2.6Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
“De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken en daartoe het volgende aangevoerd. Weliswaar was de verdachte op 14 juli 2018 aanwezig bij het huis van [slachtoffer] op het moment dat er geschoten werd, maar hij was niet de schutter. Daarvoor ontbreekt het aan overtuigend bewijs. De enige die de schutter daadwerkelijk heeft gezien, is [slachtoffer] , die heeft verklaard niet te weten wie de schutter was. [slachtoffer] heeft verklaard dat de schutter een wit shirt droeg, maar de verdachte droeg die avond iets blauws. Voorts wordt de verdachte weliswaar in verschillende tapgesprekken gelinkt aan de schietpartij, maar dat betreffen gesprekken van mensen die dit van een ander hebben gehoord. Tot slot heeft de verdachte duidelijkheid gegeven over hoe het kan dat zijn DNA is aangetroffen op een van de aangetroffen hulzen. De verdachte heeft een alternatief scenario geleverd, inhoudende dat hij op de plaats van de schietpartij was samen met een ander, van wie hij de naam niet wil noemen, die de schutter is geweest.
Indien het hof tot de conclusie komt dat de verdachte de schutter is geweest, is de verdediging van mening dat het opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] niet kan worden bewezen, nu niet duidelijk is vast te stellen waar [slachtoffer] zich bevond op het moment van schieten en er door de dader niet gericht op hem is geschoten.
Het hof overweegt als volgt.
Met de rechtbank en grotendeels op grond van dezelfde overwegingen, zoals hierna weergegeven, leidt het hof uit de bewijsmiddelen - zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest - het volgende af.
In de nacht van 14 juli 2018 heeft de verdachte in het centrum van [plaats] ruzie gekregen met de aangever, [slachtoffer] . De verdachte heeft tegen een getuige gezegd dat hij zijn broer zou gaan halen. Vóór het schietincident bij de woning van de aangever heeft even verderop een incident plaatsgevonden waarbij iemand is geslagen. Degene die is geslagen heeft gezegd dat hij op [verdachte] wachtte. De verdachte is naar de woning van de aangever gegaan en kort na zijn aankomst aldaar is er geschoten. In de straat stond op het moment van het schieten een donkerkleurige Porsche Cayenne en één van de inzittenden heeft gezegd dat de man met het vuurwapen die kwam aanlopen, normaal moest doen. De broer van de verdachte heeft verklaard dat hij samen met zijn zwager in diens Porsche Cayenne naar de woning van [slachtoffer] was gereden.
Op het filmpje dat door een buurtbewoner is gemaakt is voor het schieten te horen dat een man zegt: ‘Daar loopt [verdachte] ’. Dan lijkt een auto zich te verplaatsen en is een scheldende man te horen die roept ‘Ik schiet je kapot hoor, schijt an’, ‘Hé wat nou....luisteren [slachtoffer] ’, ‘Moet je naar buiten kommen als een kerel één op één’. Een andere persoon roept: ‘He [verdachte] , donder op’. Het hof heeft het betreffende filmpje bekeken (en beluisterd) en ziet geen reden tot twijfel aan het proces-verbaal waarin deze beelden en uitlatingen zijn beschreven. Daarna is er zes keer geschoten en nogmaals geschreeuwd: ‘Ik schiet je kapot’, ‘Ik schiet jullie dood’.
Volgens getuige [betrokkene 6] is de schutter na het schieten in de Porsche Cayenne gestapt. De verdachte heeft verklaard in de Porsche Cayenne te zijn gestapt. [slachtoffer] heeft verklaard dat de woorden “Ik schiet je dood, ik schietje dood", werden geroepen door de verdachte.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de schutter is geweest.
Waar bevond de aangever zich?
[slachtoffer] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij een paar meter naar buiten was gelopen toen het schieten begon, toen is terug gerend (het hof begrijpt: naar zijn woning) en dat het schieten nog doorging toen hij binnen was. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het geluidsfragment (“luisteren [slachtoffer] ”, “Moetje naar buiten kommen als een kerel één op één”) niet tot de conclusie dient te leiden dat [slachtoffer] zich gedurende het (gehele) schietincident in de woning bevond. Dat de verdachte zou hebben geroepen dat [slachtoffer] naar buiten moest komen, sluit niet uit dat deze op dat moment al buiten was of juist naar buiten kwam. Daarvoor is redengevend dat [slachtoffer] stellig en consistent heeft verklaard dat hij buiten was en al direct na het incident tegen de politie heeft gezegd dat hij het laf vindt om in de rug te worden geschoten. Bovendien vindt zijn verklaring steun in de verklaringen van getuigen [betrokkene 16] en [betrokkene 18].
De andersluidende verklaringen van [verbalisant 20], [betrokkene 19] en [betrokkene 6] leggen onvoldoende gewicht in de schaal. [verbalisant 20] heeft verklaard dat zij boven in haar badkamer was, zodat zij dit een deel van het incident niet heeft gezien. [betrokkene 19] heeft eerst na enkele weken en op weifelende wijze verklaard - door gebruik van de woorden “ik geloof’ en “ik vermoed” - en daarbij opgemerkt dat het drie weken geleden is en hij “een slokkie op had” toen het gebeurde. Uit de verklaring van [betrokkene 6] leidt het hof af dat hij gefocust was op het vuurwapen en dé (hand van de) schutter, hetgeen kan verklaren dat hij (op het moment van schieten) geen mensen bij de woning heeft zien staan.
Het hof neemt op grond van het vorenstaande dan ook als vaststaand aan dat de aangever zich buiten, in de buurt van de voordeur van de woning met [a-straat 1] , bevond toen er meermalen werd geschoten. Zowel uit de verklaring van de aangever als uit het sporenonderzoek blijkt dat er zes keer is geschoten vanaf de linkerzijde van de geparkeerde auto's richting de woningen van [a-straat 1] en [a-straat 4] . Daarbij zijn twee auto's beschadigd geraakt, namelijk een Mitsubishi en eén Audi. Tussen de deuren van [a-straat 1] en [a-straat 4] waren beschadigingen waarneembaar op de muur en in het kozijn van de deur van de buren op [a-straat 4] . In het kozijn van de buren is een kogelgat aangetroffen, dat door de voordeur liep. Achter de deur van [a-straat 4] lag een kogelpunt bij de deurmat.
De verdachte heeft zes keer geschoten in de richting van de aangever, terwijl deze zich buiten bevond en zich bewoog. Mede gezien de geringe afstand tussen de voordeuren van de woningen met [a-straat 1] en [a-straat 4] en gelet op de richting waarin blijkens de kogelinslagen is geschoten, acht het hof de kans aanmerkelijk dat [slachtoffer] door een of meerdere kogels zou zijn getroffen met dodelijk letsel als gevolg. Uit het handelen van de verdachte en mede in ogenschouw genomen de uitlatingen die hij bij het schieten deed, leidt het hof af dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] .
Het hof acht tevens bewezen dat de verdachte door het schieten met een vuurwapen minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de vernieling van twee auto’s en een voordeur.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.”