ECLI:NL:PHR:2023:1131

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
11 december 2023
Zaaknummer
21/04372
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 8 WVW 1994Art. 163 WVW 1994Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over weigering medewerking bloedonderzoek bij verkeersongeval en redelijke termijn

De verdachte werd door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, zesde lid, Wegenverkeerswet 1994, omdat hij weigerde mee te werken aan een bloedonderzoek na een verkeersongeval op 24 januari 2019. Het gerechtshof bevestigde dit vonnis met aanvullende gronden. In cassatie werd betoogd dat geen sprake was van een weigering omdat de verdachte binnen korte tijd alsnog toestemming gaf voor het bloedonderzoek, en dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden.

De Hoge Raad overwoog dat een weigering aan het bloedonderzoek kan blijken uit duidelijke uitspraken of gedrag van de verdachte. Het hof had vastgesteld dat de verdachte meerdere malen was gevorderd mee te werken en pas na mededeling van invordering rijbewijs alsnog instemde, wat te laat was. Dit oordeel was voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad verwierp het verweer dat geen sprake was van een weigering.

Daarnaast werd vastgesteld dat de stukken niet binnen de wettelijke termijn van acht maanden na cassatie-instelling bij de Hoge Raad waren ingediend, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Gelet op de aard en hoogte van de straf volstond de Hoge Raad met de constatering van deze overschrijding zonder gevolgen voor de strafoplegging. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens weigering medewerking aan bloedonderzoek.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04372

Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De rechtbank Oost-Brabant heeft de verdachte bij vonnis van 22 november 2019 veroordeeld wegens “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” tot 20 uren taakstraf subsidiair 10 dagen hechtenis. De rechtbank heeft voorts een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 9 maanden met aftrek en de teruggave van twee kledingstukken gelast. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 19 oktober 2021 het vonnis van de rechtbank bevestigd met aanvulling van de gronden.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.J.M.J. Damen, advocaat te Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
2.2
Voordat ik het middel bespreek geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en de bewijsoverwegingen weer.
2.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 24 januari 2019 te Uden, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot hel verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.”
2.4
De bewezenverklaring steunt op de volgende in de aantekening van het mondeling arrest opgenomen bewijsmiddelen:

