AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling procesuele onmogelijkheid en deskundigenbewijs bij vernietiging koopovereenkomst
Deze zaak betreft een geschil over de koop van een Doppstadt Grizzly DT 38 machine tussen [verweerders] en de vennootschap onder firma [A] v.o.f., waarbij [eiseres] zich in hoger beroep voor het eerst beroept op het feit dat zij niet de juiste contractspartij is. Na eerdere cassatie en verwijzing heeft het hof geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] dit verweer in hoger beroep voert. Het hof bevestigde dat de machine niet aan de overeenkomst beantwoordde en vernietigde de koopovereenkomst wegens wederzijdse dwaling.
In cassatie staat centraal of het hof een processuele onmogelijkheid heeft begaan door de vordering tot vernietiging toe te wijzen zonder de juiste wederpartij in het geding te laten oproepen. De Hoge Raad oordeelt dat het uitgangspunt dat [A] partij is bij de koopovereenkomst na verwijzing haar kracht heeft verloren omdat het hof het verweer van [eiseres] dat zij geen partij is onaanvaardbaar achtte. Daarnaast zijn klachten over het niet toelaten van eisvermeerdering en aanvullende producties afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.
De waardering van het deskundigenbewijs door het hof wordt uitvoerig besproken. Het hof heeft geoordeeld dat het deskundigenrapport voldoet aan de eisen en dat de bezwaren van [eiseres] onvoldoende concreet zijn om het rapport te verwerpen. Het hof heeft ook gemotiveerd waarom het dossieronderzoek van de deskundige acceptabel is en waarom de stelling dat de remmen bewust onklaar zijn gemaakt niet tot een ander oordeel leidt.
Uiteindelijk wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand, waarbij de koopovereenkomst wordt vernietigd en de vorderingen van partijen worden beoordeeld binnen de grenzen van de rechtsstrijd na verwijzing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd waarbij de koopovereenkomst wordt vernietigd wegens dwaling.
Voetnoten
2.Voor zover thans van belang geef ik in de alinea’s 3.1 t/m 3.5 een korte samenvatting van het procesverloop voor verwijzing, grotendeels ontleend aan rov. 2.2 t/m 2.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485. Zie voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop de nrs. 2.11 t/m 2.18 van mijn conclusie voor het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad d.d. 22 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1331. 4.De procesinleiding is op 21 december 2021 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
7.In het sub-subonderdeel wordt verwezen naar de randnummers 4 t/m 7 van de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres] p. 21, de memorie van grieven. de randnummers 4.4.14 t/m 4.4.18 van de memorie van grieven na verwijzing.
13.Zie de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres] , onder nrs. 4 t/m 6.
14.Zie de pagina’s 20-21 van de memorie van grieven van [eiseres] en de memorie van grieven na verwijzing onder nrs. 4.4.14-4.4.18.
15.Zie nr. 4.4.14 van de memorie van grieven na verwijzing. Vgl. ook p. 20 van de memorie van grieven.
16.Zie p. 21 van de memorie van grieven en nrs. 4.4.15-4.4.20 van de memorie van grieven na verwijzing.
17.Vraag 5 luidt: “
18.Vraag 6 luidt: “
19.Zie o.a. p. 8 van het deskundigenrapport (het antwoord op vraag 9).
20.In het subonderdeel wordt verwezen naar de randnummers 4.4.20 t/m 4.4.23 van de memorie van grieven na verwijzing. De stelling is ook vóór verwijzing aangevoerd, zie p. 22 van de memorie van grieven.
21.Zie p. 8 van het rapport van ing. P. Hörchner van juni 2015.
22.Volledigheidshalve is nog het volgende aan te tekenen over de gevorderde terugbetaling. (i) [eiseres] is door [verweerders] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 272.538,03, naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad. (ii) [eiseres] heeft vervolgens een executiegeschil gestart om af te dwingen dat het verschuldigde bedrag op een derdengeldenrekening terecht kwam en dat [verweerders] hiervoor voldoende zekerheid zou afgeven. Vervolgens hebben partijen onderhandeld en een minnelijke regeling getroffen. (iii) [eiseres] stelt in de verwijzingsprocedure dat [verweerders] ten onrechte aanspraak hebben gemaakt op een bedrag van € 10.993,09 aan handelsrente over € 39.894,54 en wettelijke rente over het restant. Volgens [eiseres] is dit bedrag hoe dan ook ten onrechte betaald, of zij nu wel of niet in het gelijk wordt gesteld (randnummers 3.19 t/m 3.21 in memorie van grieven na verwijzing, ). (iv) In de memorie van antwoord na verwijzing hebben [verweerders] o.a. gesteld dat [eiseres] heeft nagelaten ten aanzien hiervan een vordering in te stellen (randnummer 6 van memorie van antwoord na verwijzing). (v) Vervolgens heeft [eiseres] in de Akte na overlegging producties en vermeerdering van eis een vermeerdering van eis ingesteld waarin [eiseres] spreekt van een bedrag van € 281.426,17 (bedrag uit hoofde van onverschuldigde betaling incl. wettelijke rente per 9 juni 2021), “met dien verstande dat (i) van voornoemd bedrag € 232.798,58 vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening en dat (ii) € 48.627,59 vermeerderd dient te worden met de wettelijke handelsrente vanaf 10 juni 2021 tot aan de dag van algehele voldoening.” (randnummers 2.1 e.v. en het petitum van de akte na overlegging producties en vermeerdering van eis). In de akte vermeerdering van eis en in het petitum wordt niet meer gesproken van het eerder genoemde bedrag van € 10.993,09. In de akte vermeerdering van eis spreekt [eiseres] enkel nog over onverschuldigde betaling die is gedaan ter uitvoering van het arrest van de Hoge Raad (zie randnr. 2.3: “(…) Deze vermeerdering van eis bestaat dan ook uit een vordering van [eiseres] op [verweerster 1] uit hoofde van onverschuldigde betaling ter hoogte van het bedrag dat [eiseres] aan [verweerster 1] heeft betaald ter uitvoering van het arrest van de Hoge Raad.” [eiseres] is dus kennelijk teruggekomen van de stellingen in de memorie van grieven na verwijzing met betrekking tot het (hoe dan ook onverschuldigd betaalde) bedrag van € 10.993,09.
23.Zie de nrs. 2.5 tot en met 2.14 van de pleitnota van de advocaat van [eiseres] ten behoeve van het pleidooi ter zitting van het Hof ’s-Hertogenbosch op 28 juni 2021.