Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
onverbindend te verklaren.”
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beklag van de klager tegen de inbeslagname van een vest ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het summiere karakter van de klaagschriftprocedure niet toelaat om over de onverbindendheid van artikel 2.2 APV Amsterdam te oordelen.
De klager stelde dat artikel 2.2 lid 2 APV Amsterdam onverbindend is omdat het een regeling bevat die volgens hem bij formele wet uitputtend is geregeld en dat het vest niet onder de bepaling valt. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank in een klaagschriftprocedure wel degelijk op een verweer over onverbindendheid van een strafbepaling moet beslissen, maar dat artikel 2.2 lid 2 APV Amsterdam zelf niet in strijd is met de Grondwet of strafrechtelijke bepalingen.
De Hoge Raad benadrukte dat artikel 2.2 lid 2 APV Amsterdam geen inhoudelijke verbod op meningsuiting bevat, maar een inhoudsneutrale regeling gericht op het voorkomen van ordeverstoring door het bij zich hebben van bepaalde zaken. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en het beslag op het vest mocht voortduren.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro. Er werden geen gronden gevonden voor vernietiging van de bestreden beslissing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het vest blijft gehandhaafd.