Bewijsmiddelen
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan.
Hierna wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam ’s-Hertogenbosch, op ambtseed opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, registratienummer PL2100-2019137521, gesloten 9 augustus 2019, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-54.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
1.
Een proces-verbaal rijden onder invloed, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 3 juli 2019, dossierpagina 's 5-7, inhoudende -zakelijk weergegeven - het relaas van voormelde verbalisant:
Op donderdag 24 januari 2019 omstreeks 21.20 uur reden wij verbalisanten, in een herkenbaar dienstvoertuig en in uniform gekleed in de binnenstad van 's-Hertogenbosch. Omstreeks genoemd tijdstip kregen wij de melding van de regionale politiemeldkamer met het verzoek om te gaan naar de Zuid Willemsvaart te Berlicum alwaar een personenauto over de kop zou zijn gegaan. De inzittenden zouden naast het voertuig staan en 1 van hen zou op de grond liggen.
Hierop zijn wij direct ter plaatse gegaan.
Op donderdag 24 januari 2019 omstreeks 21.33 uur waren wij ter plaatse bij het ongeval. Het ongeval bleek op de locatie N279 rechts zijn, rijrichting 's-Hertogenbosch.
Wij zagen dat er inmiddels twee ambulances ter plaatse waren alsmede twee brandweerwagens. Wij zagen dat een zwaar beschadigde personenauto in de greppel van de N279 lag. Dit is tussen de hoofdrijbaan en de secundaire weg. Wij zagen twee slachtoffers bij de brandweer staan aan de zijde van de hoofdrijbaan. Wij zagen dat één slachtoffer op de rijbaan van de secundaire weg lag.
Wij zagen dat het voertuig een donkerblauwe Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken] was.
Ik verbalisant van [verbalisant 2] , ben naar de twee slachtoffers gelopen die bij de brandweer stonden en heb hen aangesproken en hun personalia genoteerd.
Zij gaven op te zijn genaamd: [betrokkene 1] van [geboortedatum] 1997 BSN [nummer 1] en
[betrokkene 2] van [geboortedatum] 1999 BSN [nummer 2]
Ik, verbalisant van [verbalisant 2] , bemerkte aan beide personen dat zij zeer sloom reageerden op mijn vragen en kreeg sterk de indruk dat zij onder invloed waren van een in artikel 8 lid 5 van Pro de Wegenverkeerswet aangewezen stof. Ik hoorde dat een ambulance medewerker mij vertelde dat hij ook de indruk had dat beide personen onder invloed waren van een in artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet Pro aangewezen stof. Beide personen zijn door de ambulance ter controle meegenomen naar het Jeroen Bosch Ziekenhuis in 's-Hertogenbosch.
Ik, verbalisant van [verbalisant 3] ben naar het derde slachtoffer gelopen. Ik zag dat bij het slachtoffer een politieman zat welke als voorbijganger zich over het slachtoffer had ontfermd. Deze politieman is werkzaam in de regio Utrecht. Ik hoorde dat de politieman vertelde dat hij de aanrijding niet had zien gebeuren en dat het slachtoffer net bij kennis was. Hij vertelde dat het slachtoffer had verteld dat hij de bestuurder van het voertuig was. Hierop werd het slachtoffer door de ambulancemedewerkers op een brancard gelegd en in de ambulance gelegd. Tijdens deze behandeling heb de bestuurder naar zijn naam gevraagd.
Hij gaf mij op te zijn genaamd:
[verdachte] van [geboortedatum] 1996 wonende te [plaats] op het adres [a-straat 1] .
2.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 25 januari 2019, dossierpagina’s 25-26, inhoudende -zakelijk weergegeven - het relaas van voormelde verbalisant:
Op verzoek van politie eenheid met het roepnummer OB14.01, ging ik naar het Bernhove Ziekenhuis, gelegen aan de Nistelrodeseweg 10 te Uden. In het ziekenhuis, bij de spoed eisende hulp zou een verdachte van een verkeersongeval verblijven, genaamd [verdachte] . Deze verdachte [verdachte] , had op straat een speekseltest ondergaan waarin hij positief scoorde op het gebruik van drugs. Als gevolg hiervan wilde de politie eenheid OB14.01 een bloedproef uit laten voeren bij de verdachte [verdachte] . De verdachte [verdachte] had echter eerder al aangegeven hier niet aan mee te willen werken.
(...)
