ECLI:NL:PHR:2023:1147

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
12 december 2023
Zaaknummer
23/01621
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen beklag beslag op bedrijfspanden in fraudezaak voedselketen

In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris inzake beslag op fysieke dossiers en back-ups van ICT-systemen in het kader van een grootschalige fraude in de voedselketen.

De klager, die geen verschoningsgerechtigde is, kon volgens de rechtbank geen rechtsmiddel instellen tegen deze beschikking. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is cassatieberoep ingesteld, dat door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De conclusie van de AG benadrukt dat de procedurele data en termijnen correct zijn vastgesteld, ondanks enkele kennelijke verschrijvingen in de datumvermeldingen. De inhoud van de klaagschriften en de bestreden beschikkingen in deze en samenhangende zaken zijn vrijwel identiek.

De Hoge Raad volgt het advies en verklaart de klager niet-ontvankelijk in het cassatieberoep, waarmee het oordeel van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01621 Bv
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 7 maart 2023 [1] de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift als bedoeld in art. 98 lid 4 Sv Pro, in verbinding met art. 552a Sv, tegen de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 98 Sv Pro van 30 augustus 2022.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/01615, 23/01617, 23/01618, 23/01619, 23/01620, 23/01622, 23/01625, 23/01626, 23/01627, 23/01628, 23/01632, 23/01633, 23/01634, 23/01635, 23/01636, 23/01639, 23/01640, 23/01641, 23/01642, 23/01643 en 23/01644. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. Th.J. Kelder, advocaat te Den Haag, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Het cassatieberoep is naar mijn oordeel niet-ontvankelijk. De redenen daarvoor heb ik opgegeven in mijn conclusie in de zaak van de medeklager [klager 1] , onder nummer 23/01617. [2]

3.Conclusie

3.1
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bovenaan de bestreden beschikking wordt de datum van 7 februari 2023 genoemd. Onderaan de beschikking staat echter vermeld dat deze op 7 maart 2023 in het openbaar is uitgesproken. Verder houdt de beschikking onder meer in dat het klaagschrift op 7 februari 2023 door de meervoudige economische raadkamer in openbare raadkamer is behandeld. In het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 7 februari 2023 is voorts gerelateerd dat de beschikking op 28 februari 2023 ter openbare terechtzitting zal worden uitgesproken. De “Akte instellen cassatie” houdt – kort gezegd – in dat op 21 maart 2023 namens de klager cassatieberoep wordt ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 7 maart 2023. Het bovenstaande maakt dat ik ervan uitga dat de vermelding van de datum van 7 februari 2023 bovenaan de beschikking en de datum van 28 februari 2023 in bovengenoemd proces-verbaal berust op een kennelijke verschrijving en ik de beschikking aldus versta dat deze dateert van 7 maart 2023 en bovengenoemd proces-verbaal van 7 februari 2023. Terzijde merk ik op dat – anders dan in de bestreden beschikking is overwogen – het klaagschrift van de klager ex art. 552a Sv niet op 29 januari 2021 is ingediend, maar op 30 maart 2021.
2.Het middel dat strekt tot cassatie van de bestreden beschikkingen in deze twee samenhangende zaken is afkomstig van dezelfde cassatieadvocaat en is gelijkluidend. Daarnaast is de inhoud van de klaagschriften, de processen-verbaal van de gelijktijdige behandeling daarvan in raadkamer van 2 april 2021 en 7 februari 2023 en de bestreden beschikkingen van de rechter-commissaris en de rechtbank van 30 augustus 2022 en 7 maart 2023 (nagenoeg) identiek.