AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging beschikking over vordering camerabeelden en toepassing nemo tenetur-verschoningsrecht rechtspersoon
De zaak betreft een klacht van een rechtspersoon, exploitant van een supermarkt, tegen een vordering van de politie tot verstrekking van camerabeelden van een vechtpartij in de supermarkt. De rechtbank Amsterdam verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat de vordering niet aan een verdachte was gericht, aangezien de rechtspersoon niet als verdachte was aangemerkt en de gedragingen van betrokken medewerkers niet aan haar konden worden toegerekend.
De Hoge Raad oordeelt dat hoewel de rechtbank de motivering omtrent toerekening van gedragingen aan de rechtspersoon onjuist heeft toegepast, het primaire oordeel dat de vordering niet aan een verdachte was gericht juist is. Echter, de Hoge Raad vernietigt de beschikking omdat de rechtbank miskende dat de rechtspersoon via haar vertegenwoordiger een beroep kan doen op het nemo tenetur-verschoningsrecht, dat bescherming biedt tegen zelfincriminatie.
De vertegenwoordiger, die tevens bestuurder en aandeelhouder is en als natuurlijk persoon verdachte is, kan namens de rechtspersoon dit verschoningsrecht inroepen. Dit betekent dat de rechtspersoon niet verplicht is de camerabeelden te verstrekken indien dit haar blootstelt aan strafrechtelijke vervolging. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor hernieuwde beoordeling van het klaagschrift binnen dit kader.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van het verschoningsrecht van de rechtspersoon via haar vertegenwoordiger.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02487 B
Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster
1.Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 17 mei 2022 het op grond van art. 552a Sv door de klaagster ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv, strekkende tot vernietiging van de door de politie op grond van art. 126nda Sv gevorderde camerabeelden, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en C.T. van Weerd, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de ongegrondverklaring van het beklag. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan art. 126nda Sv en hoe deze uitleg – in het geval van een rechtspersoon (klaagster) – zich verhoudt tot het ‘nemo tenetur-verschoningsrecht’ als bedoeld in art. 219 SvPro.
2.De procedure
2.1
De klaagster exploiteert een Albert Heijn supermarkt aan de [a-straat 1] in [vestigingsplaats] . [betrokkene 1] is (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van de klaagster. [1] Zijn broer [betrokkene 2] is werkzaam als teamleider in de supermarkt van de klaagster. Op 10 januari 2022 heeft [betrokkene 1] een klant in de supermarkt aangesproken op het niet dragen van een mondkapje. Deze situatie is uitgemond in een vechtpartij waarbij ook [betrokkene 2] is betrokken, waarna zowel de klant als [betrokkene 2] over en weer aangifte van mishandeling hebben gedaan. [betrokkene 1] heeft de politie ter plaatse de camerabeelden van het incident laten zien. [2] De politie heeft zowel de klant als [betrokkene 2] en [betrokkene 1] als verdachte van mishandeling aangemerkt. De klaagster is niet als verdachte aangemerkt.
2.2
Op 10 januari 2022 [3] is op grond van artikel 126nda Sv een schriftelijke vordering tot het verstrekken van camerabeelden van de beveiligingscamera’s gedaan. De vordering is gericht aan de klaagster en vermeldt verder dat “(d)it document dient ter bevestiging van de mondeling gedane vordering d.d. 10 januari 2022”.
2.3
Op 12 januari 2022 zijn namens de klaagster de camerabeelden van het incident aan de politie verstrekt. Daarbij is aangekondigd dat de klaagster een klaagschrift zal indienen tegen voornoemde vordering en is tevens verzocht geen gebruik van de beelden te maken totdat op het klaagschrift is beslist. Het openbaar ministerie heeft opdracht gegeven aan de politie om met het bekijken van de beelden overeenkomstig dit verzoek te wachten.
2.4
Namens de klaagster is op 14 januari 2022 een op art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot vernietiging van de door de politie op grond van art. 126nda Sv gevorderde camerabeelden.
2.5
Het klaagschrift is op 3 mei 2022 in openbare raadkamer behandeld.
3.Standpunten van partijen
3.1
De rechtbank heeft in haar beschikking hetgeen door de klaagster en het openbaar ministerie is aangevoerd als volgt samengevat:
“ Inhoud van het klaagschrift
Het klaagschrift strekt zich tegen de vordering van gegevens.
De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift pleitaantekeningen overgelegd. Kort samengevat heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Op grond van artikel 126nda, lid 2 Sv kan een vordering tot het verstrekken van camerabeelden ex artikel 126nda, lid 1 Sv niet aan de verdachte worden gericht. Gelet op het bepaalde in artikel 51 SrPro kan klaagster als verdachte worden aangemerkt. Gezien de functies van [betrokkene 1] (bestuurder en aandeelhouder van klaagster) en [betrokkene 2] (teamleider/leidinggevende van klaagster) kan hun vermeende handelen ook aan klaagster worden toegerekend. De camerabeelden hadden dan ook niet van klaagster mogen worden gevorderd en klaagster was ook niet verplicht om de beelden aan de politie te verstrekken. Het klaagschrift dient daarom gegrond te worden verklaard en klaagster verzoekt de rechtbank om opdracht te geven de gegevens te vernietigen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen de gegrondverklaring van het beklag. De vordering richt zich tot [klaagster] B.V., zijnde klaagster. Hoewel de officier van justitie de verwevenheid tussen [betrokkene 1] , als franchisenemer en klaagster wel begrijpt, is klaagster niet als verdachte aangemerkt. De vordering richt zich tot klaagster, die over de camerabeelden gaat. Van de uitzondering zoals als bedoeld in artikel 126nda lid 2 Sv is dan ook geen sprake.”
3.2
In aanvulling hierop maak ik nog melding van de volgende stukken:
Het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie op het initiële klaagschrift waar de rechtbank in haar beschikking aan heeft gerefereerd houdt onder andere het volgende in:
“De vordering tot verstrekking beelden van beveiligingscamera's is gericht aan klaagster (Albert Heijn/ [klaagster] B.V.). Op grond van artikel 126nda Wetboek van strafvordering richt de vordering zich tot een ieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot camerabeelden die zijn gemaakt met camera’s voor de beveiliging van goederen, gebouwen of personen.
In onderhavige zaak zijn er drie natuurlijke personen als zowel aangever als verdachte aangemerkt; te weten [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Klaagster is niet als verdachte aangemerkt. Dat [betrokkene 1 en 2] als filiaalmanager leidinggevende werkzaam zijn bij klaagster en daarmee klaagster als verdachte kanworden aangemerkt doet daaraan niet af. Derhalve is de uitzonderingsgrond zoals bedoeld in lid 2 van
voornoemd artikel niet aan de orde en dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.”
De inhoud van de namens de klaagster in raadkamer overgelegde pleitnota bevat de navolgende passages:
“ 7. Dat het OM en de politie cliënte intern niet hebben aangemerkt als verdachte, maakt niet dat zij geen verdachte is. Daarvoor geldt de maatstaf uit art. 27 SvPro. Anders zou het OM naar gelang het uitkomt kunnen kiezen of iemand een verdachte is en of de wettelijke verdedigingsrechten op deze persoon van toepassing zijn. Gelukkig is dat niet het geval.
8. Zoals al uiteen is gezet in het klaagschrift kan het vermeend strafbare handelen van [betrokkene 1 en 2] aan cliënte worden toegerekend. Ten aanzien van cliënte is dan ook sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Overigens lijkt het OM de rol van [met] name [betrokkene 1] bij cliënte wat te onderschatten. [betrokkene 1] is namelijk geen filiaalmanager maar (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van cliënte. Cliënte is ook geen filiaal van Albert Heijn maar een franchise en daarmee een zelfstandige onderneming. De rol van [betrokkene 1] bij de besluitvorming van cliënte is dus veel groter dan de term "filiaalmanager" suggereert. Het volledige beleid van cliënte, tot aan de kleinste beslissingen, wordt door [betrokkene 1] bepaald.
