Conclusie
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma,
verweerster in cassatie,
advocaten: mrs. B.T.M. van der Wiel en T. van Tatenhove.
1.Inleiding en samenvatting
MVA) tot 18 MVA. Stedin heeft O-I laten weten dat daarvoor niet voldoende capaciteit beschikbaar is. Een aansluiting van 18 MVA is wel mogelijk op het verder weg gelegen transformatorstation in Arkel. De kosten daarvan worden geraamd op € 6.000.000,- en zouden ten laste van O-I komen.
E-wet). Ingevolge deze bepaling heeft een afnemer recht op een aansluiting op het door hem gewenste spanningsniveau, tenzij dit om technische redenen redelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd. Het hof heeft geoordeeld dat dergelijke technische redenen zich voordoen als de door O-I gewenste aansluitconstructie zou worden gerealiseerd.
2.Feiten
Libbey). De glasproducenten op het fabrieksterrein zijn aangesloten op een gesloten distributiesysteem, [2] dat wordt beheerd door O-I.
station Leerdam) naar een inkoopstation dat is gelegen op het fabrieksterrein, op enige afstand van de erfgrens.
station Arkel). In station Arkel is het 50 kV tussenspanningsnet (
TS), dat wordt beheerd door Stedin, verbonden met het hoogspanningsnet, dat wordt beheerd door TenneT. Vanuit station Arkel lopen twee 50 kV-verbindingen naar station Leerdam. Daar wordt dit voltage met twee transformators, met elk een capaciteit van 40 MVA, omgezet naar 13 kV middenspanning (
MS).
3.Procesverloop
de rechtbank). O-I heeft, kort samengevat, gevorderd dat voor recht wordt verklaard (1) dat Stedin onrechtmatig handelt door te weigeren de verzochte verzwaring volgens de door O-I gewenste aansluitconstructie in station Leerdam te realiseren en (2) dat Stedin onrechtmatig handelt door te weigeren daarvoor een offerte uit te brengen. Daarnaast heeft O-I gevorderd (3) dat Stedin wordt veroordeeld om de verzochte aansluiting te realiseren uiterlijk op 1 december 2019, althans binnen vier maanden na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 8.000.000,-, en (4) dat Stedin wordt veroordeeld om een offerte uit te brengen binnen veertien dagen na het vonnis, eveneens op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 8.000.000,-. O-I heeft aan deze vorderingen, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd. [3]
het hof). O-I heeft, onder aanvoering van 17 grieven, gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen. [5]
één aansluiting;
hogerspanningsniveau dan waar de aansluiting thuishoort; en
technische redenenredelijkerwijs niet van Stedin worden verlangd, gezien de ‘diepe netinvesteringen’ die Stedin zou moeten doen om dat mogelijk te maken.
verweer onder (i)en oordeelt dat dit slaagt:
5.17 Het hof is van oordeel dat de in artikel 23 van Pro de Elektriciteitswet neergelegde verplichting van de netbeheerder om degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van hoofdstuk 3 van de Elektriciteitswet niet ziet op meer dan één aansluiting. Dit is in lijn met de sectorspecifieke uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven(CBb). [8] Dat betekent dat O-I geen recht heeft op twee afzonderlijke aansluitingen in de vorm van twee inkoopstations. Zij kan daar dus geen aanspraak op maken.”
verweer onder (iii)en oordeelt dat dit eveneens slaagt. Daarbij heeft het hof vooropgesteld dat het deze kwestie moet beoordelen tegen de achtergrond van de vorderingen zoals O-I die in hoger beroep heeft geformuleerd. Het hof dient te beoordelen of er op dit moment technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam volgens de door O-I gewenste aansluitconstructie (rov. 5.21).
verweer onder (ii)laat het hof onbesproken (rov. 5.37).
4.Juridisch kader
[…] /Westland. Daarin haalt het CBb het in die zaak bestreden geschilbesluit van de NMa, de voorloper van de ACM, instemmend aan. [12] Het CBb overweegt verderop (onderstreping toegevoegd):
ziet, anders dan appellante heeft betoogd, niet op meer dan één aansluiting."
