ECLI:NL:PHR:2023:1181

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
23/02531
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 5.1.11 SvArt. 81 ROArt. 6 Rechtshulpverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslaglegging op grond van Amerikaanse rechtshulpverzoeken

De zaak betreft een cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2023, waarin het klaagschrift van de klaagster tot opheffing van beslag op goederen, genomen op grond van Amerikaanse rechtshulpverzoeken, ongegrond werd verklaard.

De procedure startte na een doorzoeking op 8 november 2022, waarbij diverse goederen ten laste van de bestuurder van de klaagster in beslag werden genomen op basis van art. 94 Sv Pro. De Amerikaanse autoriteiten hadden om geheimhouding van de rechtshulpverzoeken verzocht, waardoor deze niet aan de verdediging werden verstrekt. De rechtbank oordeelde dat deze geheimhouding niet in strijd was met fair trial en dat het beslagrechtmatig was.

De klaagster voerde drie middelen aan: onbevoegdheid van de rechtbank, onvoldoende motivering met name over dubbele strafbaarheid, en overschrijding van de beslistermijn. De Hoge Raad concludeert dat de relatieve bevoegdheid niet tot cassatie leidt omdat geen belang is gesteld, dat de motivering over dubbele strafbaarheid voldoende is ondanks geheimhouding, en dat de overschrijding van de beslistermijn niet leidt tot nietigheid.

De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan en bevestigt de rechtmatigheid van de beslaglegging en de afwijzing van het klaagschrift.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02531 Br
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [vestigngsplaats],
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Oost-Brabant, heeft bij beschikking van 30 mei 2023 het op grond van art. 552a Sv en art. 5.1.11 Sv ingediende klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder hem op de voet van art. 94 Sv Pro in beslag genomen goederen, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster. M.M. Kuyp en J.L. Baar, beiden advocaat te Laren (Noord-Holland), hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaken 23/02495, 23/02496, 23/02497, 23/02521 en 23/02532 In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

2.Aanleiding en verloop van de procedure

2.1
Op 8 november 2022 heeft er naar aanleiding van een viertal rechtshulpverzoeken van de Amerikaanse autoriteiten op basis van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken [1] (hierna: het Rechtshulpverdrag) een doorzoeking plaatsgevonden op het vestigingsadres van de klaagster in [plaats] en op het woonadres van haarbestuurder [2] in [plaats]. Tijdens deze doorzoeking zijn er ten laste van de bestuurder van de klaagster diverse goederen op de voet van art. 94 lid 1 Sv Pro (om de waarheid aan de dag te brengen) in beslag genomen.
2.2
Voor deze rechtshulpverzoeken hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika om vertrouwelijkheid/geheimhouding gevraagd. Deze rechtshulpverzoeken zijn daarom niet aan de verdediging verstrekt.
2.3
Namens de klaagster is op 24 november 2022 een op art. 5.1.11 Sv jo art. 552a Sv gebaseerd klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de onder haar bestuurder in beslag genomen goederen. Het klaagschrift is op 2 mei 2023 in openbare raadkamer behandeld. De meervoudige raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft op 30 mei 2023 het beklag ongegrond verklaard.
2.4
In het eerste middel wordt geklaagd dat de rechtbank de bestreden beschikking onbevoegd heeft genomen. Het tweede middel is gericht op de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag meer in bijzonder met betrekking tot het vereiste van de dubbele strafbaarheid. Het derde middel komt op tegen het feit dat de rechtbank niet binnen de voorgeschreven termijn heeft beslist op het klaagschrift.
2.5
De beschikking
2.6
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en in dat verband overwogen:

De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.
Niet in geschil is verder dat klaagster op de onderwerpelijke goederen als rechthebbende kan worden beschouwd.
Uit de overgelegde processtukken blijkt dat voornoemde beslaglegging heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een viertal gedane rechtshulpverzoeken door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika d.d. 7 augustus 2020, 23 juni 2022, 13 oktober 2022 en 2 november 2022, waarbij klaagster gemotiveerd wordt aangemerkt als één van de onderzoekssubjecten. Voor deze rechtshulpverzoeken hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika om vertrouwelijkheid / geheimhouding gevraagd, hetgeen volgens de officier van justitie op het moment van behandeling van onderhavig klaagschrift nog steeds aan de orde is. Voor de geheimhouding van deze rechtshulpverzoeken is een uitdrukkelijke grondslag aanwezig in artikel 11 van Pro het toepasselijke Verdrag tussen het. Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 12juni 1981 (hierna: het Rechtshulpverdrag).
Geheimhouding van de inhoud van de desbetreffende rechtshulpverzoeken voor klaagster in deze procedure is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met enige rechtsregel, in het bijzonder niet met het rechtsbeginsel van fair / due process. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat de rechtbank wel kennis heeft genomen van de inhoud van deze rechtshulpverzoeken en de rechtmatigheid hiervan kan en zal beoordelen, alsmede dat de inhoud van de rechtshulpverzoeken niet strekt tot bewijs als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van het Rechtshulpverdrag.
Het verzoek tot verstrekking van de rechtshulpverzoeken of andere nadere stukken aan klaagster en, daarmee samenhangend, aanhouding van de behandeling van het klaagschrift wordt gelet op het bovenstaande afgewezen.
Namens klaagster is gemotiveerd betoogd dat in dit geval niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, zoals opgenomen in artikel 6 van Pro het Rechtshulpverdrag.
Met betrekking tot dit betoog overweegt de rechtbank als volgt.
Bij de beoordeling van dit verweer heeft (ook) in zaken als deze naar het oordeel van de rechtbank als criterium te gelden dat de materiële feiten waarvoor de rechtshulp is verzocht binnen de termen van een Nederlandse strafbaarstelling vallen en dat de relevante Amerikaanse strafbaarstellingen en de relevante Nederlandse strafbaarstellingen in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen.
Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de in de rechtshulpverzoeken omschreven strafbare feiten en op de Nederlandse strafwet, in het bijzonder het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet, aan dit criterium voldaan. Voor een nadere motivering van dit oordeel ziet de rechtbank geen ruimte gelet op de bedongen geheimhouding van de onderliggende rechtshulpverzoeken. Het betoog faalt.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de vier rechtshulpverzoeken ook overigens aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank ziet daarom ook niet in waarom, zoals door klaagster gesteld, sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid.
De rechtbank is voorts van oordeel dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze om voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen in het Amerikaanse onderzoek (vgl. artikel 94, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering).
Voor het geven van een opdracht aan de officier van justitie tot het, kortweg, kopiëren van in beslag genomen gegevens en bescheiden zoals door klaagster in raadkamer verzocht acht de rechtbank geen grond aanwezig. Dit laat onverlet dat klager en de officier van justitie hiervoor buiten de rechtbank om met elkaar in contact kunnen treden.
De rechtbank zal het klaagschrift ongegrond verklaren.”

