Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
(1) de vennootschap onder firma [verweerster] v.o.f,”,alsmede haar vennoten
“(2) [betrokkene 1] ”en
“(3) [betrokkene 2] .”
eiseres in conventie, gedaagden in reconventie”) zal worden veroordeeld tot betaling van primair een bedrag van € 590.223,51 te vermeerderen met wettelijke handelsrente over bepaalde posten, subsidiair een bedrag van € 411.546,34 te vermeerderen met de wettelijke rente over bepaalde posten, waarna [eisers] de DT38 vrijgeeft aan [verweerster] ; en zowel primair als subsidiair ‘ [verweerster] ’ te veroordelen voor de door [eisers] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van ‘ [verweerster] ’ in de proceskosten, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
reconventieheeft de kantonrechter de tussen partijen gesloten koopovereenkomst ten aanzien van de DT38 vernietigd (dictum onder 3.5), [verweerster] v.o.f. veroordeeld om aan [eisers] te voldoen de som van € 184.615,84, waarna [eisers] de DT38 vrijgeeft aan [verweerster] v.o.f. (dictum onder 3.6), [verweerster] v.o.f. veroordeeld in de kosten van het geding (dictum onder 3.7), het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
alsmede haar vennoten [betrokkene 1] en [betrokkene 2]’ in hoger beroep gekomen van zowel het eindvonnis als de tussenvonnissen van 19 maart en 15 oktober 2014, gewezen
‘tussen appellanten als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en geïntimeerden als gedaagden in conventie en eisers in reconventie’. [7]
als appellanten genoemde vennoten van rekwirante, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (…) niet in appèl komen, aangezien zij ook geen partij in eerste aanleg waren’. [8]
in reconventievan [eisers] heeft het hof om deze reden afgewezen, met veroordeling van [eisers] tot (terug)betaling aan [verweerster] v.o.f. van de bedragen die [verweerster] v.o.f. bij wijze van voorschot aan de deskundige en ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter van 17 februari 2016 heeft voldaan. Voor wat betreft de oorspronkelijke vorderingen
in conventieheeft het hof [eisers] veroordeeld om aan [verweerster] v.o.f. een bedrag van € 23.559,15 inclusief btw te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2012, en om aan [verweerster] v.o.f. een aftakasdeel terug te leveren. [eisers] is veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg zowel in conventie als in reconventie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 t/m 3zijn gericht tegen de beoordeling door het hof in de rov. 5.3-5.6 van grief I van [verweerster] v.o.f., die er kort gezegd op neerkomt dat de vordering tot vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst door [eisers] had moeten worden ingesteld tegen [A] v.o.f. als partij bij die overeenkomst.
Onderdeel 4bevat een op de onderdelen 1 t/m 3 voortbouwende klacht tegen de oordelen van het hof in rov. 5.7 t/m 5.18.
in hoedanigheiden de reconventie hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd. Een procespartij treedt in een hoedanigheid op als zij in het geding een ander, de materiële partij, vertegenwoordigt. [14] Te denken valt aan de minderjarige die (als materiële partij) in de procedure vertegenwoordigd wordt door de wettelijk vertegenwoordiger, die dan ‘in hoedanigheid’ optreedt. Of aan de curator die ‘in hoedanigheid’ namens de boedel optreedt. [15]
De gedaagde, die een eis in reconventie instelt tegen eiser persoonlijk, terwijl eiser in conventie slechts in een hoedanigheid procedeert, haalt daardoor een nieuwe formele partij in het geding, richt zijn eis niet tegen de eiser in conventie, maar tegen een derde die nog geen procespartij was.”
als eiseroptreedt, dan gaat het dus om een vorderingsrecht dat toekomt aan de gezamenlijke vennoten en dat in het afgescheiden vermogen (het vennootschapsvermogen) valt. [22]
alleende vof procespartij is en niet óók de vennoten in privé.
medeopgetreden als eisende partij. Daarmee was het onmogelijk voor [eisers] om een reconventionele vordering in te stellen tegen [A] v.o.f. en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] . Een reconventionele vordering kan immers niet worden ingesteld tegen een partij die niet in de procedure is betrokken. Ook uit het arrest over de ondeelbare rechtsverhouding [27] (zie onder 3.11) kan dat niet worden afgeleid; daar is slechts mogelijk gemaakt dat, in afwijking van de hoofdregel, tegen een
mede-gedaagdeeen vordering in reconventie kan worden ingesteld.
en dat dit als afzonderlijke vorderingsrechten moeten worden beschouwd, volgt dat die vorderingsrechten niet op één hoop kunnen worden gegooid. Daarom kan niet worden aangenomen dat een vorderingsrecht tegen de vof samenvalt met het vorderingsrecht tegen de vennoten van die vof; dat is niet het geval. Dit betekent dat evenmin kan worden aangenomen dat een – reconventionele – vordering die is ingesteld tegen [verweerster] v.o.f. (omdat dat nu eenmaal de partij was die de procedure tegen [eisers] aanhangig heeft gemaakt), ‘eigenlijk’ ook is ingesteld tegen de vennoten van [verweerster] v.o.f.
