Conclusie
1.Overzicht
détournement de pouvoir, het motiverings-beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheids-beginsel. In één zaak (nr. 22/00880) heeft het Hof Den Bosch de tariefverhoging buiten toepassing gelaten wegens strijd met het eigendomsgrondrecht. In de andere twee zaken, waaronder deze, heeft het Hof de gemeentelijke verordening 2020 noch onverbindend geacht, noch buiten toepassing gelaten.
détournement de pouvoiris, nu de rechtsgrond voor de forensenbelasting gevonden moet worden in compensatie voor gebruik van gemeentelijke voorzieningen door niet-ingezetenen. Woningmarktsturing is een ander, daarvan los staand doel. Gegeven echter de ruime bevoegdheid van gemeenten om hun belastingbeleid te bepalen en het feit dat het gebruik van gemeentelijke voorzieningen wel genoemd is, achtte het Hof dit gegeven (net) niet genoeg om
détournement de pouvoiraan te nemen. Het Hof achtte de tariefverhoging evenmin in strijd met andere algemene rechtsbeginselen, zonder zijn toetsing daaraan overigens te specificeren of te expliciteren.
belanghebbendestelt vijf cassatiemiddelen voor:
BNB1973/69 [1] (zie 4.1 hieronder) een basis biedt om ter zake van één en hetzelfde belastbare feit – het op meer dan 90 dagen beschikbaar hebben van een gemeubileerde woning – twee aanslagen op te leggen.
détournement de pouvoirschendt, en ook de motiverings- en zorgvuldigheidsbeginselen, het willekeurverbod, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Elke schending op zichzelf zou mogelijk een terughoudende toets kunnen doorstaan, maar de stapeling van schendingen van algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur noopt er mijn inziens toe de verordening onverbindend te verklaren voor zover zij het tarief van de forensenbelasting ten opzichte van 2019 verhoogt.
BNB1973/69 wel degelijk inhoudt dat naar elke separate maatstaf een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Constaterende dat:
détournement de pouvoir, het willekeurverbod en het evenredigheidsbeginsel. Subsidiair betoogde hij op dezelfde gronden dat de Verordening jegens hem buiten toepassing moet blijven. Hij betoogde ten slotte dat voor één belastbaar feit ten onrechte twee aanslagen zijn opgelegd. In hoger beroep heeft hij bovendien aangevoerd dat hem een individuele en buitensporige last wordt opgelegd in strijd met art. 1 protocol Pro I EVRM (eigendomsgrondrecht).
tweegrondslagen, nl. naar een vast bedrag per gemeubileerde woning en naar een percentage van de WOZ-waarde van de gemeubileerde woning, zodat naar twee verschillende grondslagen wordt geheven en daarom twee aanslagen kunnen worden opgelegd. Gelet op art. 239 Gemeentewet Pro mochten beide aanslagen als twee regels op het aanslagbiljet worden opgelegd.
3.Het geding in cassatie
middel Iheeft het Hof essentiële stellingen onbesproken gelaten die ertoe strekken dat de vaststelling van de Verordening 2020, met name van de tarieven, met als doel woningmarktregulering, van redelijke grond is ontbloot en het willekeurverbod schendt. Voor zover het Hof meent deze stellingen behandeld te hebben met het blote oordeel dat ‘evenmin’ sprake zou zijn van strijd met andere algemene rechtsbeginselen dan het verbod op
détournement de pouvoir, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Uit ‘s hofs oordeel volgt de juistheid van belanghebbendes gemotiveerde stelling dat de gemeente haar bevoegdheid om forensenbelasting te heffen voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor de Gemeentewet die geeft, nl. als instrument voor woningmarktbeïnvloeding. Dat de raad zijdelings ook opmerkte dat forensen gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen, neemt niet weg dat het hoofddoel van de tariefverhoging woningmarktregulering was, zodat zij strijdig blijft met de rechtsgrond van de forensen-belasting. De blote vermelding dat forensen gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen neemt die
détournement de pouvoirniet weg. Het Hof heeft geen inzicht geboden in zijn gedachtegang noch in de afwegingen op grond waarvan hij deze uitwerking heeft aanvaard. Als de rechter
détournement de pouvoirconstateert, dan moet hij het door de wetgever genomen besluit onverbindend verklaren en vernietigen, aldus de belanghebbende.
middel IIheeft het Hof miskend dat woningmarktbeïnvloeding de enige reden is voor de tariefsverhoging. Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan belanghebbendes analyse, met name aan de essentiële relatie tussen het op het amendement van 7 november 2019 gebaseerde besluit tot tariefsverhoging, de motie van 8 november 2018 en het latere amendement van 10 november 2021. Bij dat laatste amendement werd het tarief nogmaals verhoogd. Dat amendement begint met verwijzing naar het amendement van 7 november 2019, de motie van 8 november 2018 en drie constateringen die identiek luiden aan een aantal van de constateringen in het amendement van 7 november 2019. De belanghebbende citeert in zijn hoger beroepschrift een overweging van de raad over de in die constateringen besloten liggende ontwikkeling dat “de gemeente weinig andere mogelijkheden heeft om deze ongewenste ontwikkeling te stoppen of af te remmen” (zie onderdeel 2.12 van de bijlage bij deze conclusie).
BNB2021/86 [10] (zie onderdeel 3.7 van de bijlage). Volgens de belanghebbende is het Hof ook volledig voorbij gegaan aan zijn betoog dat de problemen op de Gulpen-Wittemse woningmarkt mede worden veroorzaakt door beleggers die woningen opkopen en verhuren die helemaal niet in de forensenbelasting worden betrokken. De gemeenteraad heeft verder de gevolgen van zijn besluit niet meegewogen. De belanghebbende betoogt ten slotte dat de rechter
juistin zijn geval, waarin de heffing ingrijpt in zijn leven en fundamentele rechten aan de orde zijn, intensiever had moeten toetsen.
überhauptgeen belastingplicht zou bestaan. Hij acht het onbegrijpelijk dat het Hof aldus vergelijkt met een geval waarin helemaal geen belastingplicht bestaat omdat inziens het bestaan van een individuele en buitensporige last niet moet worden afgezet tegen een situatie waarin géén belastingplicht bestaat maar tegen een situatie waarin belasting-plichtigen in overigens vergelijkbare omstandigheden een
lagerebelasting zijn verschuldigd
4.Beoordeling
BNB1973/69 [11] betrof een belastingplichtige die twee definitieve aanslagen precariorecht ontving. De gemeente ’s-Gravenhage hief destijds precariorecht op het hebben van installaties voor levering van motorbrandstoffen onder, op of boven de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Geheven werd naar een vast bedrag per vast aftappunt en daarnaast naar een bedrag per 100 liter geleverde brandstof. U achtte dat niet in strijd met de wet:
détournement de pouvoirschendt, en ook de motiverings- en zorgvuldigheidsbeginselen, het willekeurverbod, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Elke schending op zichzelf zou mogelijk een terughoudende toets kunnen doorstaan, maar de stapeling van schendingen van algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur – waarbij ook nog komt de combinatie van spanning met democratische basisregels (deze forensenbelasting is een uiteindelijk acht keer zo zware heffing uitsluitend ten laste van een zéér kleine groep (70) niet-stemgerechtigden:
taxation without representation) en de geur van schending van art. 219(2) Gemeentewet (verbod op draagkrachtheffing) - noopt er mijn inziens toe de tariefverhoging niet alleen buiten toepassing te laten in dit geval, maar de verordening onverbindend te verklaren voor zover zij het tarief van de forensenbelasting ten opzichte van 2019 verhoogt.