9. Ondanks dat het OM cliënte niet als zodanig heeft aangemerkt is zij dus wel verdachte. Hierdoor is het bepaalde in art. 126nda, lid 2 Sv ook op haar van toepassing. De vordering had dan ook niet aan haar mogen worden verstrekt.
10. Het OM gaat er bovendien aan voorbij dat art. 96a, lid 3 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard in art. 126nda, lid 2, tweede zin Sv. De ontvanger van een bevel ex art. 126nda Sv is daardoor niet verplicht aan een vordering te voldoen voor zover dit hem aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen (art. 126nda, lid 2 jo. art. 96a, lid 3 sub jo. art. 219 SvPro). Ook als u meent dat cliënte (nog) geen verdachte is, kunnen de camerabeelden haar wel aan het gevaar van strafrechtelijke vervolging blootstellen. Ook het OM erkent immers dat cliënte als verdachte kan worden aangemerkt. Cliënte was dan ook niet verplicht de camerabeelden te
verstrekken (en heeft dit ook enkel onder protest gedaan).”
En ten slotte de volgende passage uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting:
“ De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:
Degene aan wie vordering is gericht, is Albert Heijn, en die kan als verdachte worden aangemerkt. Het gaat in deze zaak om een mishandeling. Een rechtspersoon kan ook verdachte zijn van een mishandeling. Ik begrijp de verwevenheid wel, [betrokkene 1] is franchisenemer, maar het is niet zo dat Albert Heijn in deze zaak niet als verdachte kan worden aangemerkt. Daar ziet de uitzondering niet op. Albert Heijn gaat over camerabeelden.”
4.De beschikking
4.1
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank heeft bij beschikking van 17 mei 2022 het klaagschrift ongegrond verklaard en daartoe overwogen:
“Indien een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is gericht tegen een vordering tot kennisneming van gegevens op vordering verstrekt, geldt – evenals in andere beklagzaken – dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt en dat het onderzoek zich niet kan uitstrekken tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van de gevorderde gegevens (vgl. HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004, NJ 2013/505). Indien bij klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv bezwaar wordt gemaakt tegen de kennisneming van gegevens met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de vordering niet voldoet aan de daaraan in de art. 126nda Sv gestelde vereisten, zal de rechter moeten onderzoeken of hij de feitelijke grondslag van dat beroep voldoende aannemelijk acht en zo ja, of die onregelmatigheid tot gegrondverklaring van het klaagschrift dient te leiden.
De rechtbank dient hier de vraag te beantwoorden of de vordering verstrekking gegevens op juiste gronden is gedaan. Een dergelijke vordering mag niet worden gedaan aan een verdachte. De officier van justitie heeft klaagster niet als verdachte aangemerkt.
Gesteld wordt dat klaagster, een rechtspersoon, wel verdachte is nu de gedragingen van [betrokkene 1 en 2] aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend.
Op grond van artikel 51 WetboekPro van Strafrecht kunnen strafbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. In de jurisprudentie wordt geoordeeld dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.
Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
De rechtbank heeft bij de beoordeling of de gedraging kan worden toegerekend aan klaagster acht geslagen op het volgende.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn in dienstbetrekking dan wel anderszins werkzaam bij klaagster.
De verdenking waar het hier om gaat, ziet op mishandeling van een klant. Als kan worden bewezen in de strafzaak dat er een mishandeling heeft plaatsgevonden, dan acht de rechtbank dat gedrag niet passend in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van klaagster, een supermarkt. Er kan ook niet worden gezegd dat een dergelijke gedraging dienstig is geweest aan klaagster. Ten aanzien van d) gaat de rechtbank ervan uit dat dergelijk gedrag niet gebruikelijk is bij klaagster.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet in redelijkheid aan de klaagster kunnen worden toegerekend.
Het door klaagster in de pleitaantekeningen aangehaalde punt ten aanzien van artikel 96a lid 3 sub c Sv in verbinding met artikel 219 SvPro kan de rechtbank niet plaatsen nu het hier niet gaat over personen zoals genoemd in artikel 219 SvPro maar over een rechtspersoon.