[…], dat overigens in de sleutel staat van contracteren met en procederen tegen een (openbare) maatschap. [28] In deze zaak was een vordering uit hoofde van een met een maatschap gesloten overeenkomst ingesteld tegen een aantal personen (A c.s.) wier
praktijkvennootschappenmaat waren in de maatschap. Het hof had overwogen dat het […] niet erom te doen was tegen A c.s. afzonderlijk te procederen, dat […] niet de maatschap had gedagvaard en dat indien de gezamenlijke maten worden gedagvaard, de (rechts)personen moeten worden gedagvaard die ten tijde van de dagvaarding als maat in de maatschap deelnemen. Dat laatste had […] – met het dagvaarden van A c.s. – niet gedaan, aldus het hof in die zaak (rov. 3.3 onder b). De Hoge Raad oordeelde – na onder meer te hebben vooropgesteld tegen wie een vordering uit een overeenkomst die met een maatschap is aangegaan, kan worden ingesteld (rov. 3.4.2 en rov. 3.4.3, eerste alinea) – dat de door […] ingestelde vorderingen niet anders kunnen worden opgevat dan dat zij A c.s.
medein hun hoedanigheid van individuele maat hebben gedagvaard; de vaststelling van het hof dat het de bedoeling van […] is geweest om (uitsluitend) de maatschap in rechte te betrekken acht de Hoge Raad dan ook onbegrijpelijk. Vervolgens heeft de Hoge Raad – en dat is hier van belang – met betrekking tot het dagvaarden van de
gezamenlijke matenten overvloede als volgt overwogen:
3.4.3. (…)
hoger beroep– in verband met art. 353 lid 1 Rv Pro, dat inhoudt dat een eis in reconventie niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld – nog tot de mogelijkheden behoort. Nu het onderdeel deze oplossing niet bepleit, kan deze gedachtegang sowieso niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.
als partij(en) in deze procedurehad kunnen toewijzen. [30] Die veronderstelling is, zoals ik hiervoor bij de bespreking van onderdeel 1 heb uiteengezet, niet juist. [A] v.o.f. is niet als procespartij te beschouwen, zodat geen (reconventionele) vordering tegen haar kan worden toegewezen.
Ook het beroep van [eisers] op het stilzwijgen van [verweerster] in eerste aanleg over de vennootschappelijke identiteit van de verkoper en haar verweer in reconventie tegen de vordering tot vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomst baat [eisers] niet. [verweerster] heeft niet uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk erkend dat zij als contractspartij bij de koopovereenkomst kan worden beschouwd en alle verplichtingen uit deze overeenkomst, waaronder tot terugbetaling van de koopsom bij vernietiging of ontbinding, op zich heeft genomen. Weliswaar heeft [verweerster] in de conclusie van antwoord in reconventie onder 1 geschreven dat gedaagden in reconventie erkennen dat [verweerster] in het verleden meer Doppstadt machines aan [eisers] heeft verkocht, maar deze zinsnede moet worden bezien in de context. Die context is niet de discussie die voor het eerst in hoger beroep is gevoerd, namelijk of [verweerster] als partij bij de koopovereenkomst moet worden beschouwd. Van een gerechtelijke of buitengerechtelijke erkentenis is dan ook geen sprake. [verweerster] heeft ook geen vorderingen op grond van de koopovereenkomst tegen [eisers] ingesteld en zich alleen in reconventie verweerd tegen de vorderingen van [eisers] . hetgeen op zich niet als een dergelijke erkentenis kan worden aangemerkt. Het beroep van [verweerster] op het feit dat zij niet de verkoper is en niet gehouden kan worden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de koopsom is ook niet tardief of in strijd met een goede procesorde, nu het hoger beroep kan dienen om verweren die niet in eerste aanleg zijn gevoerd alsnog in hoger beroep te voeren. [verweerster] heeft daarbij ook belang, gelet op het verschil in afgescheiden vermogen en in vennoten tussen haar en de vennootschap onder firma [A] v.o.f. en de daarmee verband houdende verhaalsmogelijkheden en aansprakelijkheden. Van strijd met beginselen van redelijkheid en billijkheid is geen sprake. Daaraan doet niet af dat. zoals [eisers] stelt, de vennoten van [verweerster] mogelijk onderling afspraken over dat verhaal en die aansprakelijkheden kunnen maken en dat [verweerster] heeft betaald. Het eerste is een interne aangelegenheid waar [eisers] buiten staat en het tweede vloeit voort uit de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling bij vonnis van [verweerster] .”
zondereen gerechtelijke erkenning kan sprake zijn van het opwekken van gerechtvaardigd vertrouwen bij de wederpartij, waardoor die partij het recht heeft verwerkt om een bepaald verweer te voeren. [49] Of daarvan sprake is, is niet beoordeeld door het hof.