ECLI:NL:PHR:2023:230

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 februari 2023
Publicatiedatum
23 februari 2023
Zaaknummer
22/04701
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 RvArt. 6 EVRMArt. 6:1 lid 10 WvggzArt. 1:6 WvggzArt. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid enkelvoudige kamer bij zorgmachtiging Wvggz

De zaak betreft een verzoek tot verlening van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank Amsterdam had het verzoek behandeld en een zorgmachtiging verleend, aanvankelijk voor twee maanden en later voor de resterende duur van tien maanden. Betrokkene stelde in cassatie dat de enkelvoudige kamer de zaak had moeten verwijzen naar een meervoudige kamer vanwege de complexiteit en het principiële karakter van de zaak, en dat het onmiddellijkheidsbeginsel was geschonden.

De Hoge Raad overweegt dat de enkelvoudige kamer de zaak terecht heeft behandeld en besloten zonder verwijzing naar een meervoudige kamer. Het enkele feit dat de rechter de zaak wilde bespreken met collega’s die Wvggz-zaken behandelen, betekent niet dat de zaak aan een meervoudige kamer moest worden voorgelegd. Bovendien had betrokkene de mogelijkheid om zelf om verwijzing te verzoeken, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De klachten over schending van het onmiddellijkheidsbeginsel worden eveneens verworpen, omdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ten overstaan van de beslissende rechter.

De Hoge Raad benadrukt dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of een zaak naar een meervoudige kamer moet worden verwezen en dat dit in cassatie niet kan worden aangevochten. Tegen de beschikking staat een gewoon rechtsmiddel open waarin inhoudelijke klachten kunnen worden ingebracht, hetgeen in deze zaak niet is gebeurd. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de enkelvoudige kamer was bevoegd de zorgmachtiging te verlenen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04701
Zitting24 februari 2023
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene],
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
de Officier van Justitie in het arrondissementsparket Amsterdam,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
De officier van justitie heeft verzocht om ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen. Aan het slot van de mondelinge behandeling van dat verzoek heeft de rechter meegedeeld meer tijd nodig te hebben om tot een beslissing te komen en de zaak “
ook te willen bespreken met andere rechters die Wvggz-zaken behandelen”. Op diezelfde dag heeft de rechtbank (enkelvoudige kamer) beslist de zorgmachtiging te verlenen. Het middel klaagt dat de rechtbank de zaak had moeten verwijzen naar de meervoudige kamer en dat het onmiddellijkheidsbeginsel is geschonden. Het middel voert geen inhoudelijke klachten aan tegen het verlenen van de zorgmachtiging.

1.Feiten en procesverloop

1.1
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Amsterdam (hierna:
de rechtbank) ingekomen op 1 juli 2022, heeft de officier van justitie verzocht om ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna:
betrokkene) een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg.
1.2
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld ter zitting van 20 juli 2022. Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene aangevoerd dat er ernstige bezwaren kleven aan het zorgplan en de medische verklaring. Bij beschikking van 20 juli 2022 [1] heeft de rechtbank een (overbruggings)zorgmachtiging verleend voor twee maanden en de behandeling van het meer of anders verzochte aangehouden tot een nader te bepalen datum voor 20 september 2022. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de zorgverantwoordelijke een nieuw zorgplan en een nieuwe medische verklaring diende op te stellen dan wel te laten opstellen, die zien op het resterende gedeelte van het verzoek van de officier van justitie.
1.3
Tegen deze beschikking heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld (zaak 22/03918). Bij uitspraak van 10 februari 2023 [2] heeft de Hoge Raad de beschikking vernietigd op de grond dat een medische verklaring van een psychiater over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene ontbrak en daarom niet was voldaan aan de eisen die gelden voor de verlening van een zorgmachtiging.
1.4
Na de beschikking van 20 juli 2022 is de mondelinge behandeling van het verzoek van de officier van justitie voortgezet ter zitting van 15 september 2022. Het proces-verbaal vermeldt aan het slot het volgende:
“De rechter heeft medegedeeld meer tijd nodig te hebben om tot een beslissing te komen en de kwestie over het resterende gedeelte van het verzoek ook te willen bespreken met andere rechters die Wvggz-zaken behandelen, maar dat de mondelinge uitspraak door haar nog dezelfde dag wordt gedaan, voor 13:30 uur, en telefonisch zal worden doorgebeld, waarna de schriftelijke vastlegging van de beslissing zo snel mogelijk zal volgen, ook met het oog op het al dan niet instellen van cassatie door betrokkene.”