Nu klaagster niet door het Openbaar Ministerie als verdachte is aangemerkt en in het kader van deze beklagprocedure summier getoetst de vermeende gedragingen niet aan klaagster kunnen worden toegerekend, is de vordering tot het verstrekken van camerabeelden niet aan een verdachte gedaan.
Het beklag tegen het kennisnemen van de op vordering verkregen camerabeelden zal daarom ongegrond worden verklaard.”
5.Het juridisch kader
5.1
Het gaat hier om de vordering van beelden van bewakingscamera’s. Sinds 1 mei 2018 kunnen deze beelden op eenvoudige wijze (in beginsel zonder tussenkomst van de officier van justitie en/of rechter-commissaris) [4] worden gevorderd: artikel 126nda lid 1 Sv geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid om van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot dergelijke beelden, te vorderen dat hij deze gegevens verstrekt. [5]
5.2
Bij de beoordeling van de middelen zijn de volgende artikelen van belang:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot beelden gemaakt met camera’s voor de beveiliging van goederen, gebouwen of personen, vorderen deze gegevens te verstrekken.
2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. (…)”
“Op grond van hun bevoegdheid tot verschoning zijn niet verplicht aan het bevel te voldoen:
a. (…);
b. (…);
c. de personen bedoeld bij artikel 219, voorzover de uitlevering hen of een hunner daarin genoemde betrekkingen aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen.”
“De getuige kan zich verschoonen van het beantwoorden eener hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een zijner bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in den tweeden of derden graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het gevaar eener strafrechtelijke veroordeeling zou blootstellen.”
6.Het eerste middel
6.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat de camerabeelden van de vechtpartij in de supermarkt mochten worden gevorderd op grond van art. 126nda Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk althans onvoldoende is gemotiveerd.
6.2
Het gaat in onderhavige zaak om een vermeende mishandeling (zijnde een feit als omschreven in art. 67 lid 1 aanhefPro onder b Sr) die heeft plaatsgevonden in de supermarkt die door de klaagster wordt geëxploiteerd. Direct na dit incident heeft de filiaalmanager [betrokkene 1] aan de politie (op vrijwillige basis) de beelden van dit incident getoond. Nog diezelfde dag heeft de politie op grond van art. 126nda Sv de klaagster (mondeling) gevorderd deze beelden uit leveren, gevolgd door een schriftelijke vordering eveneens gedateerd op 10 januari 2022. Nu de klaagster door het openbaar ministerie niet als verdachte is aangemerkt was er gelet op het hiervoor geschetste juridisch kader in beginsel geen beletsel om deze gegevens te vorderen. In zoverre is het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en hier wordt ook niet over geklaagd.
6.3
Wel wordt geklaagd over de verwerping van het verweer dat de klaagster desalniettemin als verdachte moet worden beschouwd omdat het handelen van de broers [betrokkene 1 en 2] op grond van art. 51 SrPro aan de klaagster kan worden toegerekend. Hoewel de klaagster formeel niet als verdachte is aangemerkt had de onderhavige vordering om die reden niet aan haar mogen worden geadresseerd, aldus de klaagster.
6.4
De rechtbank is in haar beschikking op dit verweer ingegaan en heeft aan de hand van in de jurisprudentie [9] ontwikkelde criteria geoordeeld dat “de gedragingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet in redelijkheid aan de klaagster kunnen worden toegerekend” omdat “(a)ls [in de strafzaak] kan worden bewezen (…) dat er een mishandeling heeft plaatsgevonden, (…) de rechtbank dat gedrag niet passend [acht] in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van klaagster, een supermarkt.” Daar komt bij dat volgens de rechtbank niet gezegd kan worden dat een dergelijke gedraging dienstig is geweest aan klaagster. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat zij er van uit gaat dat dergelijk gedrag niet gebruikelijk is bij klaagster.
