Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Aanleiding en verloop van de procedure
De beoordeling
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een klager tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die het klaagschrift tot opheffing van beslag op goederen, genomen op grond van Amerikaanse rechtshulpverzoeken, ongegrond verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat de geheimhouding van de rechtshulpverzoeken gerechtvaardigd was op grond van het Verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten en dat het verweer van de klager over het ontbreken van dubbele strafbaarheid faalde. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank bevoegd was ondanks een relatieve bevoegdheidskwestie en dat de overschrijding van de beslistermijn niet tot nietigheid leidt.
In de cassatie worden drie middelen aangevoerd: onbevoegdheid van de rechtbank, onvoldoende motivering omtrent dubbele strafbaarheid en overschrijding van de beslistermijn. De procureur-generaal concludeert dat deze middelen falen, onder meer omdat de relatieve bevoegdheid niet tijdig is aangevoerd, de motivering voldoende is ondanks geheimhouding en de termijnoverschrijding niet leidt tot nietigheid.
De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep verworpen moet worden met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift tot opheffing van het beslag blijft ongegrond.