ECLI:NL:PHR:2023:1165

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
13 december 2023
Zaaknummer
23/04126
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 FwArt. 360 FwArt. 26 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 14 EVRMArt. 1 Nederlandse Grondwet
Verwijzingen
20 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn in WSNP-zaak over verkorting looptijd schuldsanering

De zaak betreft een verzoek van de schuldenaar tot verkorting van de looptijd van zijn wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van drie naar anderhalf jaar, conform de nieuwe wetgeving die sinds 1 juli 2023 geldt. De rechter-commissaris en de rechtbank hebben dit verzoek afgewezen, waarbij onder meer werd meegewogen dat er geen overgangsrecht van toepassing is en dat de schuldenaar een aanzienlijke afloscapaciteit heeft.

De schuldenaar stelde vervolgens cassatieberoep in tegen de beschikking van de rechtbank. Volgens vaste rechtspraak geldt voor beschikkingen op grond van artikel 315 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) een rechtsmiddelenverbod, maar kan dit in uitzonderlijke gevallen worden doorbroken. De Hoge Raad heeft in eerdere jurisprudentie bepaald dat het cassatieberoep in een dergelijk geval binnen acht dagen na de uitspraak moet worden ingesteld.

In deze zaak is het cassatieberoep echter pas drie dagen na het verstrijken van deze termijn ingediend. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad bevestigt hiermee de strikte toepassing van de cassatietermijn en het rechtsmiddelenverbod in het kader van WSNP-beschikkingen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de schuldenaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04126
Zitting14 december 2023
CONCLUSIE
R.H. de Bock
In de zaak
[de schuldenaar]
advocaat: T.T. van Zanten
tegen
[de bewindvoerder]
niet verschenen

1.Inleiding en samenvatting

Deze zaak gaat over een verzoek van [de schuldenaar] (hierna: de schuldenaar) tot verkorting van de looptijd van zijn traject in het kader van de wettelijke schuldsanering (WSNP). Op het moment van toelating tot de schuldsaneringsregeling bedroeg de reguliere wettelijke looptijd van de WSNP drie jaar. Sinds 1 juli 2023 bedraagt de looptijd van de WSNP anderhalf jaar. De schuldenaar heeft de rechter-commissaris verzocht de looptijd van het traject te verkorten tot anderhalf jaar.
Voor beschikkingen ex art. 315 lid 1 Fw Pro (zoals hier aan de orde) geldt in beginsel een rechtsmiddelenverbod op grond van art. 360 Fw Pro. De termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw Pro gegeven beslissing van de rechtbank, waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw Pro wordt beoogd, bedraagt acht dagen (ECLI:NL:HR:2021:1676). De procesinleiding in de onderhavige procedure is drie dagen na het verstrijken van deze termijn ingediend.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de schuldenaar in zijn cassatieberoep.

2.Feiten en procesverloop

Voor zover in cassatie relevant, kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
2.1
De wettelijke schuldsaneringsregeling is op 10 januari 2023 op de schuldenaar van toepassing verklaard. In deze schuldsaneringsregeling is [de bewindvoerder] , kantoorhoudende te [plaats] , tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).
2.2
De schuldenaar heeft verzocht om de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling op basis van nieuwe wetgeving, die van toepassing is op schuldsaneringsregelingen uitgesproken vanaf 1 juli 2023, te verkorten tot anderhalf jaar. [2]
2.3
Het verzoek van de schuldenaar is behandeld tijdens een verhoor door de rechter-commissaris op 4 juli 2023. Tijdens het verhoor zijn de schuldenaar, vergezeld door zijn advocaat, mr. M.A.A.M. van Brunschot, en de bewindvoerder verschenen.
2.4
De schuldenaar betoogt in zijn verzoekschrift - in hoofdlijnen - als volgt:
- door het feit dat op de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar nog de ‘oude’ wetgeving met een looptijd van drie jaar van toepassing is, terwijl voor schuldsaneringsregelingen die vanaf 1 juli 2023 zijn uitgesproken een looptijd van anderhalf jaar geldt, is er sprake van rechtsongelijkheid;
- de nieuwe wetgeving is in strijd met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in art. 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), art. 14 van Pro het EVRM in verbinding met het Eerste Protocol daarbij, en art. 1 van Pro de Nederlandse Grondwet. Volgens de schuldenaar is er in dit geval sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen;
- het doel van de verkorting van de looptijd is volgens de schuldenaar om de perspectieven op een schuldenvrije toekomst voor personen die zich in een problematische schuldensituatie bevinden, te verbeteren en om de maatschappelijke kosten te beperken oftewel de schuldenproblematiek dient zo snel mogelijk te worden opgelost;
- volgens de schuldenaar volgt uit vaste jurisprudentie dat van verkorting van de looptijd sprake kan zijn indien bijzondere omstandigheden meebrengen dat de belangen van de schuldenaar bij een kortere schuldsaneringsregeling zwaarder moeten wegen dan de belangen van de schuldeisers bij het doorlopen van de verlengde saneringstermijn. Bij die belangafweging dient onder andere de spaarcapaciteit te worden betrokken. Vanaf 1 juni 2023 bedraagt de spaarcapaciteit van de schuldenaar € 522,22 per maand, hetgeen volgens de schuldenaar geen aanzienlijke spaarcapaciteit is. Volgens de schuldenaar bedraagt de uitkering aan concurrente schuldeisers bij een looptijd van drie jaar 7,52 % en bij een looptijd van anderhalf jaar 1,67 %. Volgens de schuldenaar is dit verschil dermate klein dat het belang van de schuldenaar zwaarder dient te wegen dan het belang van de schuldeisers.
2.5
Volgens het verzoekschrift bedroeg de bij bewindvoerder ingediende schuldenlast op 19 juni 2023 € 154.193,49 en bedroeg het boedelsaldo op 19 juni 2023 € 2.584,93. Van dit boedelsaldo is nog geen salaris door de bewindvoerder opgenomen.
2.6
De bewindvoerder heeft verklaard dat nu er geen sprake is van overgangswetgeving, verkorting van de looptijd op grond van de nieuwe wetgeving niet mogelijk is. Voorts heeft de bewindvoerder aangevoerd dat er onder andere in vergelijking met andere schuldsaneringsregelingen een aanzienlijke afloscapaciteit bestaat. Mr. Van Brunschot heeft de verklaring van de bewindvoerder over de afloscapaciteit bevestigd.
2.7
De rechter-commissaris heeft het verzoek om de termijn van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar te verkorten tot anderhalf jaar afgewezen. [3]
2.8
Op 14 juli 2023 heeft mr. M.A.A.M. van Brunschot namens de schuldenaar een verzoekschrift ex art. 315 lid 1 Fw Pro bij de rechtbank ingediend, waarin betrokkene (hoger) beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 11 juli 2023.
2.9
Het beroep is behandeld ter zitting van 28 september 2023, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting zijn de schuldenaar, vergezeld door mr. van Brunschot en mr. T.T. van Zanten, en de bewindvoerder verschenen.
2.1
Bij beschikking van 12 oktober 2023 heeft de rechtbank Overijssel het verzoek tot verkorting van de looptijd van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar afgewezen, en de beschikking van de rechter-commissaris van 11 juli 2023 bekrachtigd. [4]
2.11
De schuldenaar heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. [5]

3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
De schuldenaar heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2023. Dit betreft een beschikking in het kader van een hoger beroep ex art. 315 lid 1 Fw Pro. Deze bepaling luidt:
“Van alle beschikkingen van de rechter-commissaris staat gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank open. De rechtbank beslist na verhoor of behoorlijke oproeping van de belanghebbenden.”
3.2
Art. 360 Fw Pro luidt:
“Tegen de beslissingen van de rechter, ingevolge de bepalingen van deze titel gegeven, staat geen hogere voorziening open, behalve in de gevallen, waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet.”
3.3
Deze bepaling bevat aldus een rechtsmiddelenverbod, zodat als hoofdregel heeft te gelden dat tegen de beschikking van de rechtbank van 12 oktober 2023 in beginsel geen cassatieberoep openstaat.
3.4
Volgens vaste rechtspraak kan een wettelijk rechtsmiddelenverbod in bepaalde gevallen worden doorbroken. Dit geldt ook voor het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw Pro. [6] In de rechtspraak zijn de volgende doorbrekingsgronden erkend: [7]
(i) Het toepassingsbereik van een regel is miskend, doordat de rechter
a. buiten het toepassingsgebied daarvan is getreden, of
b. deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten; of
(ii) Bij de behandeling van de zaak is een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel veronachtzaamd, dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.
3.5
De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. In een arrest uit 2021 heeft de Hoge Raad bepaald dat een cassatieberoep tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw Pro gegeven beslissing van de rechtbank, waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw Pro wordt beoogd, gedurende acht dagen na de uitspraak kan worden ingesteld. [8]
3.6
Het voorgaande brengt mee dat de cassatietermijn in de onderhavige zaak verstreek op vrijdag 20 oktober 2023 (acht dagen na 12 oktober 2023, de dag waarop de bestreden beschikking is gewezen). Vrijdag 20 oktober 2023 is geen dag die is aangewezen als een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet.
3.7
In de onderhavige zaak is het cassatieberoep ingesteld op 23 oktober 2023, derhalve drie dagen nadat de termijn voor het instellen van beroep in cassatie was verstreken. Het cassatieberoep is dus te laat ingesteld. Dit betekent dat de schuldenaar niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van de schuldenaar in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Grotendeels ontleend aan de beschikking van de rechter-commissaris van 11 juli 2023, zie: Rb. Overijssel (zp. Almelo) van 11 juli 2023, C 08/23/1 R, ECLI:NL:RBOVE:2023:2668, en de beschikking van de Rb. Overijssel (zp. Almelo) van 12 oktober 2023, C/08/23/1, ECLI:NL:RBOVE:2023:4012.
2.Verwezen wordt naar de Wet van 10 februari 2023 tot wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,
3.Rb. Overijssel (zp. Almelo) van 11 juli 2023, C 08/23/1 R, ECLI:NL:RBOVE:2023:2668.
4.Rb. Overijssel (zp. Almelo) van 12 oktober 2023, C/08/23/1, ECLI:NL:RBOVE:2023:4012.
5.De procesinleiding is op 23 oktober 2023 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
6.HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3892,
7.Zie hierover o.a.: Van der Wiel (red.),
8.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1676,