ECLI:NL:PHR:2023:17

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2023
Publicatiedatum
28 december 2022
Zaaknummer
21/01880
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.A OpiumwetArt. 1 lid 4 OpiumwetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor invoer grote hoeveelheid hasjiesj ondanks bewijs- en termijnklachten

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen van een grote hoeveelheid hasjiesj (221,74 kilo) in Nederland, waarvoor hij een gevangenisstraf van zestien maanden kreeg opgelegd. De zaak betrof het ophalen en vervoeren van pallets met cv-ketels waarin hasjiesj was verborgen, afkomstig uit Spanje en bestemd voor een niet-bestaand bedrijf in Amsterdam.

De verdediging voerde in cassatie meerdere middelen aan, waaronder klachten over de bewijsvoering en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij de drugs vervoerde, mede gelet op de omstandigheden, eerdere leveringen en wisselende verklaringen.

Ook de klacht over de redelijke termijn werd verworpen, aangezien het hof de straf al had gematigd vanwege de termijnoverschrijding. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid in de motivering en verwierp het beroep. De verbeurdverklaring van de mobiele telefoon bleef eveneens gehandhaafd.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling tot 16 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk binnenbrengen van 221,74 kilo hasjiesj.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01880

Zitting17 januari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 28 april 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens primair “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een mobiele telefoon verbeurd verklaard.
Namens de verdachte heeft P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, vier middelen van cassatie voorgesteld. Daarna heeft de raadsman bij schriftuur van 5 september 2022 nog een aanvullend middel voorgesteld.
Het eerste, tweede en derde middel richten zich tegen de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit. Het vierde middel bevat een klacht over de strafmotivering. Tot slot ziet het later voorgestelde aanvullende middel op de beëdigingsproblematiek bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, behoeft dit middel geen verdere bespreking.
Met het oog op de bespreking van de eerste drie middelen geef ik hierna eerst de bewezenverklaring en (promis)bewijsoverwegingen van het hof weer.

Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 8 februari 2018 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 221,74 kilogram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II.”
6. Het arrest van het hof bevat de volgende (promis)bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten):
“I.
Op 7 februari 2018 werd verbalisant [verbalisant 1] gebeld. Hij kreeg de eigenaar van transportbedrijf [A] , gevestigd aan de [a-straat 1] te Waalwijk aan de lijn, genaamd [betrokkene 1] . [betrokkene 1] gaf aan dat hij die middag een telefoontje had gekregen van een zakenpartner, een transportbedrijf uit Alicante (Spanje), die hem vertelde dat er een onderzoek op zijn bedrijf had plaatsgevonden door de Spaanse politie waarbij een partij drugs in beslag was genomen. Een deel van deze zending was al op transport gezet richting Nederland, met als bestemming het bedrijf [A] . [betrokkene 1] deelde daarop mede dat deze zending, bestaande uit drie pallets met daarop een twaalftal boilers, reeds was aangekomen op zijn bedrijf. Kort na aankomst had een man zich bij zijn bedrijf gemeld om de partij op te halen. [betrokkene 1] had de man medegedeeld dat de zending vertraging had opgelopen in Frankrijk en vermoedelijk pas de andere dag zou arriveren.
II.
Naar aanleiding van deze melding heeft de politie een dag later observaties uitgevoerd bij onder meer [A] te Waalwijk. Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben gerelateerd dat zij op 8 februari 2018 omstreeks 14.50 uur een witkleurige bestelauto van het merk Fiat, type Ducato, voorzien van de tekst ‘ [B] Autoverhuur’ en van het kenteken [kenteken 1] , de parkeerplaats van de McDonalds aan de Van Andelstraat te Waalwijk zagen oprijden. Bijna tegelijkertijd werd op het parkeerterrein een personenauto van het merk BMW, kleur zwart en voorzien van het kenteken [kenteken 2] , geparkeerd. Verbalisant [verbalisant 2] nam waar dat de bestuurder van de BMW, een man, uit de auto stapte en in de richting van de Fiat Ducato liep. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat de man bij de Fiat Ducato aangekomen instapte aan de passagierszijde van de bestelauto. Vervolgens zagen de verbalisanten dat de Fiat Ducato het parkeerterrein afreed.
III.
Verbalisant [verbalisant 4] observeerde op 8 februari 2018 bij het bedrijfspand van [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te Waalwijk, het volgende. Hij zag dat om 15.00 uur een witte bestelbus met de tekst ‘ [B] ’ aan kwam rijden. Hij zag dat een man het bedrijfspand binnen ging. De man was volgens verbalisant [verbalisant 4] ongeveer 35-40 jaar oud en had donker kort haar. Kort hierna verliet de man het pand weer en liep hij richting een roldeur van het bedrijf. Verbalisant [verbalisant 4] zag dat hier de witte bestelbus met het opschrift ‘ [B] ’ stond. Hij zag dat het kenteken van de bus [kenteken 1] was. Hij zag dat er drie pallets met dozen in de bus werden geladen. De zojuist beschreven man tekende de pakbon. Om 15.06 uur stapte de man als bijrijder in de witte bus, waarop deze wegreed. Op camerabeelden van de receptie van [A] van een dag eerder, 7 februari 2018, had verbalisant [verbalisant 4] gezien dat omstreeks 14.00 uur een man binnenkwam die hij herkende als de man die de goederen op 8 februari 2018 kwam ophalen. Ook zag verbalisant [verbalisant 4] camerabeelden van de laad- en losplaats van [A] . Hij zag dat daar op hetzelfde tijdstip een witte bestelbus aan kwam rijden. Op deze bus stond ‘ [B] Autoverhuur’. Verbalisant [verbalisant 4] herkende deze bus als die waarin de goederen op 8 februari 2018 werden geladen.
IV.
Verbalisant [verbalisant 5] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat de witte bestelbus, nadat de goederen daarin waren geladen, is vertrokken in de richting van de McDonalds, gelegen aan de Van Andelstraat te Waalwijk. Aldaar werden de inzittenden aangehouden. De bestuurder van de bestelbus werd aangehouden door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] . De bestuurder bleek te zijn genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] [verdachte; hof]. De bijrijder van de bestelauto bleek te zijn genaamd [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] .
