IV.
Het verweer van de verdediging
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft zich op deze terechtzitting onder meer het volgende voorgedaan:
“Op vragen van het hof verklaart de
verdachteals volgt:
De woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] was van mij en mijn ex-vrouw. Zij heeft in de woning gewoond met onze zoon. Ze woont nu in [plaats] bij haar vriend. Zij gaf mij de opdracht om de woning te verhuren. Ik heb de woning toen verhuurd aan [betrokkene 4] en [betrokkene 3] . Mijn ex-vrouw spreekt hierover niet de waarheid, omdat ze anders problemen krijgt met de Belastingdienst. Haar vriend heeft een uitkering. Mijn ex-vrouw kent [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en heeft wel eens met hen gesproken. Zij heeft twee keer de huur ontvangen bij het station van Leeuwarden. Toen ik in Italië was heb ik hun telefoonnummer aan haar gegeven. Zij heeft toen met hen afgesproken bij het station van Leeuwarden en toen kreeg zij het geld. Ik heb de woning eerder aan andere mensen verhuurd in opdracht van mijn ex-vrouw.
[betrokkene 4] is een crimineel, daarom durf ik hem niet aan te spreken. Hij woont op de [b-straat] . De politie had zijn nummer.
Ik ben 1 of 2 keer bij de woning aan het [a-straat ] geweest om het geld te incasseren. Dat deed ik beneden bij de deur. Het klopt dat ik drie dagen voor de inval nog bij de woning ben geweest. Ik was toen net terug uit Italië. Ik heb toen gebruik gemaakt van het toilet in de woning. Het toilet bevindt zich in de gang van de woning, direct naast de voordeur. [betrokkene 4] zei dat ik alleen gebruik mocht maken van het toilet. In de gang bij het toilet kreeg ik toen een flesje water van hem. De slaapkamerdeur en de woonkamerdeur waren dicht. In de gang was alles schoon en netjes. Het klopt dat ik één of twee vuilniszakken in de gang heb zien liggen.
U houdt mij voor dat ik het bij de politie over meer vuilniszakken had en dat ik de woning een rotzooi vond.
Ik vind een of twee vuilniszakken een rotzooi. Ik heb geen transformatoren en schakelaars in de gang gezien. De ruimte waar dat hing heb ik niet gezien. De gang wordt eerst klein en daarna groot.
U houdt mij voor dat op de foto in het dossier te zien is dat naast de folie de schakelaars te zien zijn.
Ik kon dit niet zien, want [betrokkene 4] stond er tussen. Hij zei dat ik snel gebruik moest maken van het toilet en daarna snel weg moest gaan. Ik kon de folie niet zien omdat hij er tussen stond. Vanuit mijn kant kon je de folie niet zien. Ik heb de folie alleen aan de buitenkant van de woning gezien, niet aan de binnenkant. Daarom kon ik de schakelaars niet zien.
U houdt mij voor dat als iemand een kwekerij heeft, de huurder de huisbaas liever niet binnen heeft.
Dat klopt, hij schrok ervan, daarom stond hij altijd tussen mij en de rest van de woning. Ik ken de geur van hennep, maar deze geur rook ik toen niet.
U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat ik rommel heb gezien.
Ik zag dat de ramen bedekt waren. Ook heb ik gezegd dat hij de rommel moest opruimen, omdat mijn ex-vrouw daar weer wilde gaan wonen. Ik heb tegen de politie gezegd dat zij DNA-onderzoek mogen verrichten aan de kleding. Daarnaast heb ik tegen de politie gezegd dat zij de camera’s rondom de flat moesten bekijken, omdat de flat beveiligingscamera’s heeft.
U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik zag dat de slaapkamer was afgedekt met folie.
Ik heb dit van buiten gezien en niet van binnen.
U houdt mij voor dat mijn ex-vrouw niet naar de woning mocht van mij.
Zij durft niet naar de woning te gaan, omdat zij soms schulden heeft bij de beveiliging. Wij betalen iedere maand een bedrag voor de beveiliging en het schoonmaken. Zij heeft een paar keer niet betaald, daarom komt zij niet bij de deur. Ik haal de post beneden op en ik geef het in het centrum aan haar. Ik heb de post niet vaak opgehaald. Er was niet vaak post voor haar en mij. Ik ontving mijn post op de [b-straat] .
Op vragen van de
advocaat-generaalverklaart de
verdachteals volgt:
De wc zit gelijk naast de voordeur aan de linkerkant. Het klopt dat dit niet te zien is op de foto op bladzijde 18 van het dossier.
U houdt mij mijn verklaring bij de politie voor.
Ik zag de folie aan de buitenkant van het huis.