Ik verbalisant, deelde de verdachte mede, op 24 januari 2019 omstreeks 23.58 uur, dat ik, in de hoedanigheid van Hulp Officier van Justitie hem het bevel gaf medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek en dat niet meewerken strafbaar is. Ik hoorde dat de verdachte, constant in discussie wilde gaan over de rechtmatigheid van het onderzoek en hij herhaalde een aantal keer dat hij vandaag niets gebruikt had en dus ook geen bloed wilde afstaan. Ik hoorde dat hij verklaarde, dat zijn vrienden die bij hem in de auto zaten, wel hadden gerookt en dat zodoende zijn speekseltest wel eens negatief voor hem zou kunnen uitvallen. Ik verbalisant, heb aan de verdachte, drie a vier keer uitgelegd dat we daarom juist bloed willen hebben van hem om zodoende de juiste hoeveelheid drugs in zijn bloed te kunnen laten onderzoeken. Ik verbalisant, heb dit twee a drie keer proberen duidelijk te maken aan de verdachte maar had het idee dat hij in zijn geheel niet luisterde en steeds weer op zijn eigen verhaal terug kwam. Ik verbalisant, vroeg daarom duidelijk aan de verdachte [verdachte] , om een ja of een nee voor de medewerking en gaf aan dat ik verder niet in discussie ging over de rechtmatigheid van het onderzoek. Ik verbalisant, hoorde de verdachte met duidelijke stem zeggen dat hij niet mee wilde werken. Ik verbalisant, deelde de verdachte mede dat hij dan verdacht werd van een weigering van een bloedproef en vanaf nu een rijverbod had van 24 uur en dat zijn rijbewijs bij deze was ingevorderd. Ik vroeg de verdachte tevens of hij zijn rijbewijs bij zich had. Ik hoorde de verdachte zeggen dat hij zijn rijbewijs niet bij zich had en dat hij toch wel zijn bloed wilde afgeven. Ik verbalisant, heb aan de verdachte [verdachte] aangegeven dat hij meerdere malen de kans had gehad om medewerking te verlenen en dat het nu te laat was.
3.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , d.d. 25 januari 2019, dossierpagina 27, inhoudende - zakelijk weergegeven - het relaas van voormelde verbalisanten:
Wij ontvingen het verzoek van de Officier van dienst van de politie, welke tevens optrad als Hulp Officier van Justitie, [verbalisant 4] om te gaan naar het Bernhoven ziekenhuis te Uden. Aldaar zou zijn binnengebracht de verdachte [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] . Hij zou eerder op de avond betrokken zijn geweest bij een verkeersongeval te Berlicum.
Aan ons werd verzocht om een bloedonderzoek te doen en bloed af te laten nemen van de verdachte [verdachte] .
(...)
Ik, verbalisant [verbalisant 6] , heb op, niet mis te verstane wijze, aan de verdachte [verdachte] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Wij hoorden de verdachte vervolgens zeggen dat hij had gereden en dat hij geen drugs had gebruikt en dat hij daarom geen bloed af wilde staan.
4.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 7] , d.d. 16 april 2019, dossierpagina’s 44-47, inhoudende - zakelijk weergegeven - verklaring van verdachte:
Op 24 januari 2019 was ik betrokken bij een verkeersongeval. Ik was de bestuurder van een Volkswagen Golf.”
2.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 oktober 2021 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. Dit proces-verbaal houdt voor zover van belang in:
“Het zal u niet verbazen, gelet op de inhoud van de appelschriftuur, dat de verdediging een ander standpunt heeft dan de advocaat-generaal. Ik heb de jurisprudentie erop nageslagen, maar nergens ben ik een zaak tegengekomen waar in eerste instantie geweigerd is mee te werken aan het bloedonderzoek en luttele seconden later alsnog medewerking verleend wilde worden. Zowel uit de jurisprudentie als uit het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer volgt dat iemand een bedenktijd kan hebben. Wat mij verbaasde in dit verband, is dat beschreven is welk onderzoek mijn cliënt moest ondergaan in het ziekenhuis. Daarover is overleg door verbalisant [verbalisant 1] en de hulpofficier van justitie, maar uit het dossier blijkt niet of cliënt, kort nadat hij klaar was in het ziekenhuis, mee is gegaan naar het bureau voor een ademanalyse of andere controle. Direct is hem gevraagd om mee te werken aan bloedonderzoek: in eerste instantie op strenge wijze. Daar ontstond discussie over. Cliënt was op dat moment dusdanig in shock, gelet op het vrij ernstige ongeval dat zojuist had plaatsgevonden, dat hij de situatie niet helemaal kon overzien en eerst met zijn raadsman wilde overleggen. Hij heeft die gelegenheid niet gehad. Als hij mij had gebeld, dan had ik de gevolgen van een weigering van bloedonderzoek kunnen uitleggen.
In het proces-verbaal lees ik dat hij luttele seconden later toch mee wilde werken. Dat blijkt uit het filmpje dat beschreven wordt in het dossier en daaruit blijkt ook de instemming. Als ik uit de regelgeving en de jurisprudentie niet kan afleiden of er bepaalde termijnen zijn verbonden aan het meewerken aan een bloedonderzoek en ik in het dossier niet teruglees of het tijdsverloop tussen het vorderen en uiteindelijk wel meewerken lang was, dan kan geen sprake zijn geweest van een weigering. In eerste instantie heeft mijn cliënt aangegeven dat hij met zijn raadsman wilde overleggen en direct daarna heeft hij toch ingestemd met het onderzoek. Ik zie daar geen weigering in, dus blijft het standpunt van de verdediging dat mijn cliënt dient te worden vrijgesproken.”
2.6
De rechtbank heeft in de aantekening van het mondeling vonnis de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:

