Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Zaak met parketnummer 08-110145-19:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voor meervoudige diefstal, gepleegd in mei 2019 en oktober 2018. De verdachte had zich in hoger beroep laten behandelen voor verslaving en vroeg via zijn raadsvrouw om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een taakstraf, verwijzend naar zijn veranderde persoonlijke omstandigheden en re-integratieperspectief.
Het hof oordeelde dat de gepleegde diefstallen, waaronder een goed voorbereide en brutale diefstal van tablets ter waarde van circa 1500 euro, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Het hof nam daarbij ook de omvangrijke justitiële documentatie van de verdachte mee in de strafmotivering. De behandeling van de verdachte voor zijn problemen werd erkend, maar vond het hof onvoldoende reden om af te wijken van de onvoorwaardelijke straf.
In cassatie stelde de verdediging dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet volstond met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De Hoge Raad benadrukte dat het proces-verbaal van de terechtzitting leidend is voor de beoordeling van de verdediging en dat het hof het standpunt van de verdediging als uitdrukkelijk onderbouwd heeft opgevat en gemotiveerd heeft waarom het daarvan afweek.
De Hoge Raad stelt dat de feitenrechter binnen de wettelijke grenzen vrij is in de strafkeuze en dat cassatie slechts kan ingrijpen bij onbegrijpelijkheid of overschrijding van die grenzen. De motivering van het hof voldeed aan deze eisen. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden blijft gehandhaafd.