Mijn ex-vrouw heeft twee keer geld gekregen bij het station van de jongens. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] reageerden op onze advertentie op internet. Ik heb als eerste contact gehad met hen. Ze hebben gezegd dat ze in de woning gingen wonen. Ik had alle vertrouwen in de flat, want er hangen camera’s. De huurders waren een Hollandse jongen en een Turkse jongen met een Hollands paspoort. [betrokkene 4] woont aan de [b-straat] .
U vraagt mij hoe het kan dat [betrokkene 4] op twee adressen woont.
Ik heb hem in de [b-straat] gezien, dus dat heb ik tegen de politie gezegd. [betrokkene 4] wilde de woning huren voor [betrokkene 3] omdat hij uit een andere stad komt. [betrokkene 4] ging er zelf niet wonen. Toen ik vroeg van wie ik het geld zou krijgen zei hij ‘van ons allemaal’.
De
raadsmanmerkt op dat hij op Google een plattegrond van een soortgelijke woning heeft gevonden. Daarop is te zien dat de wc meteen links achter de voordeur zit. Het betreft een plattegrond van de woning aan het [a-straat 1] in [plaats] .
De
raadsmanlaat deze plattegrond zien aan het hof en de advocaat-generaal.
[…]”
7. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig de aan het hof en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die voor zover hier relevant het volgende inhoudt (met weglating van de voetnoten):
“
Het bewijs
“Het dossier munt niet uit in bewijsmiddelen. Als ik goed zoek, dan is er voldoende om medeplichtigheid te bewijzen.” Dat zijn de overwegingen van de politierechter. Dat zegt genoeg over de zwakheid van het bewijs.
Cliënt stelt volstrekt onschuldig te zijn. Hij geeft aan dat de woning van zijn ex is, dat hij de huur incasseerde en aan zijn vrouw gaf. Niets meer, niets minder.
In dit dossier is heel veel niet onderzocht. Ik kom daar zo dadelijk op terug.
Degene die op het adres is ingeschreven is [betrokkene 1] , de ex-partner van cliënt. Zij is primair degene die verantwoordelijk is voor wat er in de woning gebeurt. Tenzij zij de verdenking kan weerleggen.
Cliënt is verdachte – zo blijkt uit het dossier – omdat in de woning pasjes en enveloppen zijn aangetroffen op naam van cliënt. Enig onderzoek hiernaar heeft niet plaatsgevonden. Er zijn geen foto’s. Volgens cliënt gaat het om oude meuk die nog resteerde van de tijd dat hij in die woning verbleef. Onderzoek heeft niet aangetoond dat dit onjuist is.
Bij cliënt in zijn woning aan de [b-straat] worden sleutels aangetroffen die passen op de deur van de flat. Dat kan kloppen. Cliënt kwam in de flat om de post op te halen. Het moge zo zijn dat er kennelijk ook een sleutel van de voordeur bij cliënt is aangetroffen, dat wil niet zeggen dat die is gebruikt. Die sleutel zat aan het sleutelbos van cliënt.
Opvallend is dat uit het buurtonderzoek blijkt dat de buren mannen zien bij de woning, maar dat het signalement niet dat van cliënt is. Logisch, want de buren kennen cliënt wel. Het parket vraagt blijkens een aanvullend p.v. bevindingen d.d. 9 augustus 2019 nog expliciet aan de verbalisant om buurvrouw [betrokkene 2] te confronteren met een foto van cliënt zodat duidelijk is of zij cliënt heeft bedoeld met de persoon die hij nabij de woning heeft gezien. Er is niets mee gedaan. Cliënt heeft daar jarenlang gewoond en de buren zullen cliënt hebben herkend als hij die persoon was. Dat blijkt ook wel als [betrokkene 2] tegen de politie zegt dat cliënt – van wie een foto wordt getoond – de man is die op [a-straat 1] woonde en dat het alweer lang geleden is dat zij hem heeft gezien. Ook verklaart ze nooit te hebben gezien dat cliënt op het adres naar binnen is gegaan. Dus [betrokkene 2] en de andere buren kunnen cliënt niet hebben bedoeld. Het is dus niet cliënt geweest die zij hebben gezien.
Cliënt wijst de politie in zijn verhoor nog op de camerabeelden bij de flat. “Jullie zullen hem (i.e. de huurder. TvdG) wel zien op de camera." Daarop zal bewijs staan dat cliënt niets met de zaak van doen heeft. De politie heeft hiermee niets gedaan. Er zijn geen camerabeelden opgevraagd en bekeken.
Cliënt verklaart over ene [betrokkene 4] aan de [b-straat] die de woning aan het [a-straat ] zou gebruiken. Cliënt zegt letterlijk over hem (pag. 99): “ [betrokkene 4] staat in mijn telefoon. Hij woont op de [b-straat] . Ik weet het nummer niet zo. Iets met 255 of 256 zoiets.” Onderzoek hiernaar is niet gedaan, behalve dan dat de politie vaststelt dat er “geen [b-straat] 255 of 256 bestaat” (pas. 69). Maar cliënt verklaart ook dat het 255 “zoiets" was. Ook verklaart cliënt dat hij tegen de politie heeft gezegd dat deze [betrokkene 4] “in een flatgebouw woont, maar ik wist niet exact welk nummer”.
Is een buurtonderzoek gestart met de vraag wie deze [betrokkene 4] is? Nee. Het is minst genomen markant dat de naam wel in de telefoon van cliënt is opgeslagen als deze man niet zou bestaan. In de telefoon staan twee nummers van ene [betrokkene 4] , dat moet de persoon zijn. Het enkele feit dat de telefoon van deze [betrokkene 4] niet wordt opgenomen, zegt helemaal niets. Helemaal niet als u zich realiseert dat op dat moment de kwekerij al is opgerold. Als [betrokkene 4] er mee te maken heeft, zal hij wel zorgen dat hij zijn telefoon niet meer opneemt of een andere nummer neemt. Het niet opnemen van de telefoon een contra-indicatie dus voor het bewijs. Overigens is door de politie maar één keer gebeld, niet echt het toonbeeld van doorzettingsvermogen.
Het OM noemde in eerste aanleg nog het installatiebedrijf dat buizen wilde aanleggen voor een cv-installatie en waarbij de bewoner eind 2016 niet reageerde op brieven. Via via zou een werknemer van het installatiebedrijf te horen hebben gekregen dat de bewoner de buizen zelf zou aanleggen. “Dat wekt op zijn minst verbazing op” aldus de officier van justitie. Dat mag zo zijn, maar die verbazing raakt niet cliënt. Cliënt verklaart immers al jaren niet meer in die woning te wonen. “Ik heb er in 2012 en 2013 gewoond. (...) Ik ben in 2015 uit de woning van het [a-straat ] gegaan.” Cliënt heeft daarmee bedoeld dat hij zich in 2015 heeft uitgeschreven op dat adres. Dat blijkt ook uit de historische adresgegevens die in het dossier zitten. De ex-partner bevestigt dit. Op vraag tot wanneer cliënt op het adres [a-straat 1] woonde, antwoordt zij: “Totdat hij de woning heeft gekregen in de straat waar het [A] zit”. Dat is de [b-straat] , dat was in mei 2015. Hoe dan ook, eind 2016 ten tijde van het werk van het installatiebedrijf was cliënt geen bewoner. De reactie van de bewoner die er toen verbleef kan dan ook nooit redengevend zijn voor het bewijs dat cliënt met de hennepkwekerij te maken had.
Er zijn geen sporen aangetroffen die gelinkt kunnen worden aan cliënt. De politie noemt wel het nodige in het verhoor, maar enig deskundigenonderzoek heb ik niet gezien. Zelfs de schoenmaat – wat ook zij van de bewijswaarde – lees ik alleen in het verhoor. Verder geen vingerafdrukken, dna of wat dies meer zij.
Daar staat een kale ontkenning van [betrokkene 1] . Kennelijk wordt die geloofd en cliënt niet. Maar waarom?
Als cliënt zegt dat het telefoonnummer van deze [betrokkene 4] ook in de telefoon van [betrokkene 1] moet staan, zou ik als politie die telefoon checken of dit juist is. Helemaal omdat [betrokkene 1] verklaart er helemaal niks mee te maken te hebben. Maar enig onderzoek naar die telefoon heeft niet plaatsgevonden. En nu heeft natuurlijk geen zin meer.
De lat ligt hoog voor het bewijs van opzet en voor medeplegen. Er moet sprake zijn van een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht. En bij medeplichtigheid zal opzet op het gronddelict moeten vaststaat.
Ik constateer dat de politierechter als bewijsmiddelen heeft opgenomen de verklaring van cliënt dat hij de woning heeft verhuurd, dat deze jongens [betrokkene 3] en [betrokkene 4] heetten en dat cliënt een sleutel had en gezien heeft dat de slaapkamer was afgedekt met folie. Is dat voldoende om opzet vast te stellen? Dus minst genomen een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat er een hennepkwekerij zou zitten? Dat zie ik niet.
Geen sporen, geen zoemend geluid, geen getuigen die cliënt linken aan het pand, geen camerabeelden en het nodige onderzoek dat door de politie is nagelaten.
Ik zie geen bewijs voor betrokkenheid van cliënt, in welke ten laste gelegde variant dan ook.
Een dader zie ik niet snel tegen de politie verklaren dat hij graag allemaal kleren naar het bureau wil hebben voor onderzoek om zijn onschuld te bewijzen. Dat is precies wat cliënt wel heeft gedaan.