Friesland Campina (ZFC)/Liander, waar (net als in deze zaak) een gesloten distributiesysteem aan de orde was. [13]
transporttarief. Ik citeer uit de toelichting bij het amendement (onderstreping toegevoegd):
Het voorgestelde recht op een aansluiting op het door de betreffende afnemer gewenste spanningsniveau stelt de afnemer in staat rechtstreeks invloed uit te oefenen op de hoogte van het bij hem in rekening te brengen transporttarief. Het bedoelde recht is evenwel niet onbeperkt. (…).”
waar voldoende capaciteit beschikbaar is.
aangesloten op een net met een spanningsniveau groter dan of gelijk aan 25 kV en kleiner of gelijk aan 50 kV”.
lagerspanningsniveau dan het passende spanningsniveau niet mogelijk is. In rov. 3 van zijn uitspraak in
[…] /Westlandhaalt het CBb instemmend het bestreden geschil besluit van de NMa aan:
] heeft echter geen recht om te worden aangesloten op een net dat verbonden is met een lager dan bij zijn aansluiting behorend spanningsniveau. (…)”
aansluittariefmaakt het geen verschil als op een afwijkend spanningsniveau wordt aangesloten. Art. 27 lid Pro 2, aanhef en onder g, E-wet bepaalt namelijk dat het aansluittarief wordt gebaseerd op de grootte van de aansluitcapaciteit. [19] Aansluiting op een hoger spanningsniveau leidt wel tot een lager
transporttarief. Voorzien is in een trapsgewijs stelsel: [20] hoe hoger het spanningsniveau is, hoe lager het transporttarief.
lagerspanningsniveau volgt impliciet ook uit het besluit van de ACM in een geschil tussen Notos en Liander (mijn onderstreping): [21]
lijkt artikel 27, tweede lid, onderdeel a, E-wet er volgens de ACM voor bedoeld om afnemers de mogelijkheid te geven om te verzoeken om een aansluiting op een hoger spanningsniveau.”
technische redenenredelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd (zie het slot van deze bepaling). Dit volgt als gezegd uit de tekst van die bepaling. Technische redenen kunnen zien op de veiligheid en de betrouwbaarheid van het net, maar ook op economische aspecten zoals kosten. In de toelichting bij het amendement Kortenhorst c.s. staat, direct na de in 4.9 geciteerde passage, het volgende (onderstreping toegevoegd): [22]
Van een netbeheerder kan niet worden verlangd dat hij tot aanmerkelijke extra netinvesteringen (diepe aansluitkosten) overgaat, teneinde een gewenste aansluiting op een bepaald spanningsniveau te realiseren. Evenzeer moet de netbeheerder het recht hebben een gevraagde aansluiting op een bepaald spanningsniveau te weigeren, wanneer de gevraagde aansluiting rechtstreeks gevolgen zou hebben voor de fysieke integriteit en daarmee de betrouwbaarheid van het door de netbeheerder beheerde net. In deze gevallen kan de gevraagde aansluiting op een bepaald spanningsniveau redelijkerwijs niet worden verlangd. (…).”
Windpark Zeelandblijkt dat de regeling onder d een “
meer specifieke regeling” is ten opzichte van de regeling onder a (onderstreping toegevoegd): [24]
bijzondere, althans een meer specifieke regelingdan het bepaalde onder a van dit artikellid. In verband hiermee en in aanmerking genomen dat het bepaalde onder d is ingevoerd bij latere wetgeving dan het bepaalde onder a, dient - zoals hiervoor reeds tot uitdrukking is gebracht -
de vraag of appellantes verzoek om aansluiting op de door haar aangewezen locatie voor inwilliging in aanmerking komt, in de eerste plaats te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, EW’98.”
voldoende reservecapaciteit voor het transport van elektriciteit aan te houden.”Dit geldt voor alle netten en is dus ook voor de netten van regionale netbeheerders als Stedin. Voor hoogspanningsnetten geldt op grond van art. 16 lid Pro 4 E-wet daarnaast de expliciete verplichting een storingsreserve aan te houden voor uitvalsituaties. [25] Art. 31 lid Pro 12 E-wet bepaalt dat in de technische codes kan worden vastgelegd op welke wijze netbeheerders uitvoering geven aan de regels over de storingsreserve. Ingevolge art. 9.12 lid 2, aanhef en onder a, Netcode elektriciteit geldt voor het hoogspanningsnet van 110 kV en 150 kV de verplichting een enkelvoudige storingsreserve aan te houden. Dit is de n-1 norm of n-1 redundantie. [26] Het aanhouden van een dergelijke storingsreserve heeft uiteraard gevolgen voor de (transport)capaciteit die voor afnemers beschikbaar is. Beheerders van netten met middenspanning zijn niet wettelijk verplicht de n-1 norm te hanteren. Zij mógen dat echter wel doen om aldus te voldoen aan hun verplichting voldoende reservecapaciteit aan te houden.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1komt op tegen de wijze waarop het hof een aansluiting heeft afgebakend.
