Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor mishandeling van het 13-jarige stiefkind van zijn echtgenote. De kernvraag was of het stiefkind kan worden beschouwd als een 'kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin' in de zin van artikel 304 lid 1 Sr Pro, waardoor de strafverzwarende bepaling van toepassing is.
De Hoge Raad herhaalt de wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie (HR 2018:112) en verduidelijkt dat het niet vereist is dat verdachte feitelijk de zorg en opvoeding volledig op zich heeft genomen, maar dat de bepaling een bredere groep omvat die het kind verzorgt of opvoedt zonder gezag. Het hof heeft dit correct toegepast en zijn oordeel is toereikend gemotiveerd.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Gelet op de opgelegde straf van zeven maanden, waarvan vier voorwaardelijk, acht de Hoge Raad het niet noodzakelijk om een ander rechtsgevolg te verbinden.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand met een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan vier voorwaardelijk.