1.5
In overeenstemming daarmee heeft de rechtbank bij mondelinge beschikking van 15 september 2022, schriftelijk uitgewerkt op 23 september 2022, een zorgmachtiging verleend voor de resterende duur van tien maanden, tot en met uiterlijk 20 juli 2023, [3] voor de in rov. 2.5 van die beschikking vermelde vormen van verplichte zorg.
1.6
Namens betrokkene is op 15 december 2022 − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het middel gaat er bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag van uit dat de behandelend rechter, in navolging van de door haar ter zitting gedane mededeling, de kwestie over het resterende gedeelte van het verzoek na afloop van de voortgezette mondelinge behandeling “
heeft besproken” met collega-rechters die Wvggz-zaken behandelen. [4]
2.2
Het middel bevat twee onderdelen.
Onderdeel 1 – verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer
Samenvatting van de klachten
2.3
Onderdeel 1 valt uiteen in vier subonderdelen, a t/m d.
2.4
Subonderdeel 1.aklaagt dat de rechtbank als rechter in de zin van art. 1:6 in Pro verbinding met art. 6:4 Wvggz Pro heeft miskend dat zij de zaak in de gegeven situatie als ‘enkelvoudige kamer’ onder art. 15 Rv Pro had moeten verwijzen naar de meervoudige kamer voor zover zij deze zaak – volgens het subonderdeel “
kennelijk en terecht” – ongeschikt achtte voor behandeling en beslissing door één rechter, of op zich voor enkelvoudige behandeling geschikt achtte maar in het kader van de interne organisatie/opleiding binnen de rechtbank wilde bespreken met andere rechters met meer Wvggz-kennis of ervaring.
2.5
Subonderdeel 1.bklaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de zaak in de gegeven situatie ongeschikt is voor enkelvoudige behandeling en beslissing in de zin van art. 15 lid 2 Rv Pro, nu – volgens het subonderdeel “
kennelijk en terecht” – naar het oordeel van de behandelend rechter “
de kwestie over het resterende deel van het verzoek” in het licht van het ter zitting door betrokkene aangevoerd primair/subsidiair verweer ongeschikt is voor ‘unusrechtspraak’. De reden daarvoor is de complexiteit en het principiële karakter van de ter beslissing voorgelegde rechtsvragen, voor beantwoording waarvan kennisdeling in collegiaal vooroverleg nuttig of geboden is in navolging van de algemene en rechtsgebied overstijgende indicatoren onder art. 8:10 Awb Pro volgens de ‘Landelijke Overleggen Vakinhoud’ (LOV) van de rechtbanken. [5]
2.6
Subonderdeel 1.cklaagt dat de behandelend rechter aldus de zaak onder art. 15 Rv Pro ten onrechte niet heeft verwezen naar een meervoudige kamer waar
“(de) ‘andere rechters’”als leden van de rechtbank mede de zaak verder zouden behandelen en beslissen.
2.7
Subonderdeel 1.dklaagt dat de rechtbank heeft miskend dat, voor zover de behandelend rechter met het ter zitting gemelde collegiaal vooroverleg als enkelvoudige kamer bedoelde de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer bestaande uit drie leden waaronder “
de ‘andere rechters die Wvggz-zaken behandelen’”, zij dit voornemen ter zitting had kunnen en moeten meedelen, en erop had kunnen en moeten wijzen dat (de advocaat van) betrokkene kon verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door deze meervoudige kamer, van welke mogelijkheid anders op voorhand afstand had kunnen worden gedaan. [6] Het subonderdeel stelt dat niet blijkt dat de rechtbank bedoelde gelegenheid heeft gegeven. Volgens het subonderdeel was daartoe niet voldoende de (enkele) mededeling van de behandelend rechter dat de kwestie over het resterend gedeelte van het verzoek zou worden besproken met “
andere rechters die Wvggz-zaken behandelen”. Evenmin, zo besluit het subonderdeel, blijkt uit het proces-verbaal en de beschikking dat betrokkene op voorhand afzag van de mogelijkheid om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer te verzoeken.
2.8
De klachten in deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Juridisch kader
2.9
Art. 6:1 lid 10 Wvggz Pro, opgenomen in hoofdstuk 6 (‘
Zorgmachtiging’), bepaalt dat in aanvulling op hetgeen uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voortvloeit, de regels inzake de verzoekprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing zijn. Art. 15 lid 1 Rv Pro, opgenomen in de Tweede Afdeling van Titel 1 (‘
Algemene bepalingen’) van Boek 1 Rv, bepaalt dat bij de rechtbank zaken, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, worden behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer. Dit geldt voor zowel dagvaardingsprocedures als verzoekschriftprocedures. [7] Het tweede lid bepaalt dat, indien de zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling en beslissing door één rechter, zij deze verwijst naar een meervoudige kamer, bestaande uit drie leden. [8]
2.1
De enkelvoudige kamer kan de zaak altijd verwijzen naar de meervoudige kamer. Hammerstein stelt dat verwijzing een ‘discretionaire bevoegdheid’ is. [9] Hij schrijft daarover in een ander werk:
“Partijen kunnen vragen om verwijzing, maar hebben daarop verder geen invloed. De verwijzing is een kwestie van interne besluitvorming en behoeft ook niet te worden gemotiveerd.” [10]
2.11
De wet noemt als belangrijke reden voor verwijzing naar de meervoudige kamer de ongeschiktheid voor behandeling en beslissing door één rechter. Daarmee zal vooral bedoeld zijn de complexiteit van de zaak of de zwaarwichtigheid van de beslissing. Ook indien de enkelvoudige kamer meent dat de zaak op zichzelf wel voor enkelvoudige behandeling geschikt is,
kanzij de zaak verwijzen naar een meervoudige kamer. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de zgn. ‘opleidingskamers’, waarin minder ervaren rechters onder leiding van een ervaren voorzitter ervaring opdoen met bepaalde zaken. [11] Een procespartij kan verwijzing naar een meervoudige kamer niet afdwingen.
2.12
Art. 8:10 lid 2 Awb Pro kent voor de behandeling van beroepen door de rechtbank in bestuursrechtelijke zaken een soortgelijke bepaling als art. 15 lid 2 Rv Pro. Borman schrijft daarover onder meer:
“De Landelijke Overleggen Vakinhoud (LOV’s) van de rechtbanken hebben blijkens berichtgeving op www.rechtspraak.nl op 25 maart 2020 algemene en rechtsgebiedoverstijgende indicatoren vastgesteld voor het meervoudig behandelen van zaken bij de rechtbanken. Landelijk gelden voor alle rechtsgebieden, dus ook voor het bestuursrecht, de volgende indicatoren voor de meervoudige behandeling van een zaak: zaken met een principieel karakter; zaken waarin sprake is van een nieuwe rechtsontwikkeling/rechtsvraag en/of nieuwe regelgeving; zaken waarin mogelijk wordt afgeweken van een eerdere jurisprudentielijn; zaken met een groot of bijzonder maatschappelijk belang; publiciteitsgevoelige zaken, zaken waarin sprake is van kennisdeling (bijvoorbeeld in het kader van opleiding of intervisie), zaken die complex en/of omvangrijk zijn of een groot financieel belang kennen.” [12]
2.13
De wet maakt in art. 15 lid 2 Rv Pro een onderscheid tussen ‘behandeling’ en ‘beslissing’ van een zaak. Het begrip ‘behandeling’ heeft vooral betrekking op de rechterlijke begeleiding van de zaak ter zitting. Dit omvat onder meer de mondelinge behandeling en het houden van getuigenverhoren. De ‘beslissing’ komt aan de orde wanneer de rechter uitspraak doet. Dit kan een tussen-, eind- dan wel deeluitspraak inhouden. [13]
2.14
De Hoge Raad heeft in een reeks van uitspraken als hoofdregel geformuleerd dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens bijzondere omstandigheden behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie deze behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te bevorderen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. [14] Daarbij is op grond van art. 6 EVRM Pro een verband gelegd tussen ‘behandeling’ en ‘beslissing’ in dier voege dat dit in beginsel moet gebeuren in dezelfde samenstelling omdat mondelinge interactie tussen partijen en de rechters van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming door de rechter. [15] Dit strookt met het onmiddellijkheidsbeginsel, op grond waarvan procespartijen recht hebben hun standpunten toe te lichten ten overstaan van de rechters die de zaak zullen beslissen. [16] Het doel van dat beginsel is te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van de beslissing.
2.15
In een Wet Bopz-zaak die heeft geleid tot een beschikking van de Hoge Raad van 12 juli 2019 [17] klaagde de betrokken patiënt in cassatie dat de mondelinge behandeling bij de rechtbank in de procedure na cassatie en verwijzing had plaatsgevonden ten overstaan van slechts één van de drie rechters die de bestreden beschikking hebben gegeven. Betoogd werd dat de meervoudige kamer die de beschikking heeft gegeven, de betrokkene had moeten horen. Dat was niet gebeurd. Dit bracht de Hoge Raad ertoe als volgt te oordelen:
“3.2.7 Niet blijkt dat de rechtbank in dit geval de hiervoor in 3.2.4 genoemde gelegenheid heeft gegeven. De hiervoor in 2.2.2 genoemde mededeling aan het begin van de behandeling dat de zaak zou worden beslist door een meervoudige kamer, is daarvoor niet voldoende. Evenmin blijkt dat betrokkene langs de hiervoor in 3.2.5 genoemde weg op voorhand heeft afgezien van de mogelijkheid om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer te verzoeken. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht van het onderdeel treft derhalve doel.”
2.16
Tot zover het juridisch kader. Ik voeg nog toe dat het kan voorkomen dat een rechter voorafgaand aan of na de mondelinge behandeling van een zaak over een bepaalde (rechts)vraag die in die zaak aan de orde is, overleg heeft met een niet met de zaak belaste collega-rechter met kennis van en/of ervaring op het betrokken rechtsgebied. Daarbij maakt het geen verschil of de zaak enkelvoudig of meervoudig wordt behandeld: ook rechters die een zaak meervoudig behandelen, kunnen – ongeacht hoe ervaren zij zijn – het zinvol achten om een andere rechter te consulteren over een bepaalde rechtsvraag of over de mogelijke gevolgen die een beslissing in de betreffende zaak kan hebben voor andere zaken. Het ‘sparren’ met collega’s moet mijns inziens ook toelaatbaar worden geacht, enerzijds omdat dit kan bijdragen aan de kwaliteit en de consistentie van de rechtspraak en anderzijds omdat dit niet tot gevolg heeft dat een zaak wordt beslist door andere rechters dan aan wie de zaak is toebedeeld of op andere gronden dan ter zitting zijn behandeld.
Bespreking van de klachten
2.17
Ik stel het volgende voorop. In de onderhavige zaak heeft de behandelend rechter geen blijk gegeven van een voornemen de zaak voor beslissing te verwijzen naar een meervoudige kamer. Zij heeft alleen gezegd de zaak te willen bespreken met collega’s die Wvggz-zaken behandelen. Het is wellicht verwarrend voor partijen als de behandelend rechter(s) ter zitting meedeelt (meedelen) dát hij (zij) voornemens is (zijn) om een bepaalde kwestie te bespreken met collega’s. Reden om aan te nemen dat de zaak dan alleen nog door een meervoudige kamer kan worden beslist, is dat echter niet.
2.18
Nu de rechtbank de onderhavige zaak enkelvoudig heeft behandeld en beslist, heeft de behandelend rechter kennelijk geen aanleiding gezien de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Of zij na de zitting andere rechters heeft geraadpleegd kan niet worden vastgesteld. In die omstandigheden kan er, anders dan het onderdeel betoogt, niet bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag van uit worden gegaan dat de behandelend rechter andere rechters heeft geconsulteerd.
2.19
In de kern betogen de klachten (i) dat de zaak gezien hetgeen aan de orde was, ongeschikt was voor een enkelvoudige behandeling, (ii) dat de behandelend rechter zich daarvan ook bewust was, (iii) dat zij door de mededeling aan het slot van de mondelinge behandeling kennelijk voornemens was de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen, (iv) dat zij bij partijen, en in elk geval bij betrokkene, het vertrouwen heeft gewekt dit ook te gaan doen, en (iv) dat de zaak dan ook ten onrechte niet naar een meervoudige kamer is verwezen. Ik meen dat deze klachten dienen te falen op de grond dat het aan de feitenrechter is, in dit geval de behandelend rechter die bij de inroostering is aangewezen om de zaak enkelvoudig te behandelen, om te beoordelen of de zaak (bij nader inzien) naar een meervoudige kamer moest worden verwezen. Naar mijn mening kan er in cassatie niet over worden geklaagd dat dit (uiteindelijk) niet is gebeurd. In dat verband acht ik van belang dat tegen de beschikking van de rechtbank een gewoon rechtsmiddel openstaat, in dit geval cassatieberoep, in welke procedure inhoudelijke klachten naar voren kunnen worden gebracht tegen zowel beslissingen in die beschikking als de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen. Van deze mogelijkheid is in dit geval evenwel geen gebruik gemaakt.
2.2
De klachten stuiten alle op het voorgaande af. Ik zal ten overvoede de subonderdelen kort afzonderlijk bespreken.
2.21
Subonderdeel 1.amaakt niet duidelijk wat het precies bedoelt met de passage “
in de gegeven situatie”. De klacht ziet er voorts aan voorbij dat de behandelend rechter de zaak (bij nader inzien) na afloop van de mondelinge behandeling in elk geval niet ongeschikt heeft geacht om enkelvoudig af te doen. Ik merk tot slot op dat de advocaat van betrokkene de behandelend rechter naar aanleiding van de door haar gemaakte opmerking vragen kon stellen en ook zelfstandig had kunnen verzoeken om verwijzing naar een meervoudige kamer. Dit is niet gebeurd.
2.22
Subonderdeel 1.bmaakt niet duidelijk wat het door of namens betrokkene ter zitting aangevoerde primair/subsidiair verweer precies inhield en waarom dit verweer mee zou brengen dat de zaak niet geschikt was om enkelvoudig te worden behandeld en beslist. Het subonderdeel verwijst aan het slot naar de Landelijke Overleggen Vakinhoud, maar maakt niet duidelijk welke van de daar genoemde indicatoren in de onderhavige zaak van belang zijn. Daarnaast brengt deze interne ‘richtlijn’ niet een verplichting mee om een zaak reeds bij aanvang meervoudig te behandelen. De beslissing om een zaak bij aanvang toe te delen aan een enkelvoudige kamer of een meervoudige kamer is afhankelijk van verschillende factoren. De weging die aan die beslissing ten grondslag ligt is voorbehouden aan degene die de zaken indeelt. Vanaf de mondelinge behandeling is die beslissing voorbehouden aan de behandelend rechter in een individuele zaak.
2.23
Subonderdeel 1.cbouwt voort op het voorgaande en behoeft geen afzonderlijke bespreking.
2.24
Subonderdeel 1.dfaalt eveneens. Zo de behandelend rechter al het voornemen heeft gehad om de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen, dan heeft zij daarvan na de mondelinge behandeling klaarblijkelijk afgezien. Zij heeft de zaak, zo zij herhaald, immers enkelvoudig afgedaan, hetgeen haar vrij stond. Alleen indien
zou zijn beslotende zaak meervoudig te gaan behandelen, diende iedere partij in de gelegenheid te worden gesteld te verzoeken om een (hernieuwde) behandeling door de meervoudige kamer. Zoals gezegd had de advocaat van betrokkene ook zelfstandig een verzoek kunnen indienen om de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer, op welk verzoek dan had moeten worden beslist.
Onderdeel 2 – schending onmiddellijkheidsbeginsel
2.25
Subonderdeel 2.abouwt, als ik het goed zie, uitsluitend voort op de klachten van onderdeel 1 en bevat geen kenbare klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.