V.
De witte bestelbus werd onderzocht. Verbalisant [verbalisant 8] zag in het laadcompartiment van de bus drie pallets staan, met op iedere pallet vier bruine dozen. Collega verbalisant [verbalisant 9] opende een doos. Verbalisant [verbalisant 8] zag dat in de doos een witte cv-ketel zat. De opening was dichtgemaakt met purschuim. Verbalisant [verbalisant 9] heeft het purschuim weggesneden. Verbalisant [verbalisant 8] zag dat in de cv-ketel ongeveer twaalf pakketjes zaten, met daarin samengeperste blokken. Verbalisant [verbalisant 8] herkende deze blokken aan de kleur, geur, samenstelling en de wijze van verpakking als zijnde hasjiesj. Verbalisant [verbalisant 8] heeft samen met collega’s ook de andere dozen geopend. In iedere doos zat een witte ketel. De binnenkant van deze ketels zat vol met pakketten hasjiesj en los plastic. In totaal hadden de pakketten hasjiesj een gewicht van 221,74 kilo. Verbalisant [verbalisant 8] heeft tevens een MMC kleur-reactietest op de aangetroffen stof uitgevoerd. De stof bleek daarbij positief te reageren op de aanwezigheid van hasjiesj.
VI.
Bij doorzoeking van de witte bestelbus van het merk Fiat, type Ducato, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , troffen verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] een huurovereenkomst van die bestelbus aan. Daaruit bleek dat de bus op 7 februari 2018 was gehuurd door de verdachte, voor een huursom van € 150,-.
Tevens hebben verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] de BMW met kenteken [kenteken 2] , die op de parkeerplaats bij de McDonalds te Waalwijk was achtergelaten, onderzocht. In dit voertuig werd, naast een bankafschrift op naam van [betrokkene 2] , een vrachtbrief aangetroffen; opgemaakt op 20 december 2017. Daaruit bleek dat de vracht in opdracht van [E] Alicante (Spanje) was verzonden. De afzender was [C] SL, gevestigd te Alcoy (Spanje) en de bestemming was [D] , [b-straat 1] te Amsterdam. Verbalisant [verbalisant 11] heeft onderzoek ingesteld haar het bedrijf [D] in Amsterdam. Hij heeft het bedrijf niet in het register van de Kamer van Koophandel of via de zoekfuncties van Google kunnen terugvinden.
VII.
Volgens de getuige [betrokkene 1] van [A] stond op de vrachtbrief(CMR) van 7 februari 2018 dat de afzender het partnerbedrijf in Alicante, [E] was. De zending zou worden opgehaald en de ontvanger was een bedrijf uit Amsterdam. Zijn zoon had hem verteld dat de personen die op 7 en 8 februari 2018 waren gezien vaker met een busje van het verhuurbedrijf bij [A] kwamen. De zoon van de getuige, [betrokkene 3] , heeft verbalisant [verbalisant 11] een Excel-bestand gegeven, met daarop 28 leveringen in de periode van 22 september 2016 tot en met 1 februari 2018. De laadplaats was steeds [C] SL in Alcoy. (Spanje) en het losadres betrof [D] te Amsterdam. Als opdrachtgever was steeds [E] te Alicante vermeld.
VIII.
Een werknemer van [A] , getuige [betrokkene 4] , heeft verklaard dat hij de verdachte [verdachte] en de medeverdachte [betrokkene 2] op foto’s heeft herkend als personen die hij meerdere keren bij het bedrijf heeft gezien. Verdachte [verdachte] kwam volgens [betrokkene 4] altijd voor een zending die afkomstig was uit Spanje en als afleveradres het bedrijf [D] te Amsterdam had. [betrokkene 4] had de verdachte vier of vijf keer bij [A] gezien, de medeverdachte [betrokkene 2] had hij zeker tien maal bij het bedrijf gezien. [betrokkene 4] heeft ook verklaard dat beide mannen altijd in een witte bestelbus de zending kwamen ophalen. Op 7 februari 2018 kwam de man op de tweede foto [de medeverdachte [betrokkene 2] ; hof] de zending bij het bedrijf ophalen.
IX.
De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 8 februari 2018 goederen heeft opgehaald in Waalwijk. Hij heeft verklaard dat hij niet kan zeggen wie hem daartoe opdracht had gegeven. Hij had [betrokkene 2] gevraagd hem te helpen. Ze hadden afgesproken elkaar te treffen bij McDonalds in Waalwijk. De verdachte heeft [betrokkene 2] gevraagd bij het bedrijf ( [A] ) naar binnen te gaan en zich te melden om de goederen op te halen. De pallets werden in de bus geladen. De verdachte bestuurde de bus, [betrokkene 2] was de bijrijder. De verdachte zou de bus afgeven op een adres in Diemen en met [betrokkene 2] mee terug rijden. Vanaf McDonalds te Waalwijk zou [betrokkene 2] achter hem aan zijn gereden naar Diemen, als ze niet door de politie waren aangehouden. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de dag tevoren, op 7 februari 2018, ook bij [A] was geweest. [betrokkene 2] ging toen met hem mee. De verdachte heeft verklaard dat hij vaker voor dezelfde personen spullen heeft opgehaald en dat hij vaker bij [A] is geweest. Hij moest de bus altijd op een adres afgeven dat hij vooraf had doorgekregen. Dat was steeds een ander adres. Later ontving hij de bus dan leeg weer terug. Ook die andere keren is [betrokkene 2] achter hem aangereden, zodat hij met hem kon terugrijden.
X.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 2] hem eerder heeft geholpen met het ophalen van een vracht bij [A] , zo ook op 8 februari 2018. De verdachte moest de bestelbus met opgehaalde goederen steeds ergens afzetten en [betrokkene 2] reed dan achter hem aan, zodat hij, de verdachte, met hem mee terug kon rijden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het juist is dat hij op 8 februari 2018 samen met [betrokkene 2] met een transportbusje bij [A] in Waalwijk is geweest om spullen op te halen. De lading moest worden vervoerd naar Diemen. De verdachte had de lading op 8 februari 2018 niet gecontroleerd. De verdachte heeft verder verklaard dat hij dit zwart deed om iets bij te kunnen verdienen en dat hij er niet is om kritische vragen te stellen aan de personen die hem werk geven.
XI.
De medeverdachte [betrokkene 2] heeft op 30 maart 2018 verklaard dat hij op 8 februari 2018 op verzoek van een vriend vanuit huis - in [plaats] - naar Waalwijk is gereden, dat hij zijn handtekening moest zetten en dat hij de verdachte heeft geholpen om bij die firma de pallets met spullen in te laden in de bestelauto.
XII.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft betoogd dat er geen enkel bewijs is dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van hasjiesj in de cv-ketels. De ketels waren zodanig afgesloten en verpakt dat dit voor de verdachte niet waarneembaar was. De verdachte heeft er alles aan gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om te controleren of de zaken in orde waren. Voor opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, aan de zijde van de verdachte is in het dossier dan ook geen bewijs voorhanden.
XIII.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de aanwezigheid van een grote hoeveelheid hasjiesj in de cv-ketels – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
XIV.
Met de rechtbank overweegt het hof dat uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat:
de verdachte en de medeverdachte gebruik maakten van een door de verdachte gehuurde bestelauto, die op 7 februari 2018, de dag dat de lading aanvankelijk zou kunnen worden opgehaald, werd gehuurd;
de lading op 8 februari 2018 door de verdachte en zijn medeverdachte niet zou worden vervoerd naar het op de vrachtbrief vermelde afleveradres van [D] te Amsterdam, maar naar een ander – door de verdachte niet nader benoemd – adres in Diemen;
[D] te Amsterdam een niet bestaand bedrijf blijkt te zijn;
de lading inclusief de gehuurde bestelauto te Diemen zou worden achtergelaten en dat de verdachte op enig moment de lege bestelauto zou terugkrijgen. Deze gang van zaken was volgens de verdachte gebruikelijk;
de medeverdachte [betrokkene 2] , die volgens de verdachte was ingeschakeld om hem een lift terug naar huis te kunnen geven, niet met de verdachte had afgesproken bij het afleveradres te Diemen – wat gelet op de woonplaats van de medeverdachte voor de hand zou liggen – maar in Waalwijk. De medeverdachte reed aldus van [plaats] naar Waalwijk en hij zou vervolgens via Diemen weer terugrijden naar [plaats] ;
de verdachte en de medeverdachte bij McDonalds te Waalwijk hadden afgesproken en niet rechtstreeks bij [A] ;
