ECLI:NL:PHR:2022:975

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 november 2022
Publicatiedatum
24 oktober 2022
Zaaknummer
21/03970
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WAHVArt. 2 WAHVArt. 8 WAHVArt. 181 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak snelheidsovertreding wegens onjuiste toepassing art. 5 WAHV door hof Amsterdam

De verdachte werd beschuldigd van een snelheidsovertreding waarbij hij 49 km/h te hard reed op een weg met een maximumsnelheid van 80 km/h. Zowel de kantonrechter als het hof Amsterdam spraken hem vrij omdat het proces-verbaal van overtreding werd uitgesloten als bewijs. Het hof baseerde zich op art. 5 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV), dat bepaalt dat bij een onbekende bestuurder de sanctie aan de kentekenhouder wordt opgelegd, tenzij er een reële mogelijkheid tot staandehouding was.

De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in omdat het hof ten onrechte art. 5 WAHV Pro toepaste, terwijl de overtreding buiten het toepassingsbereik van de WAHV valt. De WAHV geldt namelijk alleen voor snelheidsovertredingen tot en met 30 km/h boven de limiet, terwijl hier sprake was van een overschrijding van 49 km/h. Volgens art. 181 WVW Pro 1994 is de kentekenhouder slechts aansprakelijk als hij de bestuurder niet kan aanwijzen, wat in strafrechtelijke procedures anders wordt behandeld dan in de WAHV.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom art. 5 WAHV Pro werd toegepast en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling volgens de juiste rechtsregels. De verdachte blijft voorlopig vrijgesproken van de tenlastegelegde snelheidsovertreding.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling, waarbij de verdachte voorlopig vrijgesproken blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03970
Zitting1 november 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 10 september 2021 vrijgesproken van een aan hem tenlastegelegde snelheidsovertreding.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld door H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het ressortsparket, vestiging Den Haag. Namens het Openbaar Ministerie is door hem één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel klaagt onder andere dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting nu het ten onrechte art. 5 WAHV Pro in onderhavige zaak van toepassing heeft geacht.

2.Samenvatting van de feiten en het procesverloop

2.1
De verdachte is zowel in eerste als tweede aanleg vrijgesproken van een snelheidsovertreding, waarbij hij de toegestane snelheid op de voor het openbaar verkeer openstaande weg met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden. Uit het arrest blijkt dat het hof art. 5 WAHV Pro heeft toegepast. Daarin is bepaald dat indien vaststaat dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder. Het hof heeft overwogen dat art. 5 WAHV Pro zo moet worden begrepen dat als zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig voordoet, de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. Zowel de kantonrechter als het hof hebben geoordeeld dat de enkele aanduiding dat door verbalisant niet staande was gehouden vanwege ‘de uitzonderlijke situatie met betrekking tot de Coronamaatregelen’ onvoldoende zwaarwegend is om af te zien van staandehouding. Het hof heeft hierop het proces-verbaal van overtreding van 20 augustus 2020 uitgesloten van het bewijs en de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het openbaar ministerie heeft tegen deze beslissing cassatieberoep ingesteld.
2.2
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 11 mei 2020 te Amsterdam als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Slochterweg, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 129 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden;”
2.3
De verdachte is bij arrest van 10 september 2021 door het hof Amsterdam vrijgesproken van het tenlastegelegde. Deze vrijspraak is door het hof als volgt gemotiveerd:

Vrijspraak
Het hof overweegt dat in artikel 5 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) is bepaald - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet zo worden begrepen dat als zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig voordoet, de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.
Het hof is, evenals de kantonrechter, met de verdachte van oordeel dat de enkele aanduiding dat door de verbalisant niet was staande gehouden vanwege ‘de uitzonderlijke situatie met betrekking tot de Corona-maatregelen’ onvoldoende zwaarwegend is om af te zien van staandehouding. Gelet hierop kan het proces-verbaal overtreding, op 20 augustus 2020 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , niet bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde.
Derhalve is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte-ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.”

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt dat het hof met de toepassing van art. 5 WAHV Pro uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu art. 181 WVW Pro 1994 op de zaak van toepassing is, althans dat het oordeel van het hof dat het proces-verbaal van overtreding d.d. 20 augustus 2020 niet kan bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde niet begrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd.
3.2
Aan de eerste klacht wordt ten grondslag gelegd dat op grond van art. 2 lid 1 WAHV Pro het toepassingsbereik van de WAHV zich beperkt tot de in de bijlage bij die wet omschreven gedragingen. Uit de dossierstukken blijkt dat ten aanzien van de verdachte in eerste instantie een strafbeschikking met dagtekening 15 juni 2020 is uitgevaardigd, met daarin als toepasselijke feitcode VG 050. De bijbehorende feitomschrijving luidt: “overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom; van 45 tot 50 km/h”. Nu de bijlage van de WAHV in de VG serie alleen de feitcodes VG 004 t/m VG 030 bevat, en de feitcode VG 050 geen onderdeel uitmaakt van de bijlage bij de WAHV, betekent dit volgens de steller van het middel dat de WAHV niet van toepassing is in de onderhavige strafzaak.
Bespreking van de eerste klacht
De relevante wetsartikelen luiden als volgt:
art. 2 WAHV Pro:
“1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet, kunnen op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.”
art. 5 WAHV Pro:
“Indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 31, tweede lid, de administratieve sanctie opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Daarbij wordt hij gewezen op het bepaalde in artikel 8”
art. 8 WAHV Pro:
“De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk Pro artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:
a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen,
b. een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel
c. een vrijwaringsbewijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Kentekenreglement, of een verklaring als bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 van het Kentekenreglement, overlegt waaruit blijkt dat hij ten tijde van de gedraging geen eigenaar of houder meer was van het betrokken motorrijtuig onderscheidenlijk de betrokken aanhangwagen.
In de onder a, b en c bedoelde gevallen is de officier van justitie bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie aan degene die de gedraging heeft verricht of aan degene die de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel aan degene aan wie het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen werd overgedragen. De artikelen 4, 6 en 7 zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beschikking uiterlijk binnen acht maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt bekendgemaakt.”
art. 181 WVW Pro 1994:
“1 Indien een bij of krachtens deze wet als overtreding strafbaar gesteld feit wordt begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder van een motorrijtuig, kunnen de op het feit gestelde straffen worden opgelegd aan de eigenaar of houder van dat motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is.
2 Het eerste lid geldt bij een strafbeschikking niet, indien de eigenaar of houder:
a. voor het uitvaardigen van de strafbeschikking de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend heeft gemaakt,
b. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
3 Het eerste lid geldt bij berechting niet, indien de eigenaar of houder:
a. binnen twee weken na daartoe door een der in artikel 159 bedoelde Pro personen in de gelegenheid te zijn gesteld dan wel bij het instellen van verzet tegen een strafbeschikking, de naam en het volledige adres van de bestuurder heeft bekend gemaakt;
b. uiterlijk op de dag vóór die der terechtzitting, schriftelijk en onder vermelding van de zaak en de dag der terechtzitting, de naam en het volledige adres van de bestuurder aan het openbaar ministerie bekend maakt;
c. tijdens de terechtzitting, dadelijk na de ondervraging, bedoeld in artikel 273, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt;
d. niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder was en hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 september 2021 houdt ten aanzien van het van toepassing zijn van de WAHV het volgende in:
“De raadsheer deelt mede dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2021, nu hij zich niet kan verenigen met de beslissing tot vrijspraak van de verdachte, omdat de kantonrechter van oordeel was dat de enkele aanduiding dat door de verbalisant niet was staande gehouden ‘vanwege Corona’ onvoldoende zwaarwegend was om af te zien van staandehouding, met verwijzing naar een eerdere uitspraak van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2020:6044). Volgens het openbaar ministerie is de door de kantonrechter aangehaalde uitspraak enkel van toepassing op zogenaamde ‘Mulderfeiten’ en niet zonder meer van toepassing op de onderhavige zaak.”
3.4
Het hof lijkt over de stellingname van het openbaar ministerie heen te zijn gestapt door art. 5 WAHV Pro desalniettemin van toepassing te achten.
3.5
Voor de beoordeling van deze klacht is het volgende van belang. Art. 5 WAHV Pro en art. 181 WVW Pro 1994 hebben beide betrekking op overtredingen van een onbekend gebleven bestuurder. Wanneer niet (aanstonds) kan worden vastgesteld wie de bestuurder is, is de kentekenhouder aansprakelijk voor de gedragingen die met het motorrijtuig zijn verricht. Het verschil tussen beide artikelen is daarin gelegen dat op grond van art. 181 lid 2 en Pro 3 WVW 1994 de kentekenhouder zijn aansprakelijkheid kan afwenden door de daadwerkelijke bestuurder op te geven. Deze mogelijkheid biedt de WAHV niet. De strekking van art. 8 WAHV Pro is veel beperkter. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede in art. 5 WAHV Pro “en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is” zo wordt uitgelegd dat bij een overtreding op basis van een kentekenconstatering – en de WAHV van toepassing is – uit het dossier moet volgen waarom zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. [1] Blijkt hiervan niet, dan kan de kentekenhouder niet aansprakelijk worden gehouden en wordt de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd vernietigd. [2] Omdat op grond van art 181 WVW Pro 1994 de kentekenhouder (wel) de mogelijkheid heeft de daadwerkelijke bestuurder op te geven, is de verdachte bij het nalaten van de staandehouding niet in zijn verdediging geschaad. [3]
3.6
Terug naar de onderhavige zaak. Uit de bijlage van de WAHV blijkt dat de WAHV voor wat betreft overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom, waar de tenlastelegging in de onderhavige zaak op is toegesneden, in zicht komt voor zover het snelheidsovertredingen betreft tot en met 30 km/h. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij als bestuurder van een personenauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg in strijd met een bord A1 van het RVV 1990 de toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden. Op het bord stond een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur aangegeven. Uit het proces-verbaal van 20 augustus 2020, opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , blijkt dat de verdachte met een snelheid van ongeveer 129 kilometer per uur heeft gereden; dus 49 kilometer per uur te hard. Nu het toepassingsbereik van de WAHV zich blijkens art. 2 WAHV Pro niet uitstrekt over een zodanige snelheidsovertreding, is niet begrijpelijk waarom het hof toepassing heeft gegeven aan art. 5 WAHV Pro. [4]
3.7
Het middel is terecht voorgesteld. De tweede deelklacht over de bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van overtreding van 20 augustus 2020 behoeft daarom geen verdere bespreking.

4.Conclusie

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie I.N.D.J. Rissema, ‘De reële mogelijkheid tot staandehouding: voor elk wat wils?’, ViR 2021/134, afl. 11, p. 322-329
2.Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11562.
3.Van der Hulst/Damen, in: T&C Strafrecht, art. 181 WVW Pro 1994, aant. 9 (bijgewerkt tot 01-07-2022) en Van der Hulst/Diesfeldt in T&C Strafrecht, art. 5 WAHV Pro, aant. 1 en 3.
4.Nog afgezien van de omstandigheid dat uit de stukken blijkt dat het strafrechtelijke traject is gevolgd en niet de weg van de administratieve afdoening. De kantonrechter heeft de verdachte vrijgesproken. Bij een administratieve afdoening zou een geslaagd beroep op grond van art. 13 WAHV Pro hebben geleid tot vernietiging van de bestreden beslissing. Daartegen staat op grond van art. 14 WAHV Pro hoger beroep open bij het hof Arnhem-Leeuwarden en niet bij het hof Amsterdam.