6.5
Mijns inziens heeft de rechtbank hiermee de zaken nodeloos ingewikkeld gemaakt. De rechtbank had kunnen volstaan met de vaststelling dat – los van de vraag of de gedragingen van de broers [betrokkene 1 en 2] in redelijkheid aan de klaagster kunnen worden toegerekend op grond waarvan klaagster als verdachte zou kunnenworden aangemerkt – klaagster door het openbaar ministerie (nog) niet als verdachte is aangemerkt en dat er om die reden geen beletsel was om een vordering ex art. 126nda Sv aan de klaagster te doen. Maatgevend voor de vraag of klaagster had moeten worden aangemerkt als verdachte is immers, of er jegens klaagster een handeling vanwege de staat is verricht waaraan klaagster in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat tegen haar ter zake van overtreding van een wetsbepaling een strafvervolging zal worden ingesteld. [10] Dat is, zoals door het openbaar ministerie tijdens de behandeling van het klaagschrift is verklaard, en in feite ook door de verdediging is erkend, niet het geval.
6.6
Of de gedragingen van de broers [betrokkene 1 en 2] aan klaagster kunnen worden toegerekend is daarom voor de beantwoording van de vraag of klaagster in casu is aangemerkt als verdachte niet relevant. Datzelfde geldt voor het standpunt dat aan het middel ten grondslag ligt, inhoudende dat klaagster als verdachte moet worden beschouwd alleen al vanwege de omstandigheid dat het handelen van de broers [betrokkene 1 en 2] op grond van art. 51 SrPro aan de klaagster kan worden toegerekend. Die stelling vindt geen grondslag in het recht.
6.7
De vraag is nu waartoe dit moet leiden. Er valt zeker wat aan te merken op de motivering van de beschikking. De rechtbank heeft voor de beoordeling van het verweer, dat de vordering niet jegens klaagster had mogen worden gedaan, een onjuiste maatstaf aangelegd. Maar dit doet niet af aan het primaire oordeel van de rechtbank dat de vordering ex art. 126nda niet aan een verdachte is gedaan. Dit laatste oordeel is mijns inziens, hoewel gebrekkig gemotiveerd, juist en het middel dat tegen deze (onjuiste) motivering is gericht, is vergeefs voorgesteld.
6.8
Het eerste middel faalt.
6.9
Het voorgaande laat overigens onverlet dat klaagster, als ontvanger van een bevel ex art. 126nda Sv niet verplicht is aan een dergelijke vordering te voldoen voor zover dit haar aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zou blootstellen (art. 126nda, lid 2 jo. art. 96a, lid 3 sub c jo. art. 219 SvPro). De vervolging van de klaagster is niet ondenkbeeldig. Een rechtspersoon kan pleger zijn van ‘fysieke’ delicten waarvan in het verleden werd aangenomen dat een rechtspersoon hier niet voor kon worden vervolgd. [11] Daar komt in onderhavige zaak bij dat het openbaar ministerie (zowel in zijn schriftelijk standpunt als in raadkamer) heeft benadrukt dat de klaagster wel degelijk als verdachte kanworden aangemerkt. Hier gaat het tweede middel over.
7.Het tweede middel
7.1
Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat art. 219 SvPro (via de band van art. 126nda lid 2 jo art. 96a lid 3 aanhef en onder c Sv) niet op rechtspersonen van toepassing is. Dit oordeel getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is dit onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
7.2
In dit middel draait het om de vraag of de klaagster gebruik kan maken van haar bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 219 SvPro (het ‘nemo tenetur-verschoningsrecht’) omdat de uitlevering (of in dit geval kennisneming) van de beelden zou betekenen dat zij zich bloot stelt aan strafrechtelijke vervolging.