de verdachte en de medeverdachte op eerdere tijdstippen op overeenkomstige wijze pallets met goederen bij [A] hebben opgehaald, afkomstig van hetzelfde transportbedrijf ( [E] te Alicante), dezelfde afzender ( [C] SL in Alcoy) en dezelfde – niet bestaande – eindbestemming ( [D] te Amsterdam).
Het hof overweegt voorts dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte de lading op 8 februari 2018 niet had gecontroleerd en dat hij, omdat hij dit zwart deed om iets bij te kunnen verdienen, geen kritische vragen heeft gesteld aan de personen die hem de opdracht hadden gegeven.
Evenals de rechtbank weegt het hof mee dat de verdachte en de medeverdachte wisselende en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. De medeverdachte [betrokkene 2] heeft bij de politie aanvankelijk verklaard dat hij niet bij [A] is geweest, maar na confrontatie met de camerabeelden van het bedrijf heeft hij verklaard dat hij daar één keer is geweest om de verdachte te helpen met het ophalen van spullen. Ook opmerkelijk is dat de medeverdachte als reden om op 8 februari 2018 niet rechtstreeks naar [A] maar eerst naar McDonalds te rijden, heeft opgegeven dat de verdachte hem een verkeerd adres had gegeven. Dit terwijl zij al herhaaldelijk samen op het adres van [A] waren geweest, zelfs nog een dag tevoren, en verondersteld mag worden dat dit adres bij beiden bekend was.
De verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij slechts twee maal eerder bij [A] is geweest en dat hij daarbij door de medeverdachte [betrokkene 2] werd geassisteerd. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij slechts eenmaal eerder een dergelijke lading daar had opgehaald. Deze verklaringen worden echter weersproken door de verklaring van de getuige [betrokkene 4] , die heeft verklaard dat hij de verdachte vier à vijf keer bij het bedrijf heeft gezien om goederen in ontvangst te nemen en de medeverdachte zeker tien maal. De verdachte heeft pas ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard over de afnemers naar wie de goederen moesten worden gebracht, te weten twee oudere Nederlandse mannen, genaamd ‘ [betrokkene 5] ’ en ‘ [betrokkene 6] ’. Deze namen heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. Het hof stelt vast dat de verdachte nadere gegevens van zijn opdrachtgever(s) of van de persoon die hem uit hun naam had benaderd niet heeft willen noemen en aldus zijn stelling dat hij slechts optrad als vervoerder van Waalwijk naar Diemen en verder van niets afwist van de inhoud van de lading niet controleerbaar heeft gemaakt, ook niet nadat hij daartoe door het hof ter terechtzitting meermalen uitdrukkelijk is uitgenodigd en is gewezen op de mogelijke consequenties daarvan.
XV.
Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen hoeveelheid hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. Het primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
XVI.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de medeverdachte op grond van artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet kunnen worden gekwalificeerd als het binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in artikel 3, onder A, van de Opiumwet, nu deze gedragingen zien op het verder vervoer van de hasjiesj. Mede gelet op de in de auto van de medeverdachte [betrokkene 2] aangetroffen vrachtbrief, gelet op de omstandigheid dat is gebleken dat er eerdere soortgelijke leveringen zijn geweest vanuit Alicante (Spanje) naar [A] en de verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] meerdere keren deze leveringen hebben opgehaald, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn geweest dan de verdachte en zijn medeverdachte wisten dat de vracht uit Spanje afkomstig was.
XVII.
Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachte beiden meerdere uitvoeringshandelingen hebben verricht ten aanzien van de aangetroffen verdovende middelen. Zij zijn samen naar [A] in Waalwijk gegaan om daar de lading in ontvangst te nemen en in de door de verdachte gehuurde bestelauto te laden en vervolgens naar de McDonalds te rijden. Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof ook het ten laste gelegde medeplegen bewezen.
XVIIl.
Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen.”

