ECLI:NL:PHR:2023:111
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
De verdachte werd door het gerechtshof veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens meervoudige diefstal en medeplegen van opzetheling. De verdediging stelde onder meer dat de redelijke termijn was overschreden, zowel in hoger beroep als in cassatie.
Het hof erkende een overschrijding van ongeveer tien maanden in de hogerberoepsfase, maar achtte deze overschrijding gering vanwege bijzondere omstandigheden, zoals het horen van een groot aantal getuigen op verzoek van de verdediging. De totale overschrijding over de gehele strafprocedure bedroeg volgens het hof slechts twee maanden, wat geen strafvermindering rechtvaardigde.
De Hoge Raad bevestigt dat het oordeel van het hof over de redelijke termijn slechts beperkt kan worden getoetst en acht het oordeel niet onbegrijpelijk. Wel constateert de Hoge Raad dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden, wat niet gecompenseerd kan worden door voortvarende afdoening. Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf.
Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad zal naar verwachting uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat eveneens een overschrijding van de redelijke termijn betekent.
Uitkomst: De opgelegde gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.