ECLI:NL:HR:2024:350

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01621
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 lid 4 SvArt. 552a SvArt. 94 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep niet-ontvankelijk bij beklag over beslag en verschoningsrecht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake de toelaatbaarheid van beslag op digitale gegevens onder een onderneming waarbij de klager betrokken is, in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen.

De klager stelde beklag in op grond van artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, waarbij hij zich beriep op het verschoningsrecht. De rechtbank oordeelde echter dat het beklag niet openstond voor de klager omdat hij niet verschoningsgerechtigd was.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk. De motivering van deze beslissing is opgenomen in een samenhangende beschikking (ECLI:NL:HR:2024:312). De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 12 maart 2024.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van klager niet-ontvankelijk wegens gebrek aan verschoningsgerechtigde status.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01621 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 22/020757, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klager niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2.2
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klager niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01617 Bv, ECLI:NL:HR:2024:312.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.