ECLI:NL:PHR:2023:1043

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
16 november 2023
Zaaknummer
22/04889
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 304 SrArt. 37a SrArt. 27 SrArt. 1:247 BWArt. 1:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt mishandeling van kind dat verdachte verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin

In deze zaak gaat het om de mishandeling van een kind door de verdachte, waarbij het kind wordt verzorgd en opgevoed door de verdachte als behorend tot zijn gezin. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf en ter beschikkingstelling, met een verpleging van overheidswege. De verdachte werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar veroordeeld voor subsidiaire feiten.

De bewezenverklaring steunt op diverse bewijsmiddelen, waaronder videobeelden waarop te zien is dat de verdachte het kind met zijn voet het water in duwt, getuigenverklaringen die bevestigen dat het kind niet zelfstandig uit het water kon komen, en verklaringen van de verdachte zelf. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het kind verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin, ook al is hij niet de biologische vader.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het middel van cassatie faalt. De Hoge Raad bevestigt dat de strafverzwarende omstandigheid van artikel 304 lid 1 Sr Pro (oud) van toepassing is op personen die een kind verzorgen of opvoeden als behorend tot hun gezin, ook zonder familierechtelijke betrekking. De verdachte vervult een vaderrol en draagt zorg voor het kind, wat voldoende is voor toepassing van deze strafverzwarende bepaling.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bevestigd waarbij verdachte is veroordeeld voor mishandeling van een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/04889

Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
D. J. C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte

De procedure

1. De verdachte is bij arrest van 22 december 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en voor subsidiair: "
mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin", veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, onder aftrek op grond van artikel 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest opgenomen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Inleiding

3. Het gaat in deze zaak om de mishandeling van een kind dat volgens de bewezenverklaring door de verdachte wordt verzorgd of dat hij opvoedt als behorend tot zijn gezin. Die strafverzwarende omstandigheid van artikel 304 sub Pro 1 (oud) Sr [1] heeft tot gevolg dat het strafmaximum van dit feit wordt verhoogd van drie jaren (met een derde daarvan) tot vier jaren. Daarmee kon voor dit feit overeenkomstig artikel 37a Sr tbs worden opgelegd, wat ook is gebeurd.

Het middel

4. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring, meer in het bijzonder over het bewezen verklaarde “
verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin”.

De bewezenverklaring en de bewijsmotivering

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard:

hij op 28 september 2020 te [plaats] een kind, te weten [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 2012), dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, heeft mishandeld door dat kind, aan de rand van een vlonder, boven een water neer te zetten en vervolgens dat kind met zijn, verdachtes voet een duw in de rug te geven waardoor dat kind, volledig gekleed, in open water terecht is gekomen en vervolgens niet in staat was daar uit eigen kracht uit te komen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van dat kind teweeg heeft gebracht.
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, volledigheidshalve hier volledig weergegeven:

“1. Eigen waarneming hof ter terechtzitting d.d. 8 december 2022:

Het hof heeft de beelden bekeken. Het hof heeft waargenomen dat het water niet transparant, maar donker is.
2. De door verdachte ter terechtzitting d.d. 8 december 2022 afgelegde verklaring, voor
zover inhoudend:
Ik heb [benadeelde] met mijn voet het water ingeduwd.
(...)
Als [benadeelde] de vlonder had losgelaten en naar beneden was gezakt, dan had ik hem inderdaad niet in het donkere water kunnen vinden.
(...)
Ik kwam nog bijna dagelijks bij [betrokkene 1] over de vloer zodat ik haar kon ontlasten en bij [betrokkene 2] (het hof begrijpt: verdachte zijn biologische zoon) kon zijn. [benadeelde] was dan ook thuis.
(...)
Ik werkte fulltime zodat ik het gezin kon onderhouden. We ontbeten 's ochtends samen en ik verrichtte verschillende taken bij [betrokkene 1] thuis, zoals: schoonmaken, koken, de kinderen naar school brengen en de kinderen naar bed brengen.
Ik bleef af en toe in het huis van [betrokkene 1] slapen. In de nacht van 27 op 28 september 2020 heb ik daar ook geslapen. Onze hengels lagen in de schuur bij [betrokkene 1] , we hebben die in de ochtend meegenomen om te gaan vissen.
(...)
[betrokkene 1] en ik hadden video-hometraining als hulpmiddel voor het gedrag[van]
[benadeelde] . In verband met deze video-hometraining heb ik het incident gefilmd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 60 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLO 100-2020268491 d.d. 13 oktober 2020, inhoudend als verklaring van [betrokkene 10] , zakelijk weergegeven:
Ik was op 28 september 2020 in [plaats] (het hof begrijpt: [plaats] ). Er lag een kind in het water. Ik zag een man op de vlonder staan. Ik vroeg aan de man waarom hij het kind er niet uithaalde. Ik ben samen met een andere man naar het jongetje toegelopen die in het water lag. Ik vroeg aan de man waarom haal je het er niet uit. Ik hoorde dat de man zei: "hij kan gewoon zwemmen hij kan gewoon zwemmen ". Ik zag en hoorde dat de man opgefokt was. Ik zag wel dat de man erg opgefokt was. Ik durfde het wel aan om met twee man sterk dat jongetje eruit te halen. Ik wilde niet wachten en ik ben samen met de man naar het jongetje toe gelopen dat in het water lag. Ik zag dat het jongetje de vlonder vast hield. Ik zag dat het jongetje helemaal nat was. Ik heb het jongetje met kracht uit het water moeten tillen samen met de andere man. Ik zag dat het jongetje een winterjas aan had met capuchon en dat deze helemaal vol was met water. Ik zag verder dat hij een jogging broek aan had met schoenen er onder. Dat jongetje had zichzelf er onmogelijk uit kunnen trekken. Vanaf het water tot de vlonder was ongeveer 0,5 meter. Het jongetje had echt gestrekte armen vanuit het water naar de vlonder.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 62-63 van voornoemd dossier; inhoudend als verklaring van [betrokkene 4] , zakelijk weergegeven:
Ik zag aan de overkant van het [plaats] (het hof leest: in [plaats] ) een jongetje in het water. Ik zag dat het jongetje hing aan de steiger en de rest helemaal in het water. Ik zag dat degene die op de kant stond niets deed. Ik ben op mijn hurken gaan zitten en samen met een andere man heb ik het kind uit het water getrokken. De man deed helemaal niets om het jongetje uit het water te halen. Dat jongetje kon er zelf niet uitkomen. Ik zag geen trapje of iets dergelijks.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 41 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op maandag 28 september 2020 omstreeks 11.45 uur zag ik dat de jongen helemaal nat was. [benadeelde] vertelde mij dat hij niet meer weet hoe hij in het water terecht was gekomen. Op de vraag hoe dat komt vertelde hij dat hij dat niet meer weet omdat hij erg geschrokken was van het gebeuren. Tijdens het gesprek heb ik meerdere keren gevraagd aan [benadeelde] of hij het koud had. Hij gaf aan dat hij het koud had. Ik zag dat [benadeelde] de volgende kleding aanhad: schoenen, een lange broek, shirt met lange mouwen en capuchon, een sweater en een jas. Alles was nat. [benadeelde] vertelde dat hij moeite had om met zijn hoofd boven water te blijven. Dat hij daar niet kon staan en dat het te zwaar was om eruit te klimmen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 53-55 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
[verdachte] gaf in zijn verklaring aan dat hij diverse filmpjes had gemaakt over het incident waarvoor hij is aangehouden. Op deze filmpjes is zijn stiefzoon, [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats] , te zien. Het volgende heb ik gezien op de filmpjes die verdachte met zijn telefoon heeft gemaakt.
Filmpje 6 (3:05 minuten): verdachte pakt [benadeelde] (het hof begrijpt telkens: [benadeelde] ) op en zet hem op de rand (het hof begrijpt: van de vlonder) voor het kanaal. Bij 1:51 hoor ik verdachte zeggen: “zal ik je het water in duwen?”. Hierop hoor ik [benadeelde] “nee”’ zeggen. Bij 2:17 zie ik dat [benadeelde] op de kade zit met zijn voeten richting het water. Vervolgens hoor ik bij 2:38 een plons en een gil, hierna hoor ik [benadeelde] hard huilen en hoor ik: “help”. Ik hoor [verdachte] zeggen: “Klim eruit dan, klim eruit. Je zit toch op zwemles? Je kan er gewoon uitklimmen?” Ik hoor dat [benadeelde] blijft schreeuwen: “Help”. Ik zie dat [benadeelde] probeert om aan de kant te klimmen. Ik zie dat hij met zijn arm over kade hangt. Ik hoor dat hij blijft schreeuwen: “help”. Filmpje 7 (3:57 minuten): Bij 0:01 hoor ik [benadeelde] huilen en schreeuwen. Ik hoor [verdachte] zeggen: “Je hoeft niet te doen alsof”. Ik zie dat verdachte zijn spullen aan het inpakken is en ondertussen hoor ik [benadeelde] op de achtergrond schreeuwen: “help. Papa help”. Bij 0:19 zie ik dat [benadeelde] met (wee handen de kade vast heeft. Ik hoor [verdachte] zeggen: "Je verdrinkt niet, want je zit op zwemles. Ophouden met deze grapjes. Hier is je fietssleutel. Ligt naast je fiets". Ondertussen blijft [benadeelde] schreeuwen: "Help help me". Ik zie dat [benadeelde] nog steeds met 1 hand de kade vast heeft. Ik hoor [verdachte] zeggen: "Ik help jou met helemaal niks meer.” Ik hoor vervolgens dat [benadeelde] acht (8) keer schreeuwt: "Help, Sorry pappa". Vervolgens zie ik rook, waaruit ik denk op te kunnen maken dat [verdachte] een sigaret opsteekt. Ik hoor dat [benadeelde] schreeuwt: "Sorry papa, sorry. Sorry. Sorry. Sorry. Papa. Papa Help. Help. Help. Help papa.” Bij 1:13 zie ik dal [benadeelde] met twee handen de kade vast heeft en nog steeds in het water zit. Ik zie dat [benadeelde] probeert aan de kant te klimmen. Ik hoor dat [benadeelde] in paniek is en dat hij huilend om hulp blijft roepen. Bij 2:02 hoor ik [benadeelde] schreeuwen: “papa help, help ik hou het niet meer”. Ik hoor dat [benadeelde] blijft schreeuwen en gillen om hulp. Bij 2:20 hoor ik [verdachte] zeggen: "Hij kan zwemmen". Ik hoor een stem zeggen: "Hij kan zich zelf niet omhoog trekken". Hierop hoor ik [verdachte] zeggen: "Kan ik niks aan doen. Klim eruit". Hierop hoor ik [benadeelde] schreeuwen: "Ik kan het niet". Hierop hoor ik [verdachte] zeggen: "Klim gewoon uit het water, je kan gewoon zwemmen jongen. Nee. Jij loopt je middelvinger naar mij toe, naar me op te steken. Hé, je loopt je middelvinger naar me te steken. Je scheldt me uit voor fuck you. Je kan gewoon zwemmen. Jij kan gewoon zwemmen, dus zwem maar. Zwem maar". Ik hoor een mannenstem zeggen: "eruit halen" dan wel woorden van gelijke strekking. Hierop hoor ik [verdachte] zeggen: "Hij kan gewoon zwemmen hoor meneer”. Bij 2:51 zie ik een manspersoon in beeld komen en zie ik dat hij richting [benadeelde] loopt en zegt: "Ik moet hem eruit halen". Hierop hoor ik [verdachte] zeggen: "Hij kan zwemmen hoor meneer, hij zit onder jeugdzorg. Ik ben zijn begeleider". Hierop hoor ik de manspersoon zeggen: “Ja maar ik moet hem eruit halen". Vervolgens zie ik bij 3.04 dat er 2 mannen zijn die [benadeelde] uit het water halen. In totaal heeft [benadeelde] 3.29 in het water gelegen. Ik zie dat [benadeelde] schokt en hapt naar adem.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 46 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 28 september 2020 was ik, verbalisant van het team watercalamiteiten, aan het [plaats] bij de steiger naast de [brug] te [plaats] . De volgende metingen zijn door mij verricht:
Buitentemperatuur: 13,5 graden;
Watertemperatuur: 18,0 graden;
Bodemgesteldheid: vlakke en harde bodem;
Waterpeil ter hoogte van steiger: 123 cm;
Afstand tussen wateroppervlak en bovenkant loopvlak steiger: 45 cm;
Afstand tussen loopvlak steiger en bovenkant buis/reling steiger: 35 cm.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2020, opgenomen op pagina 4 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 30 september 2020 verklaarde de moeder van [benadeelde] ( [betrokkene 1] ) dat hij een lengte heeft van 1.30 meter.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 51 -52 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [benadeelde] :
- Dat ik niet kon staan:
- Hoofd onder water, dat ging slecht;
- Ik kreeg water in m'n keel, dat ging ik uitspugen;
- Mijn papa is [verdachte] .
10. Een geschrift, inhoudende een rapport van [betrokkene 5] stichting, pagina 40 en 41, 43, inhoudende een beschrijving van de hulpverlening, zakelijk weergegeven:
Omdat hij (het hof begrijpt: verdachte) zich zorgen maakte over de negatieve invloed van het geregeld agressieve gedrag van [benadeelde] op [betrokkene 2] , heeft hij in de loop der jaren bij moeder en de instanties herhaaldelijk erop aangedrongen in te grijpen, maar hier werd niet naar geluisterd. Uit de rapportage komt naar voren dat vader (het hof begrijpt: verdachte) wel goed meewerkte aan video-hometraining. Uit de rapportage komt naar voren dat het [A] -team [plaats] de indruk had dat vader bepalend tegenover moeder kon zijn en zij daar niet tegen opgewassen was. Ook [betrokkene 6] gaf aan dat vader dominant kon overkomen: zaken leken te moeten gaan op de manier die hij wilde en volgens [betrokkene 7] kon vader heel boos worden op [benadeelde] ; ook zou vader eens een doodsbedreiging hebben geuit aan het adres van de casemanager van het [A] -team.
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 23 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik kreeg een relatie met zijn moeder, [betrokkene 1] dus. Het ging op zich goed, hij (het hof begrijpt: [benadeelde] ) begon me zelfs papa te noemen. [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zijn als hulpinstanties betrokken. Gezinsondersteuning, voor tips voor het gedrag van [benadeelde] , maar we hebben niks. We weten niet hoe we met hem om moeten gaan. Ik heb van alles geprobeerd, ik ben lief geweest, ik ben streng geweest, ik heb genegeerd, niks helpt. Het [A] -team kwam een tijdje geleden om de hoek kijken, toen hij van school gestuurd werd. Vanaf zijn 2e of 3e jaar krijgen we ondersteuning, maar er is nog steeds niks gebeurd.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 30 september 2020, opgenomen op pagina 32 en verder van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:
V: Kan je iets vertellen over hoe jij omgaat met [benadeelde] wanneer hij iets doet wat niet mag, corrigeer jij hem?
A: Ik vind het heel lastig. Als hij niet luistert wat vaak het geval is, dan probeer ik daar wat van te zeggen. Meestal luistert hij niet.
V: Wat doe je dan, fysiek of een zwaardere stem?
A: Ik waarschuw altijd eerst en als die dan nog niet luistert gebruik ik wel een zwaardere stem. Als ik hem naar boven stuur en luistert nog niet dan begeleid ik wel naar zijn kamer.
V: Hoe helpen jij en [betrokkene 1] elkaar hierbij ?
Als hij niet luistert naar mij dan haal ik [betrokkene 1] erbij en dan vraag ik haar en andersom. Soms als ik op werk ben belt [betrokkene 1] mij wel eens om met [benadeelde] te praten als die niet luistert.
V: Hoe helpt de hulpverlening hierbij, bij [betrokkene 2] en [benadeelde] ?
A: Met name bij [benadeelde] en ook wel bij [betrokkene 2] omdat hij ook bij ons hoort, maar met name om [benadeelde] . Ik vind niet echt dal ze iets doen, ik zie geen vooruitgang bij [benadeelde] . De hulpverlening komt voornamelijk bij ons.
V: Wat was hun conclusie?
A: Dat moet nog onderzocht worden denk ik. Hij heeft nog geen diagnostiek gehad. Dit had gekund vanaf zijn zesde, hij heeft van zijn tweede al problemen en is inmiddels al acht.
V: Je krijgt geen handvaten aangeraakt?
A: Nee, niet echt.
V: Gisteren zagen we bij [betrokkene 1] dat zij geen geweld accepteert bij de kinderen?
A: Nee, ik ben zelfs nog wel wat strenger. Ik vind dat [betrokkene 1] over zich heen laat lopen door de kinderen.
V: Het is normaal voor je om het gedrag van [benadeelde] te filmen?
A: Ik ben hier sinds kort mee begonnen. We hebben ook video hometraining en dan moeten we later kijken wat wel en niet goed is gegaan. Ik was het er niet mee eens dat hij dus lasagne had gehaald, maar heb het er wel bij gelaten.
V: De vraag was hoe je omgaat met het gedrag van [benadeelde] , vind je dat moeilijk?
A: Ja.
V: Heb jij hier afspraken met [betrokkene 1] over gemaakt wie wat doet?
A: Als ik er bij ben straf ik hem en andersom. Wij straffen met dingen als niet buiten spelen, niet op de telefoon en geen televisie kijken.
V: Jullie gebruiken elkaar niet als boeman?
A: Hoe bedoel je?
V: Straffen is iets dat mogelijk van een (1) persoon komt en niet van beiden omdat het ook niet jouw kind is?
A: Ik ben [benadeelde] zijn vader in zijn ogen en in zijn leven sinds hij twee jaar oud is. Ik zie [benadeelde] ook als mijn zoon. We delen de zorg voor de kinderen.
V: Hoe kijk jij er nu op terug en hoe moet het volgens jou nu verder met hem en het gezin?
A: Ik wil graag zijn vader blijven.
13. Een geschrift, inhoudende een Orthopedagogisch onderzoek betreffende [benadeelde] geboren op [geboortedatum] 2012 te [plaats] , opgemaakt door [betrokkene 8] , orthopedagoog en [betrokkene 9] , Orthopedagoog- Generalist, d.d. 03-02-2022, zakelijk weergegeven:
Op 28-09-2020 werd [verdachte] (het hof begrijpt telkens: verdachte) opgepakt voor een geweldsincident waarbij [benadeelde] het slachtoffer was. Hij duwde [benadeelde] het water in tijdens het vissen en liet hem spartelen terwijl hij dit op de kade aan het filmen was. Moeder had dit niet zien aankomen. 'Niemand had dit zien aankomen', zegt ze. Als ze dit had geweten was hij nooit met haar zoons alleen geweest. Dan was ze gestopt met werken bij [B] en het [C] . Ze noemt haar ex tot aan het incident juist een vaderfiguur voor beide zoons.
Hulpverleningsgeschiedenis
Volgens moeder liet [benadeelde] vanaf de basisschool vervelend gedrag zien. Ze heeft toen zelf het [A] -team ingeschakeld voor hulp. Ze kreeg opvoedtips van [betrokkene 7] en dit hielp. Zij zagen dat moeder strenger werd. Daarnaast werd [betrokkene 6] ingeschakeld om te zorgen dat [verdachte] en moeder meer op één lijn zouden gaan zitten. Dit hielp niet omdat [verdachte] maar één of twee keer bij de afspraak verscheen. Oma had haar twijfels over [verdachte] Ze zag dat hij [betrokkene 2] voortrok. Als voorbeeld noemt ze dat ze een keer met zijn allen gezamenlijk McDonalds aan het eten waren en [benadeelde] niet wilde eten. Hij werd door [verdachte] boos naar boven gestuurd. Oma ging hier achteraan en luisterde op de gang. Hier hoorde zij [verdachte] tegen [benadeelde] roepen dat hij zijn eten op moest eten of anders dom zou worden.”
7. Voorts heeft het hof ten aanzien van dit strafverzwarende bestanddeel nog het volgende overwogen:

Verdachte kwam in [benadeelde] zijn leven toen hij twee jaar oud was en hij een relatie kreeg met de moeder van [benadeelde] , [betrokkene 1] . Hij is dus niet [benadeelde] zijn biologische vader, maar [benadeelde] noemde hem al vrij snel papa en verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [benadeelde] als zijn zoon ziet. Verdachte en [betrokkene 1] hebben op enig moment samen zoon [betrokkene 2] gekregen en hebben een aantal jaren als gezin samengewoond. [benadeelde] maakte ook onderdeel uit van het gezin dat verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vormden. Ondanks dat verdachte enige tijd voor het tenlastegelegde feit een eigen woonadres kreeg, bleef hij feitelijk samen met [betrokkene 1] de zorg voor beide kinderen hebben en om haar te ontlasten, kwam verdachte bijna dagelijks bij haar over de vloer om samen met de kinderen te ontbijten, de kinderen naar school te brengen, schoon te maken, te koken en de kinderen naar bed te brengen. Om al deze taken te kunnen uitvoeren bleef verdachte ook wel slapen, zo ook in de nacht van 27 op 28 september 2020, voorafgaand aan het tenlastegelegde. Naast alle huishoudelijke taken werkte verdachte fulltime, zodat hij het gezin, aldus zijn verklaring ter zitting van het hof, financieel kon onderhouden. Omdat verdachte en [betrokkene 1] niet goed wisten hoe ze met [benadeelde] om moesten gaan, waren er meerdere hulpinstanties bij het gezin betrokken en kregen verdachte en [betrokkene 1] ondersteuning bij de opvoeding van [benadeelde] . Hulpverleners hebben zich daarbij tot verdachte gericht als zijnde de vader van [benadeelde] en verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde feit samen met [betrokkene 1] actief bezig was met door de hulpverlening verstrekte video-hometraining, zodat zij gezamenlijk het gedrag van [benadeelde] konden verbeteren.
Het hof acht op grond van de voorgaande overwegingen die het hof baseert op de onderstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde] verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin.

Het beoordelingskader

8. De tenlastelegging is toegesneden op artikel 304, aanhef en sub 1, Sr, zoals dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden ‘een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin’ zijn gebruikt in de betekenis die die woorden hebben in die bepaling.
9. De Hoge Raad heeft zich in HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:222, nog recent uitgelaten over de vraag wanneer er kan worden gesproken van een ‘kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin’. Ik citeer:

2.4.2 De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen) houdt onder meer in:
Artikel 304 Sr Pro bepaalt welke strafverzwarende omstandigheden bij mishandeling kunnen leiden tot verhoging van de maximum gevangenisstraf met een derde. Een van de strafverzwarende omstandigheden die wordt genoemd, is dat de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind. Kindermishandeling in huiselijk verband, zonder dat sprake is van een familierechtelijke betrekking tussen de schuldige en het kind, valt daar niet onder. Artikel 304, onderdeel 1°, Sr ziet nu slechts op kinderen tot wie de ouders in familierechtelijke betrekking staan. Daarmee sluit de bepaling niet adequaat aan bij de huidige diversiteit aan samenlevingsvormen.
Tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer van 18 oktober 2007 over het Actieplan Aanpak Kindermishandeling heb ik toegezegd te zullen bezien of artikel 304 Sr Pro op dit punt aanpassing behoeft (Kamerstukken II 2007/08, 31 015, nr. 25, p. 9 ev). Het onderhavige wijzigingsvoorstel strekt tot een verbreding van de groep in artikel 304, onderdeel 1°, Sr genoemde verwanten. Het artikel is aangevuld met kinderen tot wie de schuldige die het misdrijf begaat in een bijzondere relatie staat, die gelet op de diverse samenlevingsvormen vergelijkbaar zijn met de huidige formulering van «zijn kind».
Ten eerste (...)
Ten tweede is toegevoegd «het kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin». Onder deze omschrijving valt een ieder die het kind van een ander als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt zonder dat hij het gezag over het kind uitoefent. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de pleegouders, maar ook de levenspartner van de ouder die niet het gezag over het kind uitoefent. Ook aan hen komt een vergelijkbare verantwoordelijkheid toe ten aanzien van de verzorging en opvoeding van het kind (vergelijk artikel 1:248 BW Pro) en worden zij om die reden onder het bereik van dit artikel gebracht.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de niet-ouder die het gezag over een kind uitoefent, vaak het kind als behorende tot zijn gezin zal verzorgen en opvoeden. In dat geval overlappen de toevoegingen elkaar.”
(Kamerstukken II, 2008/09, 31 386, nr. 9, p. 7, 8)
2.5
Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is met de toevoeging van ‘een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin’ het toepassingsbereik van artikel 304 lid Pro 1, aanhef en onder 1°, Sr uitgebreid tot gevallen van kindermishandeling in huiselijk verband zonder dat sprake is van een familierechtelijke betrekking tussen de schuldige en het kind. Hierbij is aansluiting gezocht bij de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind die op basis van artikel 1:248 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 1:247 lid 2 BW Pro ook geldt voor degene die de minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem gezag toekomt. (Vgl. HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:112.) [2]

De bespreking van het middel

10. Uit de bewijsvoering heeft het hof onder meer het volgende kunnen afleiden:
- het slachtoffer, [benadeelde] , ten tijde van het bewezen verklaarde acht jaar oud, is niet het biologische kind van de verdachte;
- toen [benadeelde] twee jaar was, kreeg de verdachte een inmiddels beëindigde relatie met de moeder van [benadeelde] . Samen hebben zij nog een jonger kind;
- de verdachte slaapt regelmatig in de woning van de moeder en de beide kinderen;
- de verdachte springt financieel bij;
- de verdachte brengt de kinderen naar school;
- de verdachte denkt mee over de opvoeding van de beide kinderen, en levert daaraan ook een bijdrage;
- de verdachte wordt door [benadeelde] ‘papa’ genoemd en zo wil de verdachte ook worden genoemd.
11. Het oordeel van het hof dat de verdachte de mishandeling heeft gepleegd tegen “
een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorende tot zijn gezin” als bedoeld in artikel 304, aanhef en onder 1˚, (oud) Sr acht ik onder deze omstandigheden onjuist noch onbegrijpelijk.
12. Ik volg de steller van het middel niet in de stelling dat het hof het verzorgen of opvoeden “
te zwaar heeft aangezet”. De rol die verdachte inneemt in het gezin waarvan [benadeelde] deel uitmaakt, heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden. Dat pas sprake kan zijn van ‘opvoeden of verzorgen als behorend tot zijn gezin’ indien de moeder van het kind als levensgezel kan worden aangemerkt, berust m.i. op een onjuiste rechtsopvatting. De door de Hoge Raad aangehaalde wetsgeschiedenis wijst uit dat, mede ter bescherming van kinderen, de reikwijdte van het begrip ‘opvoeden of verzorgen als behorend tot zijn gezin’ ruim moet worden opgevat.

Slotsom

13. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
14. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met ingang van 26 januari 2022 is aan art. 304 Sr Pro een tweede lid toegevoegd, als gevolg waarvan de strafverzwarende omstandigheid thans is opgenomen in lid 1. Deze wijziging is van geen betekenis voor de voorliggende zaak.
2.Vgl. ook HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1810.