3.Het eerste middel

3.1
In het eerste middel wordt geklaagd dat de art. 5.1.11 en 552a lid 3 en lid 4 Sv zijn geschonden omdat de rechtbank Oost-Brabant onbevoegd is om te beslissen op het onderhavige beklag.
3.2
Ingevolge art. 5.1.11 lid 1 Sv kan degene bij wie in het kader van een rechtshulpverzoek voorwerpen in beslag zijn genomen binnen 14 dagen na kennisgeving van dit beslag een klaagschrift indienen op grond van art. 552a Sv. Bevoegd is het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd (art. 552a lid 3 Sv). Is een vervolging (nog) niet ingesteld, dan is de rechtbank bevoegd van het arrondissement waarin het voorwerp in beslag is genomen (art. 552a lid 4 Sv). Mocht de vervolging alsnog zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift is begonnen, dan vindt de behandeling plaats bij het in het derde lid bedoelde gerecht (art. 552a lid 4 Sv).
3.3
In deze zaak doet zich de situatie van art. 552a lid 4 Sv voor. De beslaglegging heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een rechtshulpverzoek door de Amerikaanse autoriteiten: van een vervolging (in Nederland) is in deze zaak geen sprake. Dat betekent dat de rechtbank bevoegd is binnen het arrondissement waar de beslaglegging heeft plaatsgevonden. Terecht wordt in de toelichting op het middel gesteld dat nu de beslaglegging in [plaats] en [plaats] heeft plaatsgevonden, [3] de rechtbank Midden-Nederland en niet de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is om het onderhavige beklag te behandelen.
3.4
Tot cassatie hoeft dat naar mijn mening niet te leiden omdat bij de behandeling in de raadkamer van de rechtbank deze relatieve bevoegdheidskwestie niet aan de orde is gesteld en in de schriftuur niet is aangevoerd welk bijzonder belang de klaagster heeft bij de behandeling van het beklag door de rechtbank Midden-Nederland. De regeling van relatieve bevoegdheid biedt een praktische oplossing bij de verdeling van zaken over de gerechten en zorgt ervoor dat in elk geval één gerecht bevoegd is. Verder strekt de regeling tot rechtsbescherming van de verdachte, zoals het beperken van onredelijk lange reistijden om het aanwezigheidsrecht uit te oefenen, het voorkomen van forum shopping door het openbaar ministerie en het waarborgen van een behandeling van de zaak door een onpartijdige en niet vooringenomen rechter. [4] Gesteld noch gebleken is dat in onderhavige zaak hiervan sprake is. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de klaagster op andere wijze tekort is gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
3.5
Dat betekent dat het middel bij gebrek aan belang faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de beslissing van de rechtbank tot ongegrondverklaring niet, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
4.2
De rechtbank heeft bij de beoordeling van het beklag voorop gesteld dat het beklag heeft plaatsgevonden naar aanleiding van vier rechtshulpverzoeken van de Verenigde Staten van Amerika en dat de autoriteiten van dit land om vertrouwelijkheid/geheimhouding hebben gevraagd, hetgeen volgens de officier van justitie op het moment van behandeling van onderhavig klaagschrift nog steeds aan de orde was. Als grondslag voor de geheimhouding van deze rechtshulpverzoeken heeft de rechtbank gewezen op art. 11 van Pro het Rechtshulpverdrag. Vervolgens heeft de rechtbank kort gezegd geoordeeld dat gelet op deze plicht tot geheimhouding het verzoek tot verstrekking van de rechtshulpverzoeken of andere nadere stukken aan klaagster moet worden afgewezen.
4.3
Over dit oordeel wordt in cassatie niet geklaagd. Evenmin wordt geklaagd over de omstandigheid dat de geheimhouding van stukken met zich mee brengt dat de rechtbank met een meer summiere motivering dan gebruikelijk zal moeten volstaan. [5]
4.4
Volgens de stellers van het middel ontbreekt in onderhavige zaak echter “enige vorm van – toetsbare en kenbare – motivering”, meer in het bijzonder met betrekking tot de verwerping van het verweer over de dubbele strafbaarheid. In raadkamer is door de verdediging in dit verband aangevoerd dat in ieder geval van een materiële omschrijving van de feiten sprake moet zijn, of dat de rechtbank in ieder geval tot uitdrukking moet brengen daaraan te hebben getoetst. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten is “in het geheel niet na te gaan op welke wijze de rechtbank is nagegaan of (…) aan het vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan”, aldus de stellers van het middel
4.5
Dit betoog volg ik niet. Hoewel de motivering summier is, heeft de rechtbank gelet op de inhoud van de rechtshulpverzoeken die ook aan de Hoge Raad zijn toegezonden, geoordeeld dat de materiële feiten waarvoor de rechtshulp is verzocht binnen de termen van een Nederlandse strafbaarstelling vallen, in het bijzonder het Wetboek van Strafvordering en de Opiumwet, en dat de relevante Amerikaanse strafbaarstellingen en de relevante Nederlandse strafbaarstellingen in de kern hetzelfde rechtsgoed beschermen. Deze motivering geeft blijk van toepassing van het juiste criterium [6] en is gelet op de inhoud van de (voor de klaagster afgeschermde) rechtshulpverzoeken niet onbegrijpelijk. Ik heb begrip voor de frustratie aan de kant van de klaagster dat er geen zicht is op de aard van de feiten waarvan hij wordt verdacht. Dit is echter inherent aan de plicht tot geheimhouding bij rechtshulpverzoeken als de onderhavige.
4.6
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
In het derde middel wordt geklaagd dat art. 5.1.11 jo art. 552a lid 9 Sv is geschonden omdat de rechtbank niet binnen de voorgeschreven termijn heeft beslist op het klaagschrift, te weten binnen 30 dagen na ontvangst van het klaagschrift.
5.2
Op zichzelf hebben de stellers van het middel een punt, [7] maar de beslistermijn zoals die is opgenomen in art. 552a lid 9 Sv is niet voorzien van een sanctie en kan om die reden niet tot nietigheid van de bestreden beschikking leiden. [8] Evenmin is aangevoerd welke door de beginselen van een behoorlijke procesorde beschermde belangen van de beslagene zouden zijn geschonden en om die reden tot nietigheid van de bestreden beschikking zou moeten leiden. [9]
5.3
Het middel faalt.

6.Conclusie

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Trb. 1981, 188, laatst gewijzigd in 2004 (Trb. 2004, 300), in werking getreden op 1 februari 2010 (Trb. 2010, 8).
2.Te weten: [medeklager] (23/02532). Dit betreft de zaak van één van de met deze zaak samenhangende zaken.
3.Dit volgt uit de Kennisgevingen van inbeslagneming die als bijlagen zijn gehecht aan de bestreden beschikking.
4.Zie in gelijke zin de conclusie Hofstee 6 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:765 onder randnr. 24 (voorafgaand aan HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1910), waarin hij onder meer verwijst naar de conclusie van Meijers voorafgaand aan HR 28 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9778, NJ 1994/738 en de conclusie van Aben van 6 maart 2012 ECLI:NL:PHR:2012:BU6094, randnr. 3.10 (voorafgaand aan HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6094). In deze conclusies gaat het weliswaar om de relatieve bevoegdheid in strafzaken, maar niet valt in te zien waarom dit anders zou moeten zijn voor beklagzaken.
5.Vgl. ook T.M. de Groot en P. van Glabbeek, ‘Het Europees onderzoeksbevel: vergaande Europese samenwerking op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning, NTS 2022, nr. 3., p. 148 (laatste zin, één na laatste alinea) m.b.t. beklag tegen inbeslagname op grond van het Europees onderzoeksbevel waarbij een soortgelijke plicht tot geheimhouding aan de orde kan zijn.
6.Vgl. HR 30 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7564 (m.b.t. art. 552o Sv (oud).
7.Het klaagschrift is op 24 november 2020 bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft ruim 6 maanden later, op 30 mei 2023 op dit klaagschrift beslist.
8.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 197 en 206.
9.Zie over de toepassing van de beginselen van een behoorlijke procesorde in de beklagprocedure HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7369.