Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is het hof uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast. Volgens de stellers van het middel rust met betrekking tot het ontbreken van een toereikende volmacht de bewijslast op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op HDK. Voor die opvatting vermelden zij drie argumenten, namelijk (1) de omstandigheid dat HDK de procedure is gestart met een vordering die veronderstelt dat het vruchtgebruik van DZA c.s. is geëindigd en dat DZA c.s. het pand dienen te ontruimen, (2) de omstandigheid dat de verlengingsbepaling is opgenomen in de akte (tot vestiging van het vruchtgebruik, zie hiervoor 2.1 onder v) en (3) de omstandigheid dat HDK en DZA c.s. de overeenkomst dertig jaar lang hebben uitgevoerd, waarvan het vermoeden uitgaat dat de inhoud van de overeenkomst wederzijdse instemming geniet.
ontzenuwd. [5]
Vervolgenshandelt de gevolmachtigde namens de volmachtgever met een wederpartij binnen de grenzen van zijn volmacht, dan wel daarbuiten. Uitgaande van dit ‘normaaltype’ zien we volmachtverlening als een eenzijdige gerichte rechtshandeling van de volmachtgever, met de gevolmachtigde als geadresseerde. [8] Volgens deze voorstelling neemt de wederpartij in de fase van de volmachtverlening geen positie in; zij verschijnt eerst in de volgende fase, waarin de gevolmachtigde met haar handelt. Dán gaat de wederpartij alsnog aan of een volmacht is verleend en wat die inhoudt; de geldigheid van de met haar door de gevolmachtigde te verrichten rechtshandeling hangt daarvan immers af. Nog steeds denkend volgens de lijnen van het normaaltype komt het er in dit verband op aan wat de wederpartij
als derdemocht menen (art. 3:61 lid 2 BW Pro, inmiddels uitgebreid met de risicoleer van onder meer
ING/Bera [9] ) omtrent het bestaan en de inhoud van de volmacht zoals die in de voorafgaande fase in de verhouding tussen volmachtgever en gevolmachtigde al dan niet is verleend.
Daarmeehad [betrokkene 4] naar het oordeel van het hof geen toereikende volmacht (…).’
contra proferentemals gezichtspunt heeft gehanteerd. [10]
de volmachtgever en de gevolmachtigdeover en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen. Voor die redelijke wederzijdse verwachtingen van volmachtgever en gevolmachtigde is de gang van zaken bij het formuleren van de tekst van de volmacht immers mede van belang. Hetgeen [betrokkene 4] redelijkerwijs mocht aannemen omtrent de inhoud van de aan hem verleende volmacht wordt mede bepaald door zijn wetenschap van de wijze waarop de tekst van de volmacht tot stand was gekomen (geformuleerd door een van de betrokken notarissen) en het vertrouwen dat het bestuur van HDK aan die gang van zaken redelijkerwijs kon ontlenen (namelijk dat de tekst van de volmacht de wezenlijke elementen van de door [betrokkene 4] namens HDK te verrichten of reeds verrichtte rechtshandeling voldoende nauwkeurig zou aanduiden).
a priorizonder betekenis zouden zijn. Nee, in het benoemen van andere omstandigheden, in het bijzonder de omstandigheid dat een van de betrokken notarissen de tekst van de volmacht van 19 mei 1988 heeft opgesteld, ligt eenvoudig besloten dat die andere omstandigheden voor het hof zwaarder wegen. Mijns inziens behoefde het hof dit ook niet nader te motiveren.
Onderdeel 3komt op tegen rechtsoverweging 9.6.5, waarin het hof oordeelt dat DZA c.s. uit de op 19 mei 1988 verleende volmacht niet mochten afleiden dat HDK de verlengingsbepaling heeft bekrachtigd.
ook in juridische zinsamenvielen met de vraag of er sprake was van schijn van volmachtverlening respectievelijk bekrachtiging. De focus van het hof is alleszins begrijpelijk tegen de achtergrond van de feitelijke gang van zaken waarbij de volmacht van [betrokkene 4] door een van de betrokken notarissen aan de zijde van DZA c.s. is geformuleerd. Dat de vraag naar een toerekenbare schijn van volmacht niet steeds (scherp) kan worden onderscheiden van de vraag naar bekrachtiging, wordt in de rechtspraak van uw Raad erkend. [15] Dat ook de vraag of een werkelijke volmacht bestaat, veelal niet scherp zal kunnen worden onderscheiden van de vraag naar een toerekenbare schijn van volmacht, spreekt mijns inziens vanzelf. (naar aanleiding van onderdelen 2 en 3, in het bijzonder subonderdeel 2.2)