Onderdeel 2heeft betrekking op onder meer de uitleg door het hof van de vorderingen van O-I en het peilmoment waarnaar de gestelde onrechtmatigheid van het handelen van Stedin moet worden beoordeeld.
Onderdeel 3hekelt het oordeel dat het verzoek van O-I een verzoek om een tweede aansluiting behelst (het eerste dragende oordeel). De
onderdelen 4 en 5richten klachten tegen het oordeel dat er technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam, zodat het beroep van O-I op art. 27 lid Pro 2, aanhef en onder a, E-wet niet opgaat (het tweede dragende oordeel).
Onderdeel 6bevat een voortbouwklacht.
preliminair verweeraangevoerd dat O-I belang mist bij al haar klachten. Stedin wijst er daarbij op dat zij heeft betoogd dat toepassing van art. 27 lid Pro 2, aanhef en onder a, E-wet alleen kan leiden tot aansluiting op een
hogerspanningsniveau dan het niveau waar de aansluiting ‘thuishoort’ (zie rov. 5.15, het verweer onder (ii)). Het hof heeft dit argument uitdrukkelijk onbesproken gelaten (rov. 5.37). Volgens Stedin is er echter geen andere conclusie mogelijk dan dat dit verweer gegrond is. [27]
op dit moment” technische redenen zijn die meebrengen dat van Stedin redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij O-I aansluit op station Leerdam volgens de door O-I gewenste aansluitconstructie (rov. 5.21 en 5.35) en is het hof niet toegekomen aan de vraag of Stedin al op een eerder tijdstip onrechtmatig heeft gehandeld (rov. 5.38).
subonderdeel 4.1gaat rov. 5.30 uit van een verkeerde rechtsopvatting, omdat onder de technische redenen genoemd in art. 27 lid Pro 2, aanhef en onder a, E-wet niet valt de situatie waarin een netbeheerder die niet wettelijk verplicht is n-1 aan te houden, met een beroep daarop een aansluiting op het gewenste spanningsniveau weigert.
investeringenin de uitbreiding van de capaciteit teneinde een n-1 redundantie te kunnen handhaven alleen dan om technische redenen van belang zijn als er een wettelijke verplichting bestaat tot handhaving van een n-1 redundantie. En dat is voor netten onder 110 kV niet het geval.
transportcapaciteit en niet op de
aansluitcapaciteit. Volgens het middel heeft het hof aldus miskend dat in het systeem van de E-wet aansluiting en transport van elkaar moeten worden onderscheiden, ook al kan dat ertoe leiden dat degene die om (verzwaring van) een aansluiting verzoekt, deze krijgt aangeboden zonder transportcapaciteit. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat genoemde aspecten, die betrekking hebben op de transportcapaciteit, (kunnen) meewegen bij de uitleg en toepassing van de uitzondering van art. 27 lid Pro 2, aanhef en onder a, E-wet. Als het hof dat niet heeft miskend, dan zijn de rov. 5.30-5.37 zonder nadere of andere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
zalleiden. Ik verwijs naar rov. 5.31, waarin het hof voorbij gaat aan O-I’s stelling dat zij enkel extra aansluitcapaciteit wil en niet tevens heeft gevraagd om extra transportcapaciteit. Daartegen is geen klacht gericht.
’s hofs constatering in rov. 5.34 dat O-I tijdens het pleidooi zelf geconstateerd zou hebben ‘dat er al één aansluiting van een nieuwe klant is ingetekend op de technische tekening van Stedin: de aansluiting van Campina'” niet volgen dat de betwisting door O-I van genoemde stelling van Stedin niet strookt met de feiten en onvoldoende is onderbouwd.