“Nadere bewijsoverweging.

Uit het op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 4] kan worden afgeleid dat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Meerdere malen is verdachte gevorderd zijn medewerking te verlenen, waarbij drie a 4 keer is uitgelegd waarom er bloed moest worden afgenomen. Verdachte heeft toen geweigerd zijn medewerking te verlenen. De vraag is of je als verdachte terug kunt komen op een weigering.
De wetsgeschiedenis neemt wel aan dat een verdachte in de emotie te makkelijk nee kan zeggen en er op terug kan komen. Het is aan de rechter om te beoordelen of er sprake is geweest van een weigering.
Er is door de wetgever gekozen om de medewerking via een vordering te laten lopen om op deze wijze zo spoedig mogelijk het promillage en/of andersoortige waarden vast te stellen. Wanneer een langere termijn tussen de vordering en het uiteindelijke onderzoek zit, is dit onwenselijk in verband met de afbraak.[ [1] ]
De politierechter stelt vast dat verdachte uiteindelijk, na meerdere bevelen tot medewerking en nadat is aangegeven dat zijn rijbewijs is ingevorderd, heeft aangegeven dat hij toch wil meewerken. De politierechter vindt deze terugtred van verdachte, alles afwegend, te laat.
De politierechter weerlegt dan ook het verweer van de raadsman dienaangaande en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een weigering, zoals hiervoor bewezen is verklaard.”
2.7
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder voor zover inhoudende dat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het verrichten van bloedonderzoek als bedoeld in art. 8 tweede Pro lid, aanhef en onder b Wegenverkeerswet 1994. In de toelichting wordt aangevoerd dat zich geen situatie heeft voorgedaan waarbij er sprake is geweest van een volharding van de weigering mee te werken, terwijl er niet kan blijken dat er een termijn is die de verdachte doorkruist zou hebben.
2.8
Dat een bestuurder niet voldoet aan zijn verplichting gevolg te geven aan een bevel zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en zijn medewerking daaraan te verlenen, kan op verschillende wijzen blijken. Dit kan bijvoorbeeld volgen uit een duidelijke uitspraak van de verdachte dat hij medewerking weigert, maar ook uit non-verbaal gedrag zoals weigeren te antwoorden, weglopen of een arm wegtrekken als de arts wil prikken. [2] Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen of aan een uitspraak of aan gedrag van de verdachte de betekenis toekomt dat hij geen gevolg geeft aan het bevel en zijn medewerking daaraan weigert. [3]
2.9
Over het kunnen terugkomen op een weigering ging het in Hoge Raad 9 april 1985,
NJ1985/823. De verdachte in die zaak was veroordeeld voor niet gevolg geven aan een bevel een bloedonderzoek te ondergaan en daaraan mee te werken. Dit was destijds strafbaar gesteld in art. 33a Wegenverkeerswet, dat op dit punt overeenkwam met het huidige art. 163 Wegenverkeerswet Pro 1994. In cassatie was aangevoerd dat de verdachte weliswaar had geweigerd mee te werken, maar dat de wet niet voorschreef dat al op een ‘eerste vordering’ aan het bevel diende te worden voldaan, terwijl de verdachte na de weigering alsnog zelf om een bloedtest had gevraagd en wel binnen de termijn dat hij eventueel had kunnen verzoeken om het afnemen van bloed voor een contra-expertise. De Hoge Raad verwierp dit betoog:
“In het recht is geen steun te vinden voor de door het middel voorgestane opvatting volgens welke bij verdenking dat de bestuurder van een motorrijtuig heeft gehandeld in strijd met art. 26 WVW Pro [thans art. 8 WVW Pro 1994, MvW], die bestuurder - ofschoon hij aanvankelijk heeft geweigerd gevolg te geven aan een bevel als bedoeld in art. 33a tweede lid van genoemde Wet - er recht op zou hebben dat nochtans een bloedonderzoek wordt verricht. Het middel faalt derhalve.” [4]
2.1
Naar het mij voorkomt, is de insteek van het middel echter een andere. Betoogd wordt niet dat de verdachte mocht terugkomen op een weigering, maar dat helemaal geen sprake is gewéést van een weigering, omdat de verdachte niet binnen de daarvoor staande termijn heeft volhard in zijn afwijzende houding.
2.11
Het hof heeft echter vastgesteld dat de verdachte meermalen is gevorderd zijn medewerking te verlenen, waarbij drie à vier keer is uitgelegd waarom er bloed moest worden afgenomen en dat de verdachte pas nadat is medegedeeld dat zijn rijbewijs is ingevorderd heeft aangeven toch mee te willen werken. Het hof heeft daarmee vastgesteld dat de verdachte wel degelijk “heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen”. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de terugtred van de verdachte, alles afwegend, te laat is. Deze oordelen acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op de door het hof genoemde omstandigheden en het hiervoor genoemde arrest van 9 april 1985, en deze oordelen zijn in het licht van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd ook toereikend gemotiveerd.
2.12
Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet niet af, zoals door de steller van het middel nog wordt aangevoerd, dat de in art. 12 lid 3 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) genoemde termijn van anderhalf uur op het moment dat de verdachte werd bevolen om mee te werken aan het bloedonderzoek reeds was verstreken. In dat verband wijs ik erop dat die termijn in het Besluit is gekomen omdat naarmate de tijd verstrijkt de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als cannabis, cocaïne en GHB steeds meer in het bloed van de bestuurder afbreekt. [5] Voor zover de steller van het middel meent dat die termijn er (mede) toe strekt dat de verdachte de tijd heeft om binnen die periode te beslissen over zijn medewerking en in dat kader terug te komen op een eerdere weigering, faalt het. [6]
2.13
Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is geschonden aangezien de stukken van het geding niet binnen acht maanden nadat het cassatieberoep is ingesteld naar de griffie van de Hoge Raad zijn verzonden.
3.2
Namens de verdachte is op 21 oktober 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 29 maart 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dit betekent dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim negen maanden is overschreden. De overschrijding van de inzendtermijn kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende behandeling in cassatie.
3.3
Dit alles brengt mee dat het middel terecht is voorgesteld, maar gelet op de aard en hoogte van de opgelegde straf zal de Hoge Raad kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding. [7]

