met Corum tot overeenstemming kon worden gekomen, dat Corum een groot internationaal concern is en dat het normaal maanden duurt om tot een transport te komen. [34] Gelet op deze gang van zaken (die het hof niet als onjuist verwerpt) is niet in te zien dat Metroprop de objecten wél uiterlijk op 15 juni 2020 had kunnen afnemen indien zij direct al op 20 mei 2020 (ook) Corum had benaderd. Metroprop had ook dan – bij een gelijkblijvende duur van de (zeer snel uitgevoerde) transactie met Corum – pas op zijn vroegst [35] 52 kalenderdagen ná 20 mei 2020 kunnen afnemen, derhalve op 11 juli 2020. Ook dan zou Metroprop dus 20 werkdagen (van 15 juni 2020 tot 11 juli 2020) dwangsommen hebben verbeurd. Gelet daarop had het hof (nader) moeten motiveren waarom het ook de vordering tot vermindering van de dwangsom afwees, aldus het onderdeel.
Het hof heeft in rov. 2.2, in cassatie niet bestreden, de strekking van de vordering van Metroprop tot opheffing, althans vermindering van de door het hof bij arrest (mondelinge uitspraak) van 10 juni 2020 aan Metroprop opgelegde dwangsom tot uitgangspunt genomen en verder de door Metroprop gestelde grondslag weergegeven, te weten dat het voor haar onmogelijk was de onroerende zaken eerder af te nemen dan op 31 juli 2020. Vervolgens heeft het hof vanaf rov. 2.4 beoordeeld of sprake is van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen in de zin van art. 611d Rv, hetgeen volgens het hof niet het geval is (rov. 2.9 en 2.10), waarna het hof in het dictum “de vordering” (waarmee het hof klaarblijkelijk doelt op de vordering zoals opgenomen in rov. 2.2) afwijst. Het hof heeft daarbij geen onderscheid gemaakt tussen opheffing en vermindering. Het hof was daartoe ook geenszins gehouden, nu Metroprop in feitelijke instantie geen andersluidende (extra) grondslag voor vermindering van de dwangsom heeft aangevoerd dan het hof in rov. 2.2 heeft vermeld.
Daarbij komt dat Metroprop het standpunt dat zij pas op zijn vroegst op 11 juli 2020 had kunnen afnemen niet reeds in feitelijke instantie heeft aangevoerd.
Deze deelt in het lot van de onderdelen 2-4.