ECLI:NL:PHR:2023:1231

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
21/04544
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 328 SvArt. 331 SvArt. 315 SvArt. 316 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoek medeplegen witwassen wegens ontbreken bereidheid en onvoldoende onderbouwing

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van witwassen en kreeg een taakstraf opgelegd. Tijdens het hoger beroep werd verzocht om het horen van medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige. Dit verzoek werd door het hof toegewezen en verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van de getuige. Echter, het verhoor heeft niet plaatsgevonden omdat [medeverdachte 1] zich op zijn verschoningsrecht beriep en schriftelijk verklaarde geen verklaring af te leggen.

De verdediging stelde dat [medeverdachte 1] inmiddels bereid was om te verklaren, maar het hof oordeelde dat dit onvoldoende aannemelijk was en dat het verdedigingsbelang niet voldoende was onderbouwd. Het hof wees het getuigenverzoek daarom af. Daarnaast sprak het hof de verdachte vrij van witwassen van bepaalde voorwerpen, waardoor het belang van het horen van deze getuige verder afnam.

In cassatie klaagt de verdediging over de afwijzing van het getuigenverzoek en de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat het verzoek terecht is afgewezen op grond van het ontbreken van bereidheid van de getuige en onvoldoende onderbouwing van het verdedigingsbelang. De overschrijding van de redelijke termijn wordt erkend maar leidt niet tot cassatie. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft het getuigenverzoek terecht afgewezen en de strafoplegging gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04544

Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 18 oktober 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 80 uren taakstraf, subsidiair 40 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van zestien voorwerpen en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van drie voorwerpen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/04540, 21/04541, 21/04426 en 21/04476. In de eerste drie zaken zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 21/04476 is op 7 november 2023 arrest gewezen door Uw Raad.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat de klacht dat hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 1] heeft afgewezen. Voordat ik het middel bespreek geef ik het procesverloop met betrekking tot het getuigenverzoek, een deel van de pleitnota van de raadsman van de verdachte en de in het bestreden arrest opgenomen afwijzende beslissing van het hof op het getuigenverzoek weer.

Procesverloop

5. Namens de verdachte is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 27 maart 2014.
6. De appelschriftuur die op 23 april 2014 blijkens het daarop geplaatste stempel bij de rechtbank Rotterdam is binnengekomen houdt onder meer het volgende in:
‘Cliënt heeft mij uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem dit schriftuur op te stellen en in te dienen. Het hoger beroep richt zich tegen zowel de bewezenverklaring als tegen de straftoemeting.
Het door de verdediging gevoerde bewijsverweer is door de rechtbank verworpen. Teneinde beter zicht te krijgen op de aan cliënt verweten gedragingen en zijn standpunt nader te onderbouwen wenst de verdediging in hoger beroep de navolgende personen als getuige te horen:
(…)
3. [medeverdachte 1] , nadere adresgegevens vermoedelijk te verkrijgen vla zijn raadsman.
Toelichting:
(…)
Ad 2 en 3: Deze getuigen zijn medeverdachten van cliënt en kunnen mogelijk verklaren over de herkomst van de aangetroffen zaken in de woning, over de stortingen van contante geldbedragen op de rekening van cliënt en over het op naam zetten van een auto.’
7. Het openbaar ministerie heeft bij brief van 19 mei 2016 gereageerd op de getuigenverzoeken.
8. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 20 mei 2016 houdt in dat de voorzitter vaststelt ‘dat de betekening in de onderhavige zaak onvolledig is geweest’; het onderzoek wordt vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst.
9. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 15 november 2016 houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter doet mededeling van een binnengekomen appelschriftuur van de raadsman, d.d. 23 april 2014, waarin de raadsman verzoekt de navolgende personen als getuigen te horen:
(…)
3. [medeverdachte 1] .
Voorts doet de voorzitter mededeling van een brief van de advocaat-generaal d.d. 19 mei 2016 inhoudende het standpunt van het Openbaar Ministerie ter zake van de door de raadsvrouw bij appelschriftuur verzochte getuigen. Het. Openbaar Ministerie verzet zich niet tegen het horen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuigen. (…)
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij bij alle verzoeken persisteert. Voorts zegt de raadsman toe om zo mogelijk via zijn cliënt de adressen van bovengenoemde personen te achterhalen en deze aan het hof door te geven.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de verzoeken van de raadsman zullen worden toegewezen. Het gerechtshof zal de behandeling van de zaak te dien einde voor onbepaalde tijd aanhouden. Het hof zal de zaak verwijzen naar de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshof teneinde voornoemde personen als getuigen te horen.
De voorzitter deelt vervolgens mede dat gelet op de toezegging van de raadsman het hof er vanuit gaat dat de raadsman zich inspant om de adressen van de toegewezen getuigen te achterhalen. De voorzitter verzoekt de raadsman zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen twee weken na ontvangst van het proces-verbaal van de terechtzitting, de gegevens aan de griffier door te geven.
(…)
Verwijstde zaak naar het
kabinet van de raadsheer-commissaris bij dit gerechtshofteneinde – na adresverificatie door het Openbaar Ministerie – de volgende personen als getuigen te horen:
(…)
- [medeverdachte 1] ;
stelt de stukken in zoverre in handen van de raadsheer-commissaris;
verzoekt de raadsmanuiterlijk
binnen twee weken na ontvangst van het proces-verbaaladres gegevens bij de griffier ter fine als voormeld aan te leveren;’
10. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van de toenmalig raadsman van [medeverdachte 1] , mr. J. Huibers, van 2 augustus 2017, aan de raadsheer-commissaris. Deze e-mail houdt het volgende in:
‘Met betrekking tot een verhoor in de Verenigde Staten, van mijn cliënt
[medeverdachte 1], op
maandag 14 augustus a.s.vraag ik uw aandacht voor het volgende.
In maart 2015 hebben wij telefonisch en per email overleg gevoerd over een getuigenverhoor van cliënt. Voor de volledigheid zal ik na deze email nog enkele andere berichten van toen aan u doorsturen.
Van cliënt begreep ik dat hij onlangs gedagvaard is om op 14 augustus a.s. een getuigenverklaring af te leggen. Telefonische navraag bij [betrokkene 1] wees mij uit dat cliënt dan gehoord wordt in de zaken tegen [betrokkene 17] en [betrokkene 48] .
In die zaken is het standpunt van cliënt hetzelfde als in 2015.
Op 3 maart 2015 schreef ik u daar over:
"Edelgrootachtbare vrouwe,
In navolging van uw emailbericht van heden en ons telefoongesprek van vanmiddag, informeer ik u hierbij als volgt over het als getuige horen van mijn cliënt[medeverdachte 1] .
In de Yox-zaak heb ik cliënt nagenoeg van meet af aan bijgestaan. Voor wat betreft de beantwoording van vragen heb ik hem steeds geadviseerd om gebruik te maken van zijn zwijgrecht.
Dat advies heeft cliënt ook steeds opgevolgd.
Ter zake een verhoor als getuige heb ik cliënt geadviseerd om gebruik te maken van zijn (m.i. inderdaad integrale) verschoningsrecht.
Dat advies heeft hij bij een eerder verhoor als getuige, op 10 augustus 2012 bij de RC in Rotterdam, ook opgevolgd.
Bij een volgend verhoor zal mijn advies gelijk luiden en zal cliënt opnieuw gebruik maken van zijn verschoningsrecht.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Graag zou ik de concepttekst van de verklaring die u door cliënt zou willen laten ondertekenen nog per email ontvangen.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 49] "
Daarop heeft cliënt een verklaring ondertekend waarin hij aangeeft van zijn verschoningsrecht gebruik te maken en is van een verhoor verder afgezien.
Nu voor de zaken tegen [betrokkene 17] en [betrokkene 48] hetzelfde geldt, stel ik voor om cliënt opnieuw een verklaring te laten ondertekenen en hem niet als getuige te horen.’
11. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘In de strafzaken tegen de verdachten:
Naam : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats]
Wonende te : [plaats]
(…)

De raadsheer-commissaris constateert:

(…)
Op 15 november 2016 heeft het gerechtshof de strafzaak van [verdachte] verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde de volgende getuigen te horen:
(…)
- [medeverdachte 1]
(…)
Uit raadpleging van de GBA-gegevens en de ID-staten SKDB bleek dat geen van de getuigen geregistreerd stond op een Nederland adres.
Omdat uit een ander strafrechtelijk onderzoek naar voren was gekomen dat [medeverdachte 1] woonachtig is op een adres in de Verenigde Staten van Amerika, is in het kader van dat onderzoek op 18 oktober 2016 een rechtshulpverzoek verstuurd aan de Amerikaanse autoriteiten, inhoudende het horen van [medeverdachte 1] als getuige. Naar aanleiding van de toewijzing van [medeverdachte 1] als getuige in het onderhavige onderzoek, is aan de Amerikaanse autoriteiten verzocht om [medeverdachte 1] ook in dit onderzoek als getuige te mogen horen. Het videoverhoor van [medeverdachte 1] is vervolgens op 14 augustus 2017 ingepland. Op 3 augustus 2017 heeft de raadsman van [medeverdachte 1] telefonisch laten weten dat [medeverdachte 1] had aangegeven dat hij gebruik zou gaan maken van zijn verschoningsrecht en dat hij hiervan op voorhand een verklaring wilde ondertekenen. Middels tussenkomst van de Nederlandse Ambassade in Washington heeft [medeverdachte 1] een dergelijke verklaring ondertekend, welke op 14 augustus 2017 door mij is ontvangen en als bijlage aan dit proces-verbaal is gehecht. Het videoverhoor heeft daarom niet plaatsgevonden.’
12. Aan het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris is als bijlage een in de Engelse taal opgestelde en door hem ondertekende verklaring van [medeverdachte 1] van 13 augustus 2017 gehecht. Deze verklaring houdt het volgende in:

Declaration of [medeverdachte 1]
The undersigned, [medeverdachte 1] , born on [geboortedatum] 1974 and having the Portuguese nationality, sentenced to 15 months in prison in the Netherlands with respect to Article 420bis of the Penal Code, Article 2:3a Act on Financial Supervision and Article 3 paragraph 1 Act on Money Transaction Offices, which conviction is not yet irrevocable since both the undersigned and the Public Prosecutor appealed this verdict, and to whom an integral privilege of non-disclosure is entitled, will use this privilege of non-disclosure and for that reason will not answer any questions.’
13. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 9 september 2021 van de advocaat-generaal gericht aan de griffier en aan de raadsman van de verdachte met als onderwerp ‘oproepen getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voor de zitting van 14 september aanstaande om 9:30 (Yox)’. Deze e-mail houdt onder meer het volgende in:
‘Geachte heer Rombouts, geachte griffier,
Vandaag sprak ik telefonisch met de heer Rombouts (advocaat in de zaken tegen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] ).
Op 7 september jongstleden ontving ik het proces-verbaal van het kabinet RHC in verband met de niet-gehoorde getuigen in deze zaak. De heer Rombouts had dit proces-verbaal nog niet ontvangen, maar ik heb hem de strekking daarvan meegedeeld.
De heer Rombouts reageerde daarop verbaasd: hij gaf aan dat het kabinet RHC nooit met hem contact had opgenomen om bijvoorbeeld naar adressen te vragen en ook niet om getuigenverhoren te plannen. Hij gaf ook aan dat [medeverdachte 1] wel degelijk bereid zou zijn om in de zaak tegen [medeverdachte 2] als getuige een verklaring af te leggen. Hij deelde mij ook mede dat hij overweegt om aanhouding van de zaak te vragen om de getuigen alsnog te laten horen.
Ik heb daarop contact opgenomen met de raadsheer-commissaris en gevraagd of er aanvullend proces-verbaal opgemaakt zou kunnen worden (als er iets aanvullends op te merken zou zijn) en ook om verduidelijking gevraagd met betrekking tot de laatste alinea van dit proces-verbaal aangaande het niet doorgaan van het verhoor van [medeverdachte 2] . Ik begreep dat niet helemaal, zeker niet in combinatie met het feit dat [medeverdachte 2] al sinds 2011 in het BRP op hetzelfde adres in [plaats] staat ingeschreven.
Op de aktes van betekening heb ik gezien dat de oproepingen voor de zitting voor zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] door " [betrokkene 53] " op het adres in ontvangst zijn genomen met de toezegging deze aan hen door te geleiden. Ik ga er dan ook vanuit dat deze verdachten op de hoogte zijn van de zitting en dat hun aanwezigheid daarbij gewenst is.
Een en ander heeft mij doen besluiten om de heren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige te doen oproepen op de zitting. Deze oproeping is heden verstuurd aan het bekende adres in [plaats] . Ik ga er vanuit dat beide heren de agenda reeds hebben vrijgehouden of gemaakt om bij de inhoudelijke behandeling van hun zitting aanwezig te zijn. Nu ze op dezelfde dag ook beiden als verdachte zijn opgeroepen moet het geen probleem zijn om op die dag ook als getuige een verklaring af te leggen, zeker wanneer - zoals mr. Rombouts mij verzekerde - men juist graag wil verklaren.’
14. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 13 september 2021. Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
‘In de strafzaken tegen de verdachten:
Naam : [verdachte]
Geboren op : [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats]
Wonende te : [plaats]
(…)

De raadsheer-commissaris constateert:

In aanvulling op het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2021, merk ik het volgende op over de getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
In het kader van een ander strafrechtelijk onderzoek is op 18 oktober 2016 een rechtshulpverzoek gestuurd aan de Amerikaanse autoriteiten, inhoudende het horen van [medeverdachte 1] als getuige. Het contact hierover verliep via de Nederlandse ambassade in Washington. Nadat [medeverdachte 1] ook in het onderhavige onderzoek als getuige was toegewezen, is aan de Nederlandse ambassade verzocht om bij de Amerikaanse autoriteiten na te gaan of daarvoor een apart en/of aanvullend rechtshulpverzoek zou moeten worden opgesteld. Dit bleek niet het geval te zijn en [medeverdachte 1] kon ook in het onderzoek Yox worden gehoord. Vervolgens heeft de toenmalige raadsman van [medeverdachte 1] , mr. J.A. Huibers, blijkens de agenda van het kabinet raadsheer-commissaris op 3 augustus 2017 telefonisch laten weten dat [medeverdachte 1] gebruik wenste te maken van zijn verschoningsrecht en dat hij hiervan een schriftelijke verklaring wilde opstellen. Middels tussenkomst van de Nederlandse ambassade heeft [medeverdachte 1] een dergelijke verklaring ondertekend, welke op 14 augustus 2017 door mij is ontvangen. [medeverdachte 1] is daarom niet als getuige gehoord.’
15. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:

14 september 2021
(…)
Alvorens de advocaat-generaal de zaak voordraagt deelt de raadsman mede dat hij voorafgaand aan de voordracht in de gelegenheid gesteld wil worden een preliminair verweer te voeren, dat hij zich op het standpunt stelt dat de zaak thans niet gereed is voor een inhoudelijke behandeling en in dat verband nog nadere verzoeken heeft, waarbij hij verwijst naar zijn e-mail van 13 september 2021.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
(…)
Er dient ook rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat geen van de toegewezen getuigen is gehoord. Ik heb met verbazing het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 gelezen. Vanaf de verwijzing van de zaak naar de raadsheer-commissaris op 3 juni 2016 is er immers, op één e-mail na waarin werd gevraagd om verhinderdata, niets met mij gecommuniceerd over de verwijzingsopdracht in de onderhavige zaak. Er is dus bijna 5,5 jaar niets gebeurd in deze zaak. Ik heb eerder ook reeds voorgesteld om eerst nogmaals een regiezitting te plannen, omdat er geen uitvoering is gegeven aan de verwijzingsopdracht. Ik heb vorige week contact gehad met de advocaat-generaal om te beproeven wat zij voor ogen had met de zaak. Ik handhaaf het standpunt dat de eerder toegewezen getuigen alsnog gehoord moeten worden. De advocaat-generaal dacht dit te kunnen ondervangen door vandaag [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuigen op te roepen. [medeverdachte 1] is echter kennelijk opgeroepen op het adres [g-straat 1] te [plaats] , terwijl duidelijk is dat hij daar niet woont en er een adres van hem bekend is in de Verenigde Staten. Hij is ook niet ter terechtzitting verschenen. De reeds eerder toegewezen getuigenverzoeken worden aldus nog steeds gehandhaafd.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal mede:
(…) Ik ben het niet eens met de stelling van de raadsman dat er na de verwijzing naar het kabinet RH-C niets is gebeurd. Er zijn immers twee processen-verbaal van de raadsheer-commissaris waaruit blijkt wat er is gebeurd. Dat de toegewezen getuigen niet zijn gehoord, is niet iets waar het openbaar ministerie invloed op heeft. In de onderhavige zaak zijn drie getuigen toegewezen, te weten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 60] .
Gelet op de inhoud van de processen-verbaal van de raadsheer-commissaris is er in 2016 een rechtshulpverzoek verstuurd naar de Verenigde Staten teneinde [medeverdachte 1] als getuige te horen. Ook is duidelijk dat hierover in 2017 is gecommuniceerd en dat [medeverdachte 1] in een schriftelijke verklaring die door hem is ondertekend de dag vóórdat het verhoor was gepland, te kennen heeft gegeven dat hij geen verklaring wenst af te leggen. Het is mij bekend dat het kabinet geen data voor verhoren inplant zonder dat dit is gecommuniceerd met de verdediging en de advocaat-generaal. Ik neem aan dat dit in deze zaak ook zo is gebeurd. Gelet op de vaststelling dat [medeverdachte 1] geen verklaring wenst af te leggen, meen ik dat uitvoering is gegeven aan deze opdracht.
(…)
De raadsman deelt daarop mede:
(…)
Ik ben mijn administratie nagegaan en heb gezien dat er geen communicatie is geweest met betrekking tot het inplannen van verhoren bij de raadsheer-commissaris. Er is over geen enkel getuigenverhoor met mij gesproken, behoudens één verzoek om verhinderdata van de griffier van de raadsheer-commissaris. De opmerking van de advocaat-generaal hierover zou suggereren dat ik iets zeg dat niet klopt, en dat is niet goed.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
(…) Het hof realiseert zich dat de verwijzing naar de raadsheer-commissaris teneinde een drietal getuigen te horen waanzinnig lang heeft geduurd en dat dit geen goede gang van zaken betreft. Het kabinet heeft echter wel meerdere rechtshulpverzoeken verstuurd en geprobeerd de getuigen te horen. Dit heeft geresulteerd in de vaststelling dat [medeverdachte 1] geen verklaring wenst af te leggen (…).
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de raadsman mede:
Zoals ik reeds, weliswaar wat laat voorafgaand voor de zitting, in mijn e-mail van 13 september 2021 heb kenbaar gemaakt, wens ik een aantal eerder afgewezen verzoeken thans te herhalen. In dat verband is van belang om nog het een en ander op te merken over de gang van zaken met betrekking tot de verwijzing naar de raadsheer-commissaris. (…)
Op 3 juni 2016 heeft het hof een aantal onderzoekswensen toegewezen, namelijk het horen van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 60] als getuigen. Vastgesteld kan worden dat het niet is gelukt om die getuigen te horen. De vraag is wat de raadsheer-commissaris hiertoe precies heeft gedaan, wat zij had kunnen doen en wat zij alsnog zou moeten doen. Ik stel nogmaals voorop dat er vanuit het kabinet, op één e-mail na die ik aan het hof zal overleggen, niet met de verdediging is gecommuniceerd. Dat vind ik onbegrijpelijk. In januari 2020 kwam het verzoek van de Verkeerstoren om verhinderdata door te geven in verband met de planning van een inhoudelijke behandeling. Dat verzoek kwam voor mij als een verrassing, omdat er nog geen uitvoering was gegeven aan de verwijzingsbeslissing. Ik heb daarop een e-mail gestuurd en naar aanleiding daarvan heb ik niets meer vernomen. Uiteindelijk is de inhoudelijke behandeling in deze periode gepland. Ik heb begin dit jaar wederom contact opgenomen en aangegeven dat het mijns inziens raadzaam is om eerst een regiezitting te plannen om de stand van zaken te bekijken. Ook daar is niets mee gedaan. Ik moet toegeven dat ik laat ben begonnen met de voorbereiding van deze zittingsdagen, maar in feite is er sinds de regiezitting in mei 2016 niets veranderd.
Zoals gezegd heb ik uiteindelijk contact gezocht met de advocaat-generaal om te beproeven wat voor afronding van de zaak zij voor ogen had. Pas toen werd ik via de advocaat-generaal op de hoogte gesteld van een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris. Dat proces-verbaal heeft mij tot gisteren niet bereikt. Ik heb het enkel via de advocaat-generaal mogen ontvangen, ik geloof dat dat afgelopen vrijdag was. De vraag is of er nog andere correspondentie of processen-verbaal van de raadsheer-commissaris zijn die ik niet heb ontvangen. Dat kan ik niet nagaan. De vraag die ik aan het hof voorleg is of de raadsheer-commissaris wel dat heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar kon worden verlangd. U zult begrijpen dat de verdediging die vraag ontkennend beantwoordt. Indien er contact met mij was opgenomen had ik mogelijk kunnen bemiddelen. Ik zal nu verder per getuige het een en ander naar voren brengen.
Voor de getuige [medeverdachte 1] geldt het volgende. In het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 is te lezen dat er naar aanleiding van een verstuurd rechtshulpverzoek een videoverhoor stond ingepland op 14 augustus 2017, maar dat de raadsman van [medeverdachte 1] heeft laten weten dat [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij gebruik zou gaan maken van zijn verschoningsrecht. Ik stel voorop dat er met mij nooit is gecommuniceerd over een voorgenomen verhoor van [medeverdachte 1] . Verder is nooit gecommuniceerd dat het rechtshulpverzoek zou zien op de onderhavige zaak Yox 2. Integendeel, uit een e-mail van mr. Huibers, de toenmalige raadsman van [medeverdachte 1] , blijkt dat hij in 2017 een e-mail heeft gestuurd en heeft medegedeeld dat [medeverdachte 1] in die zaken niet bereid is om een verklaring af te leggen. Dat betreffen dus andere zaken. Het standpunt van [medeverdachte 1] is altijd geweest dat hij wél bereid is om een verklaring af te leggen in de zaak tegen [verdachte] . Hij is echter eenvoudigweg nooit opgeroepen geweest in deze zaak. Dat de raadsheer-commissaris dan in het aanvullend proces-verbaal van 13 september 2021 heeft getracht dit te pareren door te beschrijven dat een apart en/of aanvullend rechtshulpverzoek niet hoefde te worden opgesteld, is te kort door de bocht. Als er slechts één keer telefonisch contact met mij zou zijn opgenomen dan had hierover uitsluitsel bestaan.
Gelet op deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de raadsheer-commissaris alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mogelijk was om de getuige te horen. Integendeel, er is eigenlijk niets gedaan. Ik stel mij op het standpunt dat dit alsnog moet gebeuren en dat thans niet kan worden gezegd dat de getuige niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. De getuige is woonachtig in de Verenigde Staten. De advocaat-generaal heeft deze getuige voor de zitting van vandaag opgeroepen op een adres waarvan zij weet dat hij daar woont noch verblijft. Het is daarom niet raar dat hij vandaag niet opeens toch is verschenen. Ook al is hij ook als verdachte opgeroepen voor deze zittingsdagen, het is onduidelijk of hij daadwerkelijk bekend is met deze zitting. Ik weet ook niet of hij hiervan op de hoogte is. Ik heb immers geen contact met hem gehad. Ik ben wel gemachtigd ook namens hem de verdediging te voeren, dat is in een eerder stadium al besproken. Ik kan aldus namens hem zeggen dat hij bereid is om een verklaring af te leggen in de zaak van [verdachte] .
(…)
Daarnaast zou ik graag de betekeningsstukken willen ontvangen ten aanzien van [medeverdachte 1] . Mocht het zover komen, dan zal ik mij hierover bij pleidooi ook uitlaten, maar ik acht het ook van belang in het kader van het verzoek om de zaak aan te houden, teneinde [medeverdachte 1] als getuige te horen.
(…)
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal in reactie op de raadsman mede:
Het klopt dat geen van de toegewezen getuigen is gehoord. Ik vraag mij af wat de relevantie is bij de vaststelling welke communicatie er is geweest tussen de raadsman en het kabinet in verband met de beoordeling of de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord. Ik twijfel niet aan de bevindingen van de raadsheer-commissaris zoals gerelateerd in de twee processen-verbaal. Ik acht het niet nodig om de onderliggende stukken aan het dossier toe te voegen, omdat er geen reden is om te twijfelen aan voornoemde processen-verbaal.
De raadsman stelt weliswaar dat [medeverdachte 1] bereid is om als getuige een verklaring af te leggen, maar dat is op geen enkele manier vast te stellen. Ik constateer dat [medeverdachte 1] in het onderzoek Yox een beroep heeft gedaan op zijn zwijgrecht en dat hij ook bij de rechter-commissaris als getuige is gehoord in de zaak tegen [medeverdachte 2] , alwaar hij kenbaar heeft gemaakt niets te willen verklaren. De stelling van de raadsman dat [medeverdachte 1] altijd bereid is geweest om een verklaring af te leggen is dus onjuist. Er zou dan kennelijk thans iets zijn veranderd waardoor hij wel bereid zou zijn, maar onduidelijk is wat er dan is veranderd en dat weet de raadsman dus ook niet want hij heeft geen contact meer gehad met [medeverdachte 1] voorafgaand aan de zitting. Daarnaast speelt een rol dat uit de correspondentie met mr. Huibers blijkt dat [medeverdachte 1] zonder enig voorbehoud een schriftelijke verklaring heeft getekend inhoudende dat hij niet wenst te verklaren. Er is derhalve uitvoering gegeven aan de verwijzingsopdracht en de raadsheer-commissaris heeft daartoe voldoende verricht. Ik zie geen reden om de zaak daartoe aan te houden.
Ik heb in mijn e-mail van 9 september 2021 uitgelegd waarom ik [medeverdachte 1] als getuige heb opgeroepen en waarom ik dat op dat adres heb gedaan. Dit is immers het enige adres waarvan ik dacht dat de oproeping hem op korte termijn zou kunnen bereiken. Het openbaar ministerie was niet op de hoogte van het adres van [medeverdachte 1] in de Verenigde Staten. In het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris van 7 september 2021 is opgenomen dat er kennelijk een adres in de Verenigde Staten is waar [medeverdachte 1] bereikt kon worden. Daar staat echter geen adres in. Dit had het openbaar ministerie wel kunnen nagaan bij het kabinet, maar dat heb ik niet gedaan. Ik heb hem als getuige opgeroepen op het adres waarvan ik wist dat er iemand zou zijn die communicatie aan hem zou doorgeven.
(…)
In reactie op de advocaat-generaal deelt de raadsman mede:
De vraag of het aannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord moet worden beoordeeld naar aanleiding van hetgeen heeft plaatsgevonden. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verhoren alsnog doorgang moeten krijgen. Van de getuigen zijn adressen bekend. Met betrekking tot [medeverdachte 1] geldt dat vlak na het vonnis in eerste aanleg en dus in hoger beroep een andere proceshouding is aangenomen, waardoor hij bereidwillig is om een verklaring af te leggen. Er is dus wel degelijk contact geweest met [medeverdachte 1] ; niet voorafgaand aan de zitting van vandaag, maar wel in een veel eerder stadium, waar dit punt aan de orde is gekomen.
Ik herhaal nogmaals dat er naar mijn weten nooit contact is opgenomen met mr. Huibers met betrekking tot getuigenverhoren in de onderhavige zaak. Dan had hij mij dat immers wel laten weten. Het lijkt mij daarbij uitermate onwaarschijnlijk dat er met mr. Huibers wordt gecommuniceerd over het horen van [medeverdachte 1] als getuige in de onderhavige zaak en niet met mij.
Ik stel vast dat de advocaat-generaal in feite vooruit loopt op de feiten. [medeverdachte 1] heeft via mij aangegeven dat hij een verklaring wenst af te leggen als getuige. Er is een adres van hem bekend. Het belang om hem te horen is reeds door het hof onderkend. Dat afgezet tegen de omstandigheid dat er in de lange periode na de verwijzing niets is gebeurd, brengt mij tot de conclusie dat gemakkelijk geregeld zou kunnen worden dat de verdachte binnen een jaar kan worden gehoord.
Naar aanleiding van de opmerking van de advocaat-generaal dat zij niet bekend was met het adres in de Verenigde Staten, komt bij mij de vraag op wat er dan in de onderliggende stukken van de raadsheer-commissaris staat. Er moet toch ook vóór 7 september jl. verslag zijn gedaan en er moet toch een rechtshulpverzoek aanwezig zijn waarop het adres staat? Ik heb er geen kennis van kunnen nemen, maar veronderstel dat het openbaar ministerie - dat verantwoordelijk is voor de oproepingen - wel inzage heeft in het rechtshulpverzoek. Bovendien kan de advocaat-generaal zich er niet achter verschuilen dat zij niet bekend was met het adres, want zij had hiervan wellicht op de hoogte moeten zijn.
(…)
In reactie daarop deelt de advocaat-generaal mede:
Het adres in de Verenigde Staten van [medeverdachte 1] is niet opgenomen in de SKDB-staat. Hij heeft zelf nooit aangegeven waar de autoriteiten hem kunnen bereiken.
(…)
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij alleen verzoekt om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige op te roepen.
(…)
In verband met de getuigenverzoeken die zijn gedaan in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en de gelegenheid die de advocaat-generaal krijgt om daarop te reageren, wordt het onderzoek in de onderhavige zaak onderbroken tot vrijdag 17 september om 10.00 uur, (…).’
16. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 15 september 2021 van de advocaat-generaal gericht aan de griffier en de raadsman van de verdachte met als onderwerp ‘reactie AG op getuigenverzoeken in de zaak Yox2 tav [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ’. Bij deze e-mail zit een bijlage getiteld ‘reactie getuigenverzoeken september 2021.pdf’.
17. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 17 september 2021 hervat. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:

17 september 2021
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
(…)
Het hof zal de beslissingen op de gedane getuigenverzoeken aanhouden en op de verzoeken beslissen uiterlijk bij arrest, dan wel zoveel eerder als het hof dat aangewezen acht. Het hof wenst verder te gaan met de inhoudelijke behandeling.
De raadsman deelt daarop het volgende mede:
Ik heb mij gerealiseerd dat dit een mogelijkheid zou kunnen zijn, maar ik dacht dat het hof dat toch niet zou doen. Ik vind het een buitengewoon onbevredigende en onwenselijke gang van zaken. Ik heb reeds uitgelegd waarom ik vind dat de zaak niet gereed is voor een inhoudelijke behandeling. Ik ben nu hiertoe niet geëquipeerd. Ik ben het dan ook niet eens met deze gang van zaken. Ik begrijp niet dat het hof een beslissing op de gedane getuigenverzoeken aanhoudt. Ik neem sterk afstand van deze gang van zaken. Dat het hof nu door wil gaan met de inhoudelijke behandeling, gaat ten koste van het belang van mijn cliënt.
Ik verzoek het hof de behandeling voor een korte tijd te schorsen zodat ik mij kan beraden.
(…)
De advocaat-generaal deelt mede:
Sinds afgelopen februari is bekend dat deze zittingsdagen zouden plaatsvinden. De raadsman kon vanaf toen contact opnemen met zijn cliënten om de zaak voor te bereiden. Hij heeft de week voorafgaand aan deze zittingsdagen contact opgenomen met het openbaar ministerie. Ik heb toen uitdrukkelijk gezegd dat ik begrijp dat de verdediging nog verzoeken heeft, maar dat rekening moet worden gehouden met een inhoudelijke behandeling. Daarop bevestigde de raadsman dat hij dat begreep. Ik acht de stelling van de raadsman dat hij nu onvoldoende geëquipeerd is voor een inhoudelijke behandeling geen valide argument.
(…)
De raadsman vervolgt het woord als volgt:
Ik ben het nog steeds hartgrondig oneens met het vooruit schuiven van de beslissingen op de getuigenverzoeken, omdat dit zozeer de inhoudelijke behandeling raakt. Het dossier zal nu besproken worden terwijl cruciale getuigen nog gehoord moeten worden. Ik heb het er echter mee te doen.. Het gaat niet alleen om getuigen die belastend hebben verklaard, maar het gaat ook om getuigen die kunnen verklaren hoe het wél is gegaan. Zij kunnen ontlastend verklaren. Ik neem stellig afstand van de beslissing van het hof om door te gaan met de inhoudelijke behandeling. Ik zal wel aanwezig blijven, maar u hoeft van mij geen actieve inbreng te verwachten.
Wel vraag ik het hof om één beslissing te heroverwegen, omdat dit nodig is voor het schrijven van het pleidooi. Om een standpunt in te nemen of het onaannemelijk is dat de reeds toegewezen getuigen binnen een aanvaardbare termijn kunnen worden gehoord is het mapje van de raadsheer-commissaris van belang. Ik zie niet in wat het bezwaar is als ik hiervan een afschrift ontvang. Ik verzoek het hof daarom terug te komen op deze beslissing.
Ten aanzien van de getuigenverzoeken geef ik het hof nog mee dat wellicht voorafgaand aan het pleidooi een beslissing kan worden genomen op deze verzoeken. Mocht het hof daarvoor bijvoorbeeld vandaag meer tijd nodig hebben dan vind ik dat geen probleem. Ik zie niet in wat er gedurende de inhoudelijke behandeling kan plaatsvinden wat van belang zou kunnen zijn voor een beslissing op die verzoeken.
De voorzitter deelt mede dat het mapje van de raadsheer-commissaris vertrouwelijke informatie tussen landen bevat dat niet bestemd is om verder te verspreiden.
De raadsman deelt daarop mede:
Hoewel ik niet precies begrijp wat er vertrouwelijk is aan die informatie, kan ik mij ook voorstellen dat die delen kunnen worden weggelakt. Het gaat er om dat de verdediging kan toetsen welke pogingen er zijn ondernomen om de getuigen te horen. Ik voel mij nu een soort afgescheept met een tweetal processen-verbaal van de raadsheer-commissaris die een week respectievelijk een dag voor de zitting zijn opgemaakt. Ik vraag het hof om daar over na te denken.
De advocaat-generaal deelt daarop mede:
Ik beschik, ook niet over het mapje van de raadsheer-commissaris en heb ook alleen maar de twee processen-verbaal. Als tussenweg stel ik voor dat de raadsman vragen opstelt die de raadsheer-commissaris kan beantwoorden. Ik begrijp immers wel dat de raadsman vragen heeft en de achterliggende gedachte begrijp ik ook. Ik neem ook aan dat de raadsheer-commissaris zal verklaren als er vragen aan haar worden gesteld.
(…)
De voorzitter stelt de raadsman in de gelegenheid te reageren op het voorstel van de advocaat-generaal. De raadsman deelt mede:
Ik handhaaf het primaire standpunt dat de stukken onderdeel uitmaken van het dossier. Als het daadwerkelijk om redenen van vertrouwelijkheid wordt onthouden dan bestaan er genoeg manieren om dat te ondervangen. Natuurlijk heb ik de vertrouwelijkheid van stukken te waarborgen, dus het onder embargo verstrekken of ter inzage beschikbaar stellen is ook mogelijk. Als het hof dat afwijst, dan wenst de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld om vragen te stellen aan de raadsheer-commissaris.
Ik stel nogmaals aan de orde dat ik het zeer wenselijk zou vinden als het hof al een voorlopige beslissing kan geven op de getuigenverzoeken. Het zou erg jammer zijn als er naar aanleiding van deze inhoudelijke behandeling een tussenarrest wordt gewezen of het eindarrest om deze reden uiteindelijk door de Hoge Raad wordt vernietigd. Dan zal er immers nog meer vertraging ontstaan. Ik verzoek het hof daarom om de beslissing met betrekking tot de getuigenverzoeken te heroverwegen.
(…)
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede:
Met betrekking tot de map van de raadsheer-commissaris is het hof van oordeel dat het rechtshulpverzoek op zich door de verdediging zou kunnen worden ingezien. De overige stukken betreffen diplomatiek verkeer tussen staten en die worden niet aan het dossier toegevoegd. Wel krijgt u de gelegenheid om de vragen die u heeft aan de raadsheer-commissaris op schrift te stellen zodat het hof deze aan haar zal doorgeleiden. Het hof ziet geen reden om de beslissing tot aanhouding van het nemen van beslissingen op de getuigenverzoeken te heroverwegen.’
18. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een e-mail van 20 september 2021, namens de raadsheer-commissaris gericht aan de griffier, de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal. Bij deze e-mail zit een bijlage met als titel ‘Beantwoording vragen mr. Rombouts.pdf’. Deze bijlage houdt onder meer het volgende in:

1. Kunt u bevestigen dat er op geen enkel moment contact is geweest met de verdediging in de zaak [medeverdachte 2] omtrent de uitvoering van de verhoren?
Nee, er is in ieder geval op de volgende data ten minste telefonisch contact geweest met u en/of uw kantoor: 1 juni 2017, 3 augustus 2017, 13 augustus 2017, 20 februari 2021 en 13 april 2021. De genoemde contacten waren telkens telefonisch en het contact werd telkens opgenomen dan wel beantwoord door de griffier in deze zaak, [betrokkene 54] .
2. Zo ja, is daar een bijzondere reden voor?
Zie het antwoord op vraag 1.
3. Zo nee, wanneer en hoe heeft dat contact dan plaatsgevonden? Ik zie noch in mijn tijdschrijfformulieren, noch in mijn mail enige aanwijzing daarvoor en ik kan mij evenmin herinneren dat wij daarover ooit contact hebben gehad.
Zie het antwoord op vraag 1.
4. Zijn er naast de 2 eerder genoemde processen-verbaal stukken onder uw verantwoordelijkheid opgemaakt met betrekking tot de verwijzing?
Ja, namelijk een rechtshulpverzoek aan Groot-Brittannië en Portugal.
5. Zo ja, zijn deze conform het Landelijk Strafprocesreglement (art. 4.1.9) verstrekt aan het openbaar ministerie en de advocaat van de verdachte(n)? Indien dit niet is gebeurd, wat is daarvoor de reden?
Nee, rechtshulpverzoeken worden niet verstrekt in het kader van de interstatelijke vertrouwelijkheid.
6. Is er vanuit uw kabinet op enig moment contact geweest met de toenmalig raadsman van [medeverdachte 1] omtrent het verhoor van zijn cliënt in de zaken tegen de medeverdachten in de zaak Yox 2, te weten de heren [medeverdachte 2] en [verdachte] ? Voor de goede orde: ik doel daarmee niet op het contact omtrent het verhoor van [medeverdachte 1] in een andere strafzaak. Mijn vraag gaat erom of er contact is geweest over een verhoor in deze strafzaak.
Er heeft telefonisch contact plaatsgevonden met mr. Huibers op 3 augustus 2017, waarin hij aangaf dat zijn cliënt zich op zijn verschoningsrecht zou gaan beroepen, dat hij daarover een schriftelijke verklaring wenste te tekenen, waarna daarover telefonisch contact is opgenomen met de ambassade in Washington. Afgezien van een vermelding van deze gang van zaken in de agenda van het kabinet raadsheer-commissaris, zie bijgevoegde uitdraai daarvan, is daarover niets schriftelijk vastgelegd.
7. Meer in het bijzonder: is de toenmalig raadsman van [medeverdachte 1] geïnformeerd dat het verhoor van zijn cliënt ook zou zien op een verhoor als getuige in de zaak Yox 2? Zo ja, hoe heeft die communicatie plaatsgevonden en is daar op enigerlei wijze verslaglegging van beschikbaar? Zo nee, waarom is dat niet gecommuniceerd?
Zie antwoord op vraag 6.‘
19. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens op 21 september 2021 hervat. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14, 17, 21 en 23 september 2021 en 4 oktober 2021 houdt onder meer het volgende in:

21 september 2021
(…)
De voorzitter deelt mede dat het hof gisteren de op schrift gestelde antwoorden op de vragen van de raadsman heeft ontvangen van de raadsheer-commissaris, in aanvulling op de eerder door het kabinet verstrekte processen-verbaal van 7 resp. 13 september 2021.
(…)

23.september 2021

(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.
(…)
De raadsman krijgt de gelegenheid tot dupliek en deelt daarop mede:
Ik persisteer bij het standpunt dat niet is gebleken dat [medeverdachte 1] ook in de onderhavige zaak een beroep heeft gedaan op zijn verschoningsrecht bij een verhoor als getuige.’
20. De pleitnota houdt onder meer het volgende in:
‘HERHAALD VERZOEK TOT AANHOUDING EN HET HOREN VAN GETUIGEN
Ik heb er geen geheim van gemaakt dat het mij ten zeerste heeft verbaasd dat de onderhavige zaken thans tot een inhoudelijke afronding lijken te komen.
Hoewel er van een echte inhoudelijke behandeling weinig sprake lijkt. Er zijn niet minder dan 5 zittingsdagen voor de zaak uitgetrokken, terwijl het bespreken van de feiten nog geen minuut heeft geduurd.
Het heeft er alle schijn van dat uw hof de zaken coûte que coûte wenst af te ronden en ik kan dat gelet op het verloop van de procedure in hoger beroep maar moeilijk plaatsen. Ik acht het van belang om het verloop van de procedure in hoger beroep nog eens op een rij te zetten.
Op 27 maart 2014 is door de rechtbank vonnis gewezen. Daartegen is op 10 april 2014 hoger beroep ingesteld. Binnen de daarvoor gestelde termijn is een appelschriftuur ingediend, inhoudende – onder meer – het verzoek om 38 getuigen te horen (in de zaak tegen [verdachte] ging het om 3 getuigen). In het schriftuur is tevens aangegeven dat de verdediging zich niet kan verenigen met de bewezenverklaring.
Daarna was het lange tijd stil. Pas ruim 2 jaar later (op 20 mei 2016) is er een regiezitting gepland, waarop de onderzoekswensen van de verdediging zijn besproken.
Het grootste gedeelte van de gedane verzoeken is afgewezen. Daarbij is een motivering gehanteerd die gelet op de nadien gewezen Keskin-jurisprudentie niet houdbaar lijkt. Ik kom daar zo nog op terug.
Maar er is ook een aantal verzoeken toegewezen. (…) Ook zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige toegewezen in de zaak tegen [verdachte] .
Teneinde aan de verwijzingsbeslissing gevolg te geven is de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris. De verdediging heeft sindsdien niets meer vernomen over de zaak, met uitzondering van één verzoek van de griffier van de raadsheer-commissaris om verhinderdata door te geven. Die verhinderdata zijn doorgegeven, maar daarna werd het weer stil. Uw hof heeft mij op de zitting van 17 september in de gelegenheid gesteld een aantal schriftelijke vragen aan de raadsheer-commissaris te stellen. Naar aanleiding van een van die vragen, heeft de raadsheer-commissaris een aantal data genoemd waarop er contact zou zijn geweest met mij of met mijn kantoor. Die contacten zouden telefonisch zijn geweest en telkens zijn gelegd door de griffier.
Ik moet u zeggen dat ik een behoorlijk nauwgezette administratie van de door mij gewerkte tijd bijhoudt. Ik heb op geen van de genoemde data werkzaamheden in de zaak geregistreerd staan. Mogelijk dat die contacten zijn blijven steken in een poging contact te krijgen of dat die contacten zagen op contact met mijn voormalig kantoorgenoot mr. Huibers, de raadsman van [medeverdachte 1] . De genoemde data in juni en augustus 2017 doen dat in elk geval wel vermoeden.
Ik kan mij geen ander contact herinneren dan een eenmalig verzoek om verhinderdata. Overigens is er in elk geval geen contact vastgelegd en blijft ook in het ongewisse waarover die contacten dan zouden zijn gegaan.
Wat daar verder ook van zij, ik heb pas weer iets vernomen omtrent de zaak toen er bericht van de verkeerstoren kwam met het verzoek om verhinderdata voor het inplannen van de zaak voor een inhoudelijke behandeling. Ik heb toen aangegeven dat de zaak wat mij betreft nog niet klaar was voor inhoudelijke behandeling, omdat er bij mijn weten nog helemaal niets was gedaan met de verwijzingsbeslissing. Ik heb daarop ook direct schriftelijk gereageerd, welke correspondentie ik uw hof op de eerste zittingsdag heb overgelegd.
Mijn opmerkingen hebben niet geleid tot bijvoorbeeld het inplannen van een korte regiezitting, maar de zaken zijn inhoudelijk gepland.
In de week voorafgaand aan de eerste zittingsdag had ik contact met de advocaat-generaal. Ik had dit contact gezocht om te beproeven op welke wijze zij de afdoening van de zaken voorstond. De advocaat-generaal vertelde mij dat ze – in elk geval in de zaak tegen [medeverdachte 2] – nog voornemens was om een straf te eisen die erop neer zou komen dat hij nog terug de gevangenis in zou moeten.
Pas toen ik gewag maakte van het feit dat ik nooit iets omtrent de verwijzing had vernomen, wees zij mij op een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris d.d. 7 september jl. Dat proces-verbaal heb ik niet vanuit het kabinet RHC ontvangen, maar de advocaat-generaal heeft het mij 2 werkdagen voorafgaand aan de eerste zittingsdag doen toekomen.
Ook deelde ze mij op eenzelfde korte termijn mede dat zij de heren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als getuige tegen de zitting zou oproepen.
Ik bespreek eerst maar eens de getuige [medeverdachte 1] , die gehoord diende te worden in de zaken tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] . De oproeping als getuige voor de zitting is verzonden aan een adres in [plaats] , een adres waarvan we – zoals al eerder besproken – zeker weten dat hij daar niet verblijft. Dat die oproeping tamelijk zinloos is gebleken wekt dan ook weinig verbazing.
De vraag die nu voorligt is of [medeverdachte 1] niet alsnog als getuige gehoord dient te worden. De raadsheer-commissaris heeft in de door haar opgemaakte processen-verbaal van bevindingen gerelateerd dat [medeverdachte 1] niet als getuige gehoord is, omdat hij heeft aangegeven niet gehoord te willen worden en zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen.
Zoals ik op de zitting van 14 september al heb aangegeven heeft die mededeling mij zeer verbaasd. Met mij als raadsman van de heren [medeverdachte 2] en [verdachte] is op geen enkel moment ook maar iets gecommuniceerd omtrent de verhoren. [medeverdachte 1] werd tot begin van dit jaar bijgestaan door mijn voormalig kantoorgenoot mr. Huibers. Na zijn vertrek uit de advocatuur heeft hij de zaak om efficiency redenen aan mij overgedragen. Ook heeft hij mij overgedragen wat er aan communicatie tussen hem (als raadsman van [medeverdachte 1] ) en de raadsheer-commissaris had plaatsgevonden. En ook die communicatie is zeer beperkt.
Ook met mr. Huibers is geen enkele communicatie geweest over verhoren in de zaak tegen zijn cliënt. Wel is er met hem gecommuniceerd dat [medeverdachte 1] als getuige gehoord diende te worden in een andere zaak. In die zaak heeft de getuige aangegeven niet aan een verhoor te willen meewerken.
Zonder enig overleg met de raadsman van [medeverdachte 1] , of de raadsman van [medeverdachte 2] of die van [verdachte] , heeft de raadsheer-commissaris besloten dat het verhoor dat in augustus 2017 stond gepland, dan ook op de zaak Yox 2 betrekking zou hebben. En zij heeft, in het verlengde daarvan, bedacht dat de procespositie van de getuige dan ook wel hetzelfde zou zijn.
Maar dat is niet zo. Hem is nooit gevraagd of dat zo was en zijn raadsman is daar evenmin naar gevraagd. [medeverdachte 1] was en is bereid om als getuige medewerking te verlenen aan een verhoor in de zaken tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] .
Ik heb de raadsheer-commissaris eerder deze week gevraagd of er contact met mr. Huibers is geweest aangaande een verhoor in deze zaak, de zaak Yox 2, waar [medeverdachte 1] gehoord diende te worden als getuige in de zaken tegen [medeverdachte 2] en [verdachte] . Die vraag (meer in het bijzonder vraag 7 uit mijn email van 20 september jl.) is echter niet beantwoord door de raadsheer-commissaris. Zij heeft slechts verwezen naar een contact met de raadsman van [medeverdachte 1] n.a.v. een verzoek hem in een andere zaak als getuige te horen. Ik heb de correspondentie dienaangaande op de zitting van 14 september al ingebracht, maar ik zal de betreffende mail voor alle zekerheid nog eens aan deze pleitaantekeningen hechten. Daaruit blijkt zonneklaar dat het verhoor waarvan [medeverdachte 1] heeft gezegd daar geen medewerking aan te willen verlenen, zag op andere strafzaken dan de onderhavige.
Bij die stand van zaken kan toch niet worden volgehouden dat alles is geprobeerd om hem als getuige gehoord te krijgen. Sterker nog, er is hoegenaamd niets geprobeerd. Ik meen daarom dat zijn verhoor alsnog zal dienen plaats te vinden.
De vraag die daarbij natuurlijk moet worden beantwoord is of dat binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen lukken. Mijn stelling is dat die vraag bevestigend beantwoord dient te worden. Er is een adres van de getuige bekend en de lijnen met de Amerikaanse autoriteiten zijn kort. Sterker nog, de contacten waren destijds reeds gelegd.
Als ik dan kijk naar het procesverloop, waarin grote perioden van inactiviteit bij het openbaar ministerie en de raadsheer-commissaris zijn vast te stellen, dan kan het toch niet zo zijn dat deze getuige, waarvan het belang door uw hof reeds was onderkend, nu helemaal niet gehoord gaat worden. Ik persisteer derhalve bij het verzoek om deze getuige alsnog te horen.
(…)
Tussenconclusie ten aanzien van de 4 eerder toegewezen getuigen
Ik kom tot een afronding van de bespreking van de 4 al eerder toegewezen getuigen. Ze hebben met elkaar gemeen dat het verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen niet ter discussie staat. Openbaar Ministerie en verdediging, maar ook uw hof hebben dat belang onderkend. Het belang bij het horen van deze getuigen is onverkort aanwezig.
We kunnen vaststellen dat de getuigen niet zijn gehoord. Ik ben van mening dat de inspanningen die daartoe door de raadsheer-commissaris getroost volstrekt onvoldoende zijn geweest. Dat de zaak zo lang is blijven liggen kan toch moeilijk aan de verdediging worden tegengeworpen. Dat zou een rol moeten spelen bij de beoordeling van de vraag of het aannemelijk is dat de getuigen alsnog gehoord kunnen worden. Wat mij betreft zou uw hof niet tot de vaststelling mogen komen dat dat zo is. Vooral ook niet omdat van alle getuigen adressen bekend zijn en voor zover er contacten met buitenlandse autoriteiten gelegd dienen te worden, speelt een rol dat de lijnen daartoe reeds zijn uitgezet.’
21. Het hof heeft de getuigenverzoeken van de verdediging afgewezen. Het arrest houdt wat dat betreft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende in:

(Getuigen)verzoeken en in verband daarmee het verzoek tot aanhouding van de zaak
Ter terechtzitting in hoger beroep van 14 september 2021 - en herhaald bij pleidooi op 23 september 2021 - heeft de raadsman opnieuw verzocht om drie, reeds eerder bij appelschriftuur verzochte getuigen te horen. Dit betreffen de getuigen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 60] .
Het hof heeft bij tussenbeslissing van 15 november 2016 het verzoek tot het horen van voornoemde getuigen toegewezen en de stukken in zoverre in handen van de raadsheer-commissaris (hierna ook wel: ‘RH-C’) gesteld. Als algemeen beoordelingskader hanteert het hof de “post-Keskin" jurisprudentie van de Hoge Raad.
[medeverdachte 1]
, die een adres in de Verenigde Staten bleek te hebben, is niet gehoord door de RH-C. In het dossier (van de RH-C) bevindt zich een in de Engelse taal gestelde en door [medeverdachte 1] op 13 augustus 2017 ondertekende verklaring, inhoudende dat hij wegens - kort gezegd - witwassen in Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk is, aangezien zowel hij als de officier van justitie hiertegen hoger beroep hebben ingesteld, dat hem daarom een integraal verschoningsrecht toekomt en dat hij daarvan gebruik wil maken en om die reden op geen enkele vraag antwoord zal geven.
[medeverdachte 1] is uitsluitend in de onderhavige strafzaak "Yox 2" - als medeverdachte van [verdachte] - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. Naar het oordeel van het hof kan de op 13 augustus 2017 door [medeverdachte 1] ondertekende verklaring uitsluitend betrekking hebben op het in de onderhavige strafzaak toegewezen verzoek om hem, [medeverdachte 1] , in de onderhavige strafzaak Yox 2 als getuige te horen. Het hof acht voorts aannemelijk dat op 3 augustus en 13 augustus 2017 hierover contact is geweest tussen het kabinet van de RH-C en de toenmalige advocaat van [medeverdachte 1] . Al hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan hieraan geen afbreuk doen.
Aan [medeverdachte 1] kwam en komt een verschoningsrecht toe als medeverdachte in dezelfde zaak. Het hof is van oordeel dat de RH-C op goede gronden heeft aangenomen dat het niet mogelijk was om de toegewezen getuige [medeverdachte 1] inhoudelijk te horen.
De enkele mededeling van de raadsman ter terechtzitting dat [medeverdachte 1] , die inmiddels door hem wordt bijgestaan, thans wel bereid zou zijn om een getuigenverklaring af te leggen is voor het hof onvoldoende om aannemelijk te achten dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk bereid is om een verklaring af te leggen, maar is, ook afgezien daarvan, geen reden om (nota bene in dit stadium) opnieuw te proberen/te gelasten hem te horen, en de zaak daartoe aan te houden.
Al dan niet ten overvloede voegt het hof hieraan toe dat [medeverdachte 1] bij de politie geen enkele verklaring heeft afgelegd als verdachte in zijn eigen zaak (of anderszins), en dus ook niet belastend heeft verklaard over de verdachte. Van een getuige à charge is geen sprake.
In de appelschriftuur heeft de verdediging aan het verzoek om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als getuigen te horen ten grondslag gelegd: 'Deze getuigen zijn medeverdachten van cliënt en kunnen mogelijk verklaren over de herkomst van de aangetroffen zaken in de woning, over de stortingen van contante geldbedragen op de rekening van cliënt en over het op naam zetten van een auto.’ Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging niet materieel ingegaan op hetgeen [medeverdachte 1] ontlastend voor de verdachte zou kunnen verklaren.
Nu het hof de verdachte integraal vrijspreekt van het witwassen van de in de door de verdachte gehuurde en bewoonde woning aangetroffen voorwerpen, zoals de telefoons en meerdere geldbedragen (in enveloppen en geprepareerde spijkerbroeken) is, naar het oordeel van het hof, aan het horen van [medeverdachte 1] voor de verdachte elk verdedigingsbelang ontvallen.
De verdediging heeft immers op geen enkele wijze, althans volstrekt ontoereikend, gesteld of gespecificeerd, laat staan onderbouwd, waarom [medeverdachte 1] overigens als getuige à décharge zou moeten worden gehoord en wat hij ontlastend voor de verdachte zou kunnen verklaren, anders dan met de stelling dat nu deze getuige was toegewezen, daarmee het verdedigingsbelang is gegeven. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet horen van [medeverdachte 1] , acht dit zelf evenmin noodzakelijk en zal daarom niet opnieuw proberen/gelasten hem te horen.’

Bespreking van het eerste middel

22. Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek tot het horen van de getuige [medeverdachte 1] heeft afgewezen. Aangevoerd wordt dat het onjuist en onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de raadsheer-commissaris heeft geprobeerd de getuige in de onderhavige zaak te horen. Uit de door de raadsman overgelegde correspondentie zou volgen dat de getuige alleen in andere strafzaken als getuige was opgeroepen en heeft aangekondigd zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen. Bovendien zou het hof vooruit zijn gelopen op het feit dat de getuige waarschijnlijk niet zal willen verklaren, zelfs niet nadat zijn raadsman heeft aangegeven dat hij dit wel zou willen. Ten slotte zou het hof het verdedigingsbelang dat eerst nog was onderkend door zowel het hof als het openbaar ministerie, hebben gerelativeerd.
23. De verdediging heeft in de appelschriftuur van 23 april 2014 verzocht [medeverdachte 1] als getuige te horen en dit verzoek op de terechtzitting van 15 november 2016 herhaald. Op diezelfde terechtzitting heeft het hof dit getuigenverzoek toegewezen en de zaak naar de raadsheer-commissaris verwezen teneinde (onder meer) deze getuige te horen. Dat getuigenverhoor heeft geen doorgang gevonden. Nadien heeft de raadsman tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 september 2021 en bij pleidooi opnieuw verzocht [medeverdachte 1] als getuige te horen. Dat verzoek is in het bestreden arrest afgewezen. Naar ik begrijp richt het middel zich tegen die afwijzing.
24. Het verzoek dat de raadsman bij pleidooi heeft gedaan is een verzoek uit hoofde van art. 328 jo Pro. art. 331, eerste lid, Sv om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 315, eerste lid, dan wel art. 316, eerste lid, Sv. Deze artikelen zijn in hoger beroep van toepassing ingevolge art. 415, eerste lid, Sv. Maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium. Het hof heeft het verzoek afgewezen op twee gronden: het ontbreken van bereidheid bij [medeverdachte 1] om daadwerkelijk een verklaring af te leggen en het ontbreken van een onderbouwing waarom [medeverdachte 1] als getuige à decharge zou moeten worden gehoord. Het hof concludeert op basis van de tweede grond expliciet dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt door het niet horen van [medeverdachte 1] . Ik begrijp dat ook de eerste grond naar ’s hofs oordeel die conclusie rechtvaardigt. [1] In de vaststelling dat het verdedigingsbelang ontbreekt, ligt besloten dat het hof het verhoor niet noodzakelijk heeft kunnen oordelen. [2]
25. Het hof leidt het ontbreken van bereidheid bij [medeverdachte 1] om daadwerkelijk een verklaring af te leggen – zo begrijp ik - af uit een proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2021 van de raadsheer-commissaris. Daarin is vermeld dat via de autoriteiten van de Verenigde Staten, waar de getuige woonachtig is, een getuigenverhoor was ingepland op 14 augustus 2017. De (toenmalig) raadsman van de getuige heeft op 3 augustus 2017 telefonisch laten weten dat de getuige had aangegeven dat hij gebruik zou gaan maken van zijn verschoningsrecht. Een door de getuige ondertekende verklaring met die strekking is op 14 augustus 2017 door de raadsheer-commissaris ontvangen.
26. Uit de zich in het dossier bevindende correspondentie blijkt dat het getuigenverhoor was gepland in de zaken tegen [betrokkene 17] en [betrokkene 48] – en dus niet in de zaak tegen de verdachte – maar dat de toenmalig raadsman van de getuige in een e-mail van 2 augustus 2017 aan de raadsheer-commissaris verwees naar het standpunt van de getuige uit 2015. Dat standpunt hield onder meer in dat de raadsman de getuige in de ‘Yox-zaak’ steeds heeft geadviseerd om gebruik te maken van zijn zwijgrecht, en dat hij hem ter zake van een verhoor als getuige heeft ‘geadviseerd om gebruik te maken van zijn (m.i. inderdaad integrale) verschoningsrecht’. Het standpunt uit 2015 hield voorts in dat de getuige dat advies ‘bij een eerder verhoor als getuige, op 10 augustus 2012 bij de RC in Rotterdam’, ook heeft opgevolgd, dat het advies bij een volgend verhoor gelijk zal luiden en dat de getuige opnieuw gebruik zal maken van zijn verschoningsrecht. In de e-mail van 2 augustus 2017 is voorgesteld om nu ‘voor de zaken [betrokkene 17] en [betrokkene 48] hetzelfde geldt’ [medeverdachte 1] ‘opnieuw een verklaring te laten ondertekenen en hem niet als getuige te horen’. Uit de in de Engelse taal opgestelde, op 13 augustus 2017 ondertekende verklaring van de getuige kan worden opgemaakt dat hij in Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden voor overtreding van (onder meer) artikel 420bis Sr, dat die veroordeling nog niet onherroepelijk is en dat hij daarom gebruik zal maken van zijn verschoningsrecht. Het hof stelt vast dat de getuige uitsluitend in de onderhavige strafzaak tot een dergelijke gevangenisstraf is veroordeeld. En dat het kabinet van de raadsheer-commissaris en de toenmalige raadsman van [medeverdachte 1] op 3 augustus 2017 en 13 augustus 2017 contact hebben gehad over de ondertekende verklaring.
27. Hoewel uit het dossier niet blijkt dat de raadsheer-commissaris ook in de zaak van de verdachte een verhoor van de getuige had ingepland, meen ik dat het hof op grond van een en ander niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de raadsheer-commissaris op goede gronden heeft aangenomen dat het niet mogelijk was om de toegewezen getuige [medeverdachte 1] inhoudelijk te horen. Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, faalt het.
28. De raadsman van de verdachte geeft op de terechtzitting van 14 september 2021 aan dat de getuige, die inmiddels ook door hem wordt bijgestaan, wél bereid zou zijn om een verklaring af te leggen in de zaak van de verdachte. Het hof acht die enkele mededeling evenwel onvoldoende om aannemelijk te achten ‘dat [medeverdachte 1] daadwerkelijk bereid is om een verklaring af te leggen’. Ook dat feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk. [3] Ik neem daarbij in aanmerking dat de vorige raadsman van [medeverdachte 1] bij de eerdere weigering om te verklaren heeft gewezen op een eerder verhoor, waarin de getuige op zijn advies gebruik had gemaakt van zijn verschoningsrecht, dat de veroordeling in de strafzaak van [medeverdachte 1] ten tijde van de berechting van de verdachte nog steeds niet onherroepelijk was en dat de raadsman geen indicatie heeft gegeven van onderwerpen waar [medeverdachte 1] over zou willen verklaren dan wel van de inhoud van die af te leggen verklaring. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte vooruit zou zijn gelopen op de te verwachten resultaten van het verhoor van [medeverdachte 1] , faalt het derhalve eveneens.
29. Voor zover de klacht tegen de tweede grond die aan de afwijzing ten grondslag ligt ervanuit gaat dat het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek gebonden was door de eerdere toewijzing, in die zin dat het verdedigingsbelang daardoor zou vaststaan, berust het middel op een onjuiste rechtsopvatting. [4] Voor zover deze klacht meer in het algemeen ziet op de begrijpelijkheid van het oordeel dat door de verdediging ontoereikend is onderbouwd waarom [medeverdachte 1] als getuige moet worden gehoord, merk ik het volgende op.
30. Het hof heeft overwogen dat [medeverdachte 1] geen belastende verklaring over de verdachte heeft afgelegd. En dat aan het horen van [medeverdachte 1] elk verdedigingsbelang is ontvallen nu het hof de verdachte integraal vrijspreekt van het ‘witwassen van de in de door de verdachte gehuurde en bewoonde woning aangetroffen voorwerpen, zoals de telefoons en meerdere geldbedragen (in enveloppen en geprepareerde spijkerbroeken)’. Bij die overweging kan de kanttekening worden gemaakt dat de verdachte wel is veroordeeld wegens medeplegen van het voorhanden hebben en overdragen van een geldbedrag alsmede het verhullen wie de rechthebbende was van een Kia Sorento. De appelschriftuur heeft ook ‘stortingen van contante geldbedragen op de rekening’ van de verdachte alsmede ‘het op naam zetten van een auto’ genoemd als onderwerpen waarover [medeverdachte 1] en een andere getuige ‘mogelijk’ kunnen verklaren. Noch in de appelschriftuur, noch nadien is evenwel toegelicht waarom de verklaring die [medeverdachte 1] ‘mogelijk’ zou kunnen afleggen over deze punten van belang zou kunnen zijn voor in de strafzaak te nemen beslissingen. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 14 september 2021 heeft de raadsman slechts aangevoerd dat het belang om deze getuige te horen reeds door het hof was onderkend.
31. Een en ander in aanmerking genomen meen ik dat ’s hofs oordeel dat de verdediging ontoereikend heeft onderbouwd waarom [medeverdachte 1] als getuige à décharge zou moeten worden gehoord en wat hij ontlastend voor de verdachte zou kunnen verklaren niet onbegrijpelijk is. [5]
32. Daarmee falen de klachten tegen de beide gronden die ’s hofs afwijzing van het getuigenverzoek zelfstandig dragen. Het oordeel van het hof dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet geschaad wordt in zijn verdediging door het niet horen van [medeverdachte 1] is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
33. Het eerste middel faalt.

Bespreking van het tweede middel

34. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.
35. Namens de verdachte is op 1 november 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 mei 2023 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de termijn van acht maanden met meer dan tien maanden is overschreden. Daarover klaagt het middel terecht. Dit hoeft echter niet te leiden tot strafvermindering. Gelet op de duur van de aan de verdachte opgelegde taakstraf kan worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. [6]
36. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Afronding

37. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van cassatieberoep zijn verstreken. Ook wat dat betreft kan evenwel worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
38. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het geval waarin het hof op grond van feiten en omstandigheden vaststelt dat redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat de getuige iets zal verklaren over punten die van belang kunnen zijn voor de in de strafzaak te nemen beslissingen, kan naar het mij voorkomt gelijk worden gesteld met het geval waarin ‘redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’ (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
2.Nu het een getuigenverzoek betreft dat aanvankelijk bij tijdig ingediende appelschriftuur is gedaan en vervolgens ter terechtzitting is herhaald en toegewezen, ligt het – meen ik - ook in de rede de weigeringsgronden van art. 288, eerste lid, Sv bij de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium tot uitgangspunt te nemen.
3.Vgl. in dit verband HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1549, rov. 2.4.2 en 2.4.3.
4.Vgl. G.J.M. Corstens,
5.Ik attendeer in dit verband op het eerste onderdeel van de ‘three-pronged test’ die in EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva tegen Rusland, nr, 36658/05, par. 158 voor
6.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:20:BD2578,