Afronding

4.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende formulering. Het tweede middel is terecht voorgesteld maar hoeft niet tot cassatie te leiden.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de behandeltermijn in cassatie is overschreden nu de Hoge Raad de zaak niet meer binnen de daarvoor gestelde termijn van twee jaar kan afdoen. Gelet op de aard en hoogte van de opgelegde straf zal de Hoge Raad kunnen volstaan met de constatering van de overschrijding.
4.3
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal constateren dat de redelijke termijn is overschreden en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Ik begrijp: de afbraak van stoffen in het bloed die wijzen op het gebruik van middelen die de rijvaardigheid negatief beïnvloeden.
2.Zie ook de rechtspraak genoemd in A. Dijkstra en J.L. van der Neut, ‘Besturen onder invloed De artikelen 8 en 163’, in: A.E, Harteveld e.a. (red.),
3.Vgl. HR 5 januari 1993,
4.Dit was eerder ook al beslist in HR 12 december 1978,
5.De in noot 3 genoemde nota van toelichting, p. 25. Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:623.
6.In verband met de overschrijding van die termijn merk ik nog op dat blijkens het volledige proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] (bewijsmiddel 2) de verdachte in het ziekenhuis eerst was meegenomen door het ziekenhuispersoneel voor een onderzoek. De verbalisant kreeg op 23:55 uur te horen dat de verdachte terug was op de spoedeisende hulp. Om 23:58 uur is de verdachte bevolen medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Door de verdachte is overigens niet aangevoerd dat deze termijnoverschrijding de reden was voor zijn weigering gevolg te geven aan het bevel.
7.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2 onder C.