ECLI:NL:PHR:2023:243

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2023
Publicatiedatum
24 februari 2023
Zaaknummer
21/02946
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 13 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor rijden onder invloed cannabis ondanks tijdsverloop bij bloedonderzoek

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij op 2 september 2018 te Velp een voertuig bestuurde met een THC-gehalte in zijn bloed boven de wettelijke grenswaarde. Het hof legde een taakstraf van 30 uur op, subsidiair 15 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor zes maanden.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte het verweer verwierp dat het bloedmonster niet 'zo spoedig mogelijk' bij het laboratorium was bezorgd, zoals vereist in artikel 13 lid 1 onder Pro d van het oude Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Er was namelijk een tijdsverloop van acht dagen tussen de bloedafname en de ontvangst van het monster door het NFI.

De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk tijdsverloop niet onaanvaardbaar is, zeker wanneer er geen concrete aanwijzingen zijn dat de bloedmonsters niet correct zijn bewaard of verzonden. Het hof had het bewijs en de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek terecht aanvaard. Het cassatieberoep faalde en werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

De uitspraak bevestigt de jurisprudentie dat een tijdsverloop tot acht dagen tussen bloedafname en verzending naar het laboratorium acceptabel kan zijn, mits de wettelijke waarborgen worden nageleefd en geen nadere bezwaren zijn aangetoond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor rijden onder invloed van cannabis blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/02946
Zitting28 maart 2023

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 7 juli 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens "overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en Y. ten Tuijnte, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. [1]
3.
Het middel
3.1
Het middel klaagt blijkens de toelichting meer in het bijzonder over ’s hofs verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer dat met het verstrijken van acht dagen tussen de bloedafname en de ontvangst van de bloedmonsters door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) niet is voldaan aan het voorschrift dat de bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ moeten worden bezorgd bij het laboratorium als voorgeschreven in artikel 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, (oud) van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit).
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij, op 2 september 2018 te Velp, gemeente Rheden, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 7,6 THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit bij die stof vermelde grenswaarde;”
3.3
Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:
“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
Ter terechtzitting is door de verdediging aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen, omdat sprake is van een schending van de strikte waarborg van artikel 13 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Deze waarborg zou zijn geschonden, doordat het bloed van verdachte niet ‘zo spoedig mogelijk’ naar het laboratorium is verstuurd. Dit maakt dat er volgens de verdediging geen sprake is van ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 vijfde Pro lid van de Wegenverkeerswet 1994.
Het hof is van oordeel dat gelet op het geringe tijdsverloop van acht dagen tussen de afname, verpakking en verzegeling van het bloedmonster door de politie op 2 september 2018 en de ontvangst van dit bloedmonster door het NFI op 10 september 2018, er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de bloedmonsters niet zo spoedig mogelijk zijn verzonden. Ook is overigens niet gebleken dat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Nu niet is gebleken van een schending van de strikte waarborg van artikel 13 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer acht het hof de uitkomst van het verrichte bloedonderzoek betrouwbaar en gebruikt het deze voor het bewijs, waardoor het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.”
3.4
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang (zoals die golden ten tijde van het ten laste gelegde feit):
- Artikel 8 lid 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW 1994):
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
- Artikel 13 lid Pro 1 (oud) [2] van het Besluit:
“Bij de bloedafname (...) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
(...)
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
3.5
Van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Tot die waarborgen behoort onder meer dat het afgenomen bloedmonster zonder uitstel ofwel zo spoedig mogelijk wordt toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast. [3] Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of het bloedmonster inderdaad zonder uitstel is verzonden, terwijl zijn oordeel dienaangaande wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. [4]
3.6
Uit de (oudere) rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat een tijdsverloop van enkele dagen tussen de bloedafname en de verzending van de bloedmonsters, wanneer in deze dagen bijvoorbeeld ook het weekend valt, niet onoverkomelijk wordt geacht. [5] Gevallen waarin de exacte datum van verzending niet kan worden vastgesteld, maar het tijdsverloop tussen de bloedafname en de ontvangst van de bloedmonsters door het NFI zes dagen bedraagt, doorstaan de cassatietoets eveneens. [6] Een tijdsverloop tot acht dagen lijkt in dergelijke gevallen door de Hoge Raad ook nog te worden geaccepteerd, zeker wanneer er feestdagen zitten tussen verzending en ontvangst van de bloedmonsters [7] en/of wanneer op dat punt in feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd. [8] Een tijdsverloop van elf dagen zonder nadere motivering vond de Hoge Raad destijds te ver gaan. [9]
3.7
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de bloedmonsters op 2 september 2018 bij de verdachte zijn afgenomen en dat het NFI de bloedmonsters, acht dagen na de bloedafname, op 10 september 2018 heeft ontvangen. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de bloedmonsters ‘zo spoedig mogelijk’ zijn bezorgd bij een laboratorium als bedoeld in artikel 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit is, tegen de achtergrond van hetgeen onder 3.5 is vooropgesteld en gelet op de onder 3.6 aangehaalde jurisprudentie, ook in het licht van het door de verdediging gevoerde verweer, niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Dat het hof geen concrete vaststellingen heeft gedaan over de wijze van bewaren van het bloed na de afname daarvan en tijdens het transport naar het laboratorium maakt dat niet anders. De Hoge Raad heeft immers in een recent arrest van 13 december 2022 [10] overwogen dat dergelijke vaststellingen uitsluitend zijn vereist in gevallen waarin het hof die wijze van bewaren betrekt bij het oordeel of sprake is van het ‘zo spoedig mogelijk’ bezorgen van het buisje of de buisjes met bloed, als bedoeld in artikel 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, (oud) van het Besluit. Een dergelijk geval doet zich in de onderhavige zaak niet voor.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Aanvankelijk was nog een middel van cassatie voorgesteld, over het ontbreken van de aan het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2021 overgelegde pleitnota, een brief van het NFI van 26 maart 2021 en een proces-verbaal van de politie van 3 december 2020. Nadat het hof deze stukken alsnog heeft toegezonden, heeft de raadsman dit middel bij aanvullende schriftuur van 27 juli 2022 ingetrokken.
2.Inmiddels is het eerste lid gewijzigd door het Besluit van 15 februari 2022, Stb. 2022, 77, in werking getreden op 1 juli 2022 (Stb. 2022, 142). Daarbij is in het gestelde onder d ‘zo spoedig mogelijk’ vervangen door ‘binnen vier weken’. Deze wijziging is niet van invloed op de onderhavige zaak.
3.HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684.
4.HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD6972.
5.Zie HR 24 juni 1980, ECLI:NL:HR:1980:AD6948, waarin de bloedafname plaatsvond op vrijdag 12 augustus 1977 en de verzending van het bloedmonster, drie dagen later, op maandag 15 augustus 1997.
6.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853.
7.HR 27 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD6972, NJ 1991, 42.
8.Zie HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:546 (art. 81 lid 1 RO Pro, niet gepubliceerd) en de conclusie van mijn oud ambtgenoot Wortel voorafgaand aan dit arrest (PHR 5 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2232). Zie bijvoorbeeld ook recent HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1863 (art. 81 lid 1 RO Pro) en de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens voorafgaand aan dit arrest (PHR 1 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1004), waarin het ging om een tijdsbestek van zeven dagen na de bloedafname.
9.HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206.
10.HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken voorafgaand aan dit arrest (PHR 18 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:938)