Conclusie
Nummer21/04372
Inleiding
Het eerste middel
Bewijsmiddelen
Een proces-verbaal rijden onder invloed, opgesteld door verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 3 juli 2019, dossierpagina 's 5-7, inhoudende -zakelijk weergegeven - het relaas van voormelde verbalisant:
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisant [verbalisant 4] , d.d. 25 januari 2019, dossierpagina’s 25-26, inhoudende -zakelijk weergegeven - het relaas van voormelde verbalisant:
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , d.d. 25 januari 2019, dossierpagina 27, inhoudende - zakelijk weergegeven - het relaas van voormelde verbalisanten:
Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 7] , d.d. 16 april 2019, dossierpagina’s 44-47, inhoudende - zakelijk weergegeven - verklaring van verdachte:
“Nadere bewijsoverweging.
NJ1985/823. De verdachte in die zaak was veroordeeld voor niet gevolg geven aan een bevel een bloedonderzoek te ondergaan en daaraan mee te werken. Dit was destijds strafbaar gesteld in art. 33a Wegenverkeerswet, dat op dit punt overeenkwam met het huidige art. 163 Wegenverkeerswet Pro 1994. In cassatie was aangevoerd dat de verdachte weliswaar had geweigerd mee te werken, maar dat de wet niet voorschreef dat al op een ‘eerste vordering’ aan het bevel diende te worden voldaan, terwijl de verdachte na de weigering alsnog zelf om een bloedtest had gevraagd en wel binnen de termijn dat hij eventueel had kunnen verzoeken om het afnemen van bloed voor een contra-expertise. De Hoge Raad verwierp dit betoog: