Conclusie
Nummer22/04889
De procedure
mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin", veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, onder aftrek op grond van artikel 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als nader in het arrest opgenomen.
Inleiding
Het middel
verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin”.
De bewezenverklaring en de bewijsmotivering
hij op 28 september 2020 te [plaats] een kind, te weten [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 2012), dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, heeft mishandeld door dat kind, aan de rand van een vlonder, boven een water neer te zetten en vervolgens dat kind met zijn, verdachtes voet een duw in de rug te geven waardoor dat kind, volledig gekleed, in open water terecht is gekomen en vervolgens niet in staat was daar uit eigen kracht uit te komen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van dat kind teweeg heeft gebracht.”
“1. Eigen waarneming hof ter terechtzitting d.d. 8 december 2022:
[benadeelde] . In verband met deze video-hometraining heb ik het incident gefilmd.
Verdachte kwam in [benadeelde] zijn leven toen hij twee jaar oud was en hij een relatie kreeg met de moeder van [benadeelde] , [betrokkene 1] . Hij is dus niet [benadeelde] zijn biologische vader, maar [benadeelde] noemde hem al vrij snel papa en verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [benadeelde] als zijn zoon ziet. Verdachte en [betrokkene 1] hebben op enig moment samen zoon [betrokkene 2] gekregen en hebben een aantal jaren als gezin samengewoond. [benadeelde] maakte ook onderdeel uit van het gezin dat verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vormden. Ondanks dat verdachte enige tijd voor het tenlastegelegde feit een eigen woonadres kreeg, bleef hij feitelijk samen met [betrokkene 1] de zorg voor beide kinderen hebben en om haar te ontlasten, kwam verdachte bijna dagelijks bij haar over de vloer om samen met de kinderen te ontbijten, de kinderen naar school te brengen, schoon te maken, te koken en de kinderen naar bed te brengen. Om al deze taken te kunnen uitvoeren bleef verdachte ook wel slapen, zo ook in de nacht van 27 op 28 september 2020, voorafgaand aan het tenlastegelegde. Naast alle huishoudelijke taken werkte verdachte fulltime, zodat hij het gezin, aldus zijn verklaring ter zitting van het hof, financieel kon onderhouden. Omdat verdachte en [betrokkene 1] niet goed wisten hoe ze met [benadeelde] om moesten gaan, waren er meerdere hulpinstanties bij het gezin betrokken en kregen verdachte en [betrokkene 1] ondersteuning bij de opvoeding van [benadeelde] . Hulpverleners hebben zich daarbij tot verdachte gericht als zijnde de vader van [benadeelde] en verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde feit samen met [betrokkene 1] actief bezig was met door de hulpverlening verstrekte video-hometraining, zodat zij gezamenlijk het gedrag van [benadeelde] konden verbeteren.
Het beoordelingskader
2.4.2 De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen) houdt onder meer in:
De bespreking van het middel
een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorende tot zijn gezin” als bedoeld in artikel 304, aanhef en onder 1˚, (oud) Sr acht ik onder deze omstandigheden onjuist noch onbegrijpelijk.
te zwaar heeft aangezet”. De rol die verdachte inneemt in het gezin waarvan [benadeelde] deel uitmaakt, heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen afleiden. Dat pas sprake kan zijn van ‘opvoeden of verzorgen als behorend tot zijn gezin’ indien de moeder van het kind als levensgezel kan worden aangemerkt, berust m.i. op een onjuiste rechtsopvatting. De door de Hoge Raad aangehaalde wetsgeschiedenis wijst uit dat, mede ter bescherming van kinderen, de reikwijdte van het begrip ‘opvoeden of verzorgen als behorend tot zijn gezin’ ruim moet worden opgevat.