Het eerste middel

7. Het middel klaagt over de bewijsvoering van de bewezenverklaring van het bestanddeel “opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht”. Daartoe wordt in de toelichting in de kern aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de door hem vervoerde boilers uit het buitenland afkomstig waren.
8. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte op 7 februari 2018 samen met zijn medeverdachte met een op die dag door de verdachte gehuurde bestelbus tevergeefs heeft geprobeerd een lading bij [A] in Waalwijk op te halen, waarbij de medeverdachte te horen kreeg dat deze lading in Frankrijk was opgehouden en vermoedelijk pas een dag later zou arriveren. Verder blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte op 8 februari 2018 zijn teruggekeerd naar [A] om de lading alsnog op te halen en dat de verdachte niet slechts eenmalig als koerier de betreffende lading bij [A] heeft opgehaald, zoals hijzelf heeft verklaard, maar dat hij samen met zijn medeverdachte ook al eerder aldaar leveringen heeft opgehaald met steeds dezelfde buitenlandse opdrachtgever, dezelfde buitenlandse afzender en – een niet bestaande – eindbestemming, terwijl in de auto van de medeverdachte een vrachtbrief van een van die eerdere leveringen is gevonden en de verdachte geen nadere gegevens van zijn opdrachtgever(s) heeft willen noemen.
9. Gelet op deze feiten en omstandigheden geeft het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen hoeveelheid hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland zou brengen (bewijsoverweging XV), naar mijn oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Nu op dit specifieke punt in hoger beroep geen verweer is gevoerd, was het hof niet tot een nadere motivering gehouden.
10. Het middel faalt.

Het tweede middel

11. Het middel klaagt dat het hof in bewijsoverweging XV in het bestreden arrest ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verdachte de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen hoeveelheid hasjiesj binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. Daartoe wordt in de toelichting aangevoerd dat de boilers met de hasjiesj zich op het moment van ophalen al in Nederland bevonden.
12. Gelet op de toelichting, miskent de steller van het middel de strekking van art. 1 lid 4 Opiumwet Pro. Daarin is bepaald dat onder ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ mede is begrepen elke (verdere) handeling met betrekking tot de verboden middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het hof heeft overwogen dat de gedragingen van de verdachte op grond van art. 1 lid 4 Opiumwet Pro kunnen worden gekwalificeerd als het binnen het grondgebied van Nederland brengen, nu deze gedragingen zien op het verdere vervoer van de hasjiesj (bewijsoverweging XVI). In zoverre getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting.
13. Het middel faalt.

Het derde middel

14. Het middel klaagt meer in het algemeen over de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit en komt er blijkens de toelichting in de kern op neer dat het hof “feitelijk onjuist” heeft geoordeeld dat de verdachte de hasjiesj binnen Nederland heeft gebracht.
15. De steller van het middel is het evident niet eens met de bewijsconclusie die het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft getrokken, maar voert geen argumenten aan waarom die conclusie onjuist of onhoudbaar zou zijn. Het middel kan daarmee niet tot cassatie leiden.
16. Het middel faalt.

Het vierde middel

17. Het middel houdt in dat het hof in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Als onderbouwing wordt aangevoerd dat het hof weliswaar bij de strafmaatbepaling rekening heeft gehouden met het feit dat het hof niet binnen twee jaar na het instellen van hoger beroep tot een uitspraak is gekomen, maar dat het in de rede ligt om de straf verder te verlagen dan nu is gebeurd.
18. Het hof heeft in zijn strafmotivering – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“Het hof acht voor de bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden in beginsel passend en geboden.
[…]
Met de verdediging constateert het hof evenwel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, bij de behandeling van de strafzaak tegen de verdachte in hoger beroep is geschonden, nu het hof niet tot een einduitspraak komt binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Het hoger beroep is immers ingesteld op 30 juli 2018 en het hof wijst dit arrest eerst op 28 april 2021.
Mede gelet op de totale duur van de berechting van de verdachte zal het hof vanwege de schending van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.”
19. Ik stel voorop dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid is niet snel sprake omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. [1]
20. Blijkens de strafmotivering heeft het hof de op te leggen gevangenisstraf naar aanleiding van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep met twee maanden gevangenisstraf verminderd, waarna een gevangenisstraf van zestien maanden is opgelegd. Het oordeel van het hof over de strafvermindering getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik gelet op de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk.
21. Het middel faalt.

Slotsom

22. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het later voorgestelde aanvullende middel behoeft geen bespreking.
23. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,