2.26
Subonderdeel 2.bklaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de bestreden beslissing dan wel de “
handeling tot vooroverleg met andere rechters van de rechtbank die Wvggz-zaken behandelen” schending oplevert van het onmiddellijkheidsbeginsel c.q. recht op rechterlijk gehoor (‘
oral hearing’). Daarmee heeft de rechtbank volgens het subonderdeel een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel veronachtzaamd dat niet kan worden gesproken van een eerlijke behandeling van de zaak (‘
fair trial’). Ter toelichting betoogt het subonderdeel dat Wvggz-zaken op grond van art. 15 Rv Pro worden behandeld en beslist door een enkelvoudige kamer. De inschakeling van dan wel collegiaal vooroverleg met “
andere rechters die Wvggz-zaken behandelen” komt daardoor volgens het subonderdeel in strijd met art. 6 lid 1 EVRM Pro, aangezien hun (niet-kenbaar) aandeel in de oordeelsvorming en beslissing van de zaak niet “
established by law” kan worden geacht te zijn. Het subonderdeel wijst in dat verband op de bij het EHRM voorliggende rechtsvraag of een zaak is behandeld en beslist door een onafhankelijke en onpartijdige rechter die bij wet is ingesteld indien, in raadkamer, niet alleen rechters die de zaak beslissen maar ook andere rechters zijn betrokken of, in gevallen van kameroverstijgend beleid, leden van andere kamers aan de beraadslagingen deelnemen. [18]
2.27
Ook bij de beoordeling van deze klacht dient tot uitgangspunt dat de rechtbank de onderhavige zaak enkelvoudig
heeft behandelden dat de zaak ook enkelvoudig
is afgedaan. Betrokkene heeft derhalve een mondelinge toelichting gegeven ten overstaan van de rechter die zijn zaak heeft beslist. Niet vaststaat dat de behandelend rechter na afloop van de mondelinge behandeling de zaak heeft besproken met andere rechters die Wvggz-zaken behandelen. Zelfs indien dit het geval is geweest, kan dit niet tot cassatie leiden. Herhaald zij voorts dat het hier gaat om een beschikking van de rechtbank waartegen een gewoon rechtsmiddel open staat en dat het cassatiemiddel tegen het inhoudelijke oordeel van de rechtbank geen klachten aanvoert, ook niet subsidiair.
2.28
Gelet op het voorgaande is geen sprake van schending van het onmiddellijkheidsbeginsel.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 20 juli 2022, zaaknummer/rekestnummer C/13/719530 - FA RK 22/4020.
3.In de beschikking staat: “20 juli 202
4.Procesinleiding, blz. 2.
5.Het subonderdeel wijst erop dat deze algemene en rechtsgebied overstijgende indicatoren voor de rechtbanken op 25 maart 2020 zijn vastgesteld door de ‘Landelijke Overleggen Vakinhoud’: https://www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/zaakstoedeling-en-verdeling/Paginas/MK-indicatoren.aspx.
6.Het subonderdeel verwijst naar HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202,
7.T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2022, art. 15 Rv Pro, aant. 1 (Van Mierlo).
8.Vgl. art. 8:10 lid 2 Awb Pro.
9.Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 15 Rv Pro, aant. 3 (A. Hammerstein).
10.A. Hammerstein, Commentaar op art. 15 Rv Pro (aant. C.2), Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, 2021.
11.T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2022, art. 15 Rv Pro, aant. 4.a (Van Mierlo).
12.T&C Awb 2022, art. 8:10 Awb Pro, aant. 3.c (Borman). Zie ook: A.T. Marseille en H.D. Tolsma,
13.T&C Burgerlijke Rechtsvordering 2022, Inleidende opmerkingen bij de Tweede Afdeling van Titel 1, aant. 2 (Van Mierlo).
14.Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 15 Rv Pro, Kernoverzicht, aant. A4 (A. Hammerstein). Zie voor een chronologisch overzicht van de kernjurisprudentie, die een aanvang heeft genomen met HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076,
15.Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 15 Rv Pro, aant. 2 (A. Hammerstein).
16.Voor beschouwingen over het (civiele) onmiddellijkheidsbeginsel verwijs ik naar het hiervoor genoemde arrest van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076,
17.HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202,
18.Het subonderdeel verwijst naar de zaak met nummer 19365/19 (Kuijt tegen Nederland, ‘reservisten’). Zie:https://hudoc.echr.coe.int/eng#{%22appno%22:[%2219365/19%22],%22itemid%22:[%22001-202804%22]}.