7.3
De rechtbank is hier kort over: art. 219 SvPro is niet van toepassing op rechtspersonen. Voor zover de rechtbank daarmee heeft bedoeld te zeggen dat een rechtspersoon geen zelfstandigverschoningsrecht toe komt op grond van art. 219 SvPro is dat niet onbegrijpelijk. Dit laat onverlet dat de rechtspersoon wél een beroep kan doen op een (van een verschoningsgerechtigde) afgeleid verschoningsrecht. Dat speelt als een vertegenwoordiger van de rechtspersoon als verdachte wordt gehoord en een beroep doet op een verschoningsrecht op grond van zijn hoedanigheid als zelfstandig verschoningsgerechtigde en niet als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon. [12]
7.4
In onderhavige zaak is de klaagster niet als verdachte aangemerkt. Hoewel de vertegenwoordigingsregeling van art. 528 SvPro enkel geldt vanaf het moment van de vervolging, ligt het voor de hand om in de opsporingsfase aansluiting te zoeken bij deze regeling. Een rechtspersoon moet immers kunnen handelen wanneer hij wordt geconfronteerd met een bevel ex art. 126nda Sv. [13] Dat betekent in dit geval dat de enige bestuurder en aandeelhouder [betrokkene 1] (die als natuurlijk persoon is aangemerkt als verdachte) bevoegd is om op te treden namens de rechtspersoon. Hij heeft dat in dit geval gedaan en de beelden aan het openbaar ministerie verstrekt met het verzoek geen gebruik van de beelden te maken totdat op het klaagschrift (dat is gericht op vernietiging van deze beelden) is beslist. Kennelijk is de klaagster, handelend via haar vertegenwoordiger [betrokkene 1] , bevreesd voor een eventuele vervolging. Die vrees is niet ongegrond: gelet op de uitlatingen van het openbaar ministerie tijdens de behandeling van het klaagschrift is aannemelijk dat de klaagster zich met de uitlevering van de beelden bloot kan stellen aan een strafrechtelijk veroordeling. [14] Onder die omstandigheden kan [betrokkene 1] (als vertegenwoordiger van de rechtspersoon) een beroep doen op art. 219 SvPro in verband met zijn feitelijke betrokkenheid bij en/of wetenschap van de vermeende strafbare feiten van de rechtspersoon. [15] Nu de rechtbank dit heeft miskend, is de ongegrondverklaring van het beklag niet zonder meer begrijpelijk.
7.5
Het tweede middel slaagt.
7.6
Terzijde merk ik op dat zich hier de bijzondere situatie voordoet dat in feite sprake is van een vereenzelviging van de natuurlijke persoon (de bestuurder van de klaagster) en de rechtspersoon. Dat betekent dat in het geval de bestuurder geen beroep zou toekomen op het verschoningsrecht ex art. 219 SvPro (bijv. omdat het openbaar ministerie aangeeft dat de klaagster niet als verdachte wordt aangemerkt), [betrokkene 1] als bestuurder zijn medewerking moet verlenen aan het verstrekken van de camerabeelden die kunnen bijdragen aan een strafrechtelijke veroordeling van hemzelf als natuurlijk persoon. In een dergelijk geval is de bescherming tegen zelfincriminatie in feite een wassen neus. [16]
8.Conclusie
8.1
Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
8.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
8.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Dat [betrokkene 1] zowel bestuurder als aandeelhouder van de klaagster is volgt uit de vaststelling van de rechtbank en heeft kennelijk in raadkamer niet ter discussie gestaan. In het initiële klaagschrift wordt gesproken over (middellijk) bestuurder en aandeelhouder, hetgeen is onderbouwd met bijlagen. Deze bijlagen bevinden zich niet bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Aan de cassatieakte is een uittreksel uit de Kamer van Koophandel gehecht waaruit volgt dat de Besloten Vennootschap [klaagster] BV gevestigd te [b-straat] , bezoekadres [a-straat 1] , [postcode] [vestigingsplaats] één bestuurder kent, te weten [A] BV die zelfstandig bevoegd is. Kennelijk is [betrokkene 1] aandeelhouder van die BV en daarmee (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van de klaagster.
2.Dit volgt uit het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie (ongedateerd) met betrekking tot het initiële klaagschrift.
3.De schriftelijke vordering ex art. 126nda Sv vermeldt als datum 10 januari 2022. In de bestreden beschikking van de rechtbank staat vermeld dat deze schriftelijke vordering is gedaan op 11 januari 2022.
4.Wanneer het gaat om personen die aanspraak kunnen maken op bronbescherming (zoals bijv. journalisten) kan deze vordering slechts worden gedaan na schriftelijke machtiging, op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris. Art. 218a lid 2 Sv is in die gevallen van overeenkomstige toepassing (art. 126nda lid 2 Sv).
5.De vordering hiertoe mag mondeling worden gegeven, maar moet wel binnen drie dagen op schrift worden gesteld en worden verstrekt aan degene tegen wie de vordering is gedaan (art. 126nda lid 3). Tevens maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op van de vordering en de verstrekking van de gegevens (art. 126nda lid 4). Met de invoering van art. 126nda Sv werd beoogd de mogelijke opsporing van de dader te versnellen en de administratieve lasten voor de politie verminderen (Kamerstukken II 2013/14, 33 747, nr. 3, p. 11; Kamerstukken II 2017/18, 34 720, nr. 6, p. 4-7).
6.In het nieuwe wetboek van strafvordering opgenomen in art. 2.7.46 Sv).
7.In het nieuwe wetboek van strafvordering opgenomen in art. 2.7.58 lid 1 (onder b) Sv.
8.In het nieuwe wetboek van strafvordering opgenomen in art. 1.6.6 Sv.
9.Het hof hanteert het beoordelingskader van de Hoge Raad met betrekking tot de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.4.
11.A.N. Kesteloo, De rechtspersoon in het strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 27-28.
12.HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070, NJ 2005/273 m.nt. G. Knigge, rov. 4.4. Zie ook A.N. Kesteloo, De rechtspersoon in het strafrecht, Kluwer, Deventer 2013, p. 121-122 over het beroep van een rechtspersoon op grond van art. 218 SvPro (professioneel verschoningsrecht) en D. Doorenbos, ‘Verdedigingsrechten van rechtspersonen in het strafproces’, in: S. Lierman e.a., Preadviezen 2015 van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom Juridisch 2015, p. 209-211; M. Scharenborg, Zwijgrecht en verschoning, Mijnmanagementboek.nl 2023, p. 185, 275-276.
13.Vgl.: A.L.J. van Strien, De rechtspersoon in het strafproces. Een onderzoek naar de procesrechtelijke aspecten van de strafbaarheid van rechtspersonen, Den Haag: Sdu Uitgevers 1996, p. 131-132; D. Doorenbos, ‘Verdedigingsrechten van rechtspersonen in het strafproces’, in: S. Lierman e.a., Preadviezen 2015 van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom Juridisch 2015, p. 217-219.
14.HR 11 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2277, rov. 3.3.2 “Het Hof heeft, zonder miskenning van art. 219 SvPro, tot uitgangspunt genomen dat een getuige slechts dan op de voet van die bepaling een beroep kan doen op het verschoningsrecht indien - mede in het licht van hetgeen door de getuige ter toelichting daarop is aangevoerd - aannemelijk is dat de getuige door de beantwoording van de gestelde vraag ofwel zichzelf ofwel een van de in art. 219 SvPro bedoelde andere personen blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling.”
15.Zie over verschoningsrecht bestuurders: D. Doorenbos, ‘Verdedigingsrechten van rechtspersonen in het strafproces’, in: S. Lierman e.a., Preadviezen 2015 van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom Juridisch 2015, p. 209-211. Doorenbos merkt in dit verband nog op dat niet elke bestuurder dit verschoningsrecht zal kunnen inroepen. De bestuurder die niet betrokken is geweest bij de mogelijk strafbare gedragingen en daar ook geen berispelijke wetenschap van had, heeft persoonlijk niets te vrezen en kan zich dus niet verschonen. Het ‘nemo tenetur-verschoningsrecht’ beperkt zich tot de getuige zelf en zijn bloed- en aanverwanten. Dat zou kunnen betekenen dat dat de bestuurder per saldo wordt gedwongen om zijn medewerking te verlenen de rechtspersoon te belasten (p. 111).
16.Zie ook kritisch hierover in de omgekeerde situatie dat een vordering ex art. 126nda Sv is gericht tegen een werknemer van een (als verdachte aangemerkte) rechtspersoon: D. Doorenbos, ‘Verdedigingsrechten van rechtspersonen in het strafproces’, in: S. Lierman e.a., Preadviezen 2015 van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom Juridisch 2015, p. 225-227.