Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring en bewijsvoering
ten aanzien van feit 1-
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juli 2020. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[betrokkene 5], voorzitter van de Stichting [A] gericht aan het parket van de officier van justitie van 24 februari 2014 (politiedossier map 5, p. 50000 t/m 50003). Deze brief houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:
[betrokkene 9]:
[betrokkene 9]:
[betrokkene 9] :
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
[betrokkene 1]:
[betrokkene 3]:
[betrokkene 4]:
[betrokkene 12]:
[betrokkene 14]:
[betrokkene 7]:
[betrokkene 6]:
[betrokkene 15]:
[betrokkene 16]:
[betrokkene 8]:
[betrokkene 8]:
[betrokkene 18]:
[betrokkene 19]:
Feiten en omstandigheden
Gewekt vertrouwen en causaal verband met de betaling
Het eerste middel en de bespreking daarvan
NJ2017/157, m.nt. Keijzer heeft de Hoge Raad het volgende overwogen. Als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Zo gaat het bij het gebruik van een
samenweefsel van verdichtselsin de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' kan niet alleen sprake zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. Bij
listige kunstgrepengaat het in
vergelijkbarezin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld. [3] Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een door de verdachte gebruikt oplichtingsmiddel is bewogen tot een in art. 2:305, eerste lid, SrC genoemde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 2:305, eerste